logo

'Voor politici blijft groei hét recept om het maatschappelijk conflict over een meer gelijke verdeling van bestaansmiddelen voor zich uit te schuiven', schrijft Jef Peeters van de denktank Oikos in Knack op 01/08/2019. 'Maar die strategie breekt stuk op de fundamentele crisisverschijnselen van vandaag.'

Telkens de economische groeimotor sputtert is het alle hens aan dek om hem terug op gang te trekken. In die lijn kondigt de Europese Centrale Bank (ECB) opnieuw belangrijke maatregelen aan voor september. Ook voor politici die nieuwe regeringen voorbereiden is het telkens opnieuw een centraal aandachtspunt. Meer ruimte voor ondernemingen en voor de markten is daarbij het standaardrecept. There is no alternative probeert men ons al sedert de jaren tachtig aan te praten. Ondertussen stapelen de negatieve symptomen van die dominante economische visie zich op tot bedreigende proporties, zowel ecologisch met o.a. klimaatverandering en drastisch verlies van biodiversiteit, als met sociale ongelijkheid, een groeiende stroom vluchtelingen en bedreiging van de democratie door een nieuw autoritarisme. Wanneer bovendien vanuit onderzoek meer en meer duidelijk wordt dat de vluchtweg van 'groene groei' een illusie blijkt, kunnen we niet anders dan besluiten dat het economische groeimodel maatschappelijk failliet is.

Dat betekent nog lang niet dat er een groeiende consensus is over een alternatief. Enerzijds hebben de belangen van het transnationaal kapitaal zich kunnen verankeren gedurende vier decennia van neoliberaal beleid, en die willen dat graag zo behouden. Politici en media helpen hen daar vooralsnog bij. Anderzijds wijzen allerlei politieke verschijnselen op een gebroken maatschappelijke consensus omtrent de grote lijnen van de te volgen richting. Denk aan de terugval van de centrumpartijen, het succes van nationalistisch rechtse partijen en de groei van groene partijen, maar ook aan nieuwe sociale bewegingen als de gele hesjes en Youth for Climate. Het vormt een mengsel van zowel hoop als wanhoop.

Voor velen lijkt het einde van de wereld echter gemakkelijker voor te stellen dan het einde van het kapitalisme.

Het perspectief op een nieuw type samenleving dat de degrowth-beweging aanreikt wordt dan ook niet vaak ernstig genomen. Voor politici blijft groei hét recept om het maatschappelijk conflict over een meer gelijke verdeling van bestaansmiddelen voor zich uit te schuiven, wat in de eerste decennia na WOII aardig gelukt is. Maar die strategie breekt stuk op de fundamentele crisisverschijnselen van vandaag. Voor de modale burger in een rijk land als het onze is een degrowth-perspectief onverenigbaar met de levensstijl waaraan velen gewend zijn geraakt.

Zeker is dat de consumptiesamenleving ons voorstellingsvermogen van een alternatief heeft aangetast. Daarbij wordt een nieuw toekomstbeeld ook bemoeilijkt door de complexiteit en omvattendheid van de verandering die nodig is, gezien de huidige samenloop van crisissen. Er dan maar op blijven wedden dat technologie het wel zal oplossen is echter de kop in het zand steken.

Een nieuwe visie vraagt om een nieuw mens- en wereldbeeld dat breekt met het individualisme en met de idee dat de aarde op een oneindige manier aan ieders wensen tegemoet kan komen.

Uitzoeken hoe de basisbehoeften van de wereldbevolking vervuld kunnen worden in een niet-groeiende economie, vergt dan inderdaad voorstellingsvermogen. Paradoxaal genoeg wordt dat net geprikkeld door het erkennen van grenzen. Die erkenning kan de ogen openen voor de feitelijke verbondenheid en wederzijdse afhankelijkheid van mensen van elkaar, maar ook van de andere aardbewoners en van de aarde zelf. De aarde is de plek waar we altijd al geweest zijn, waaraan de moderne samenleving probeerde te ontsnappen, maar waar we opnieuw kunnen landen, zoals Bruno Latour betoogt. In tegenstelling tot een emancipatievisie waarin het individu zich moet losmaken van alle banden om vrij zichzelf te kunnen zijn, gaat het aardeperspectief erom opnieuw gemeenschap te maken. Dat gaat niet om een terugkeer naar een traditionele gesloten gemeenschap, zeker ook niet om het opnieuw opkloppen van de fictieve gemeenschap van de natie, maar om een vorm van lokaal zijn die open staat voor de wereld en inclusief is, ook ecologisch. Latours visie vertoont hierin nogal wat gelijkenis met het ecologische perspectief van Otto Scharmer.

Die visie vertaalt zich ook naar een praktijk zoals verwoord door de toonaangevende degrowth­-denker Giorgis Kallis in zijn laatste boek: 'In een ontgroei-toekomstbeeld zijn menselijke activiteit en werk gecentreerd rond zorg voor andere mensen, levende wezens en hun (onze) habitats, en ze dienen de 'onproductieve 'uitgaven waarmee we betekenis geven.' Hij verwijst hier naar de dubbele beweging waarop een ontgroei -samenleving gebouwd zou kunnen worden. Enerzijds biedt de aarde genoeg voor iedereen om te leven, mits een praktijk van delen en samenwerken en van materiële matigheid in de private sfeer. Anderzijds dient het maatschappelijk geproduceerde overschot niet geïnvesteerd te worden in functie van een steeds verdergaande accumulatie van kapitaal, maar op een zingevende manier uitgegeven in de publieke sfeer (bijv. cultuur, kunst, feesten...). Ook meer ruimte maken voor natuur en het planten van bomen horen daarbij.

Thomas Piketty heeft nu echter aangetoond dat in het kapitalisme de private toe-eigening van de maatschappelijk geproduceerde waarde groter is dan de economische groei. Een degrowth-transitie moet daarom sowieso die toe-eigening aanpakken, en dus de onderneming die vandaag via de dominantie van het aandeelhouderschap als een motor voor accumulatie functioneert. Dat is nog verscherpt door de neoliberale 'theorie' (of beter 'ideologie') dat het doel van de onderneming bestaat in het creëren van aandeelhouderswaarde (shareholder value). Oriëntatie op kortetermijngewin en voorbijgaan aan maatschappelijke doelstellingen zijn daarvan het gevolg. Cambridge-econoom Ha-Joon Chang citeert in 23 dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme daarom met instemming Jack Welch, voormalig CEO van General Electric: 'Aandeelhouderswaarde is waarschijnlijk het 'stomste idee van de wereld''.

Economische democratisering

Het antwoord daarop is economische democratisering, de samenleving en haar burgers die vat krijgen op de beslissingen over de bedrijfsdoelstellingen en over de besteding van de meerwaarde. Allerlei benaderingen proberen daar vandaag werk van te maken, zoals: het ontwerp van een maatschappelijk georiënteerd eigenaarschap door Marjorie Kelly in Owning our Future, de voorstelling van een not-for-profit-economie in het aangekondigde How on Earth van Donnie Maclurcan en Jennifer Hinton, strategieën voor burgers om vat te krijgen op hun economie in J.K. Gibson-Grahams Take Back the Economy, of het opnieuw benadrukken van de democratische mogelijkheden van de coöperatie door John Restakis in Humanizing the Economy.

Daarnaast nemen allerlei burgerinitiatieven een vlucht, waaronder de commons in het bijzonder, die vandaag ook systematisch gepromoot worden, bijvoorbeeld in het nieuwe boek van Silke Helfrich en David Bollier Free, Fair and Alive. The Insurgent Power of the Commons.

Ideeën genoeg dus, naast een veelheid aan nieuwe concrete praktijken. Het is belangrijk om ze verder te verspreiden, maar een daadwerkelijke transitie kan pas plaatsvinden wanneer we erin slagen ook de institutionele regelingen die thans het kapitalisme schragen te veranderen. Zonder een sterke sociaal-politieke beweging die zich achter deze ideeën schaart zal dat niet lukken, en het zal sowieso een lastige klus zijn.

Herziening vennootschapswetgeving

Een illustratie daarvan vormt de recente herziening van de vennootschapswetgeving die net vanuit een versterking van de vrijemarktlogica was opgezet. Volgens het regeerakkoord van 2014 ging het erom België nog aantrekkelijker te maken voor lokale en buitenlandse ondernemingen. Daartoe beoogde justitieminister Koen Geens een algehele vereenvoudiging van de wet onder meer met een beperking van het aantal vennootschapsvormen. Aanvankelijk werd daarbij de coöperatieve vennootschap geschrapt, maar onder druk van de coöperatieve beweging uiteindelijk behouden met een eigen definitie en wetboek gebaseerd op de coöperatieve principes van de International Co-operative Alliance (ICA).

Een cruciaal punt was ook dat de formulering van de doelstelling van een vennootschap in het eerste wetsontwerp de idee van aandeelhouderswaarde wettelijk verankerde: 'Zij heeft tot doel aan de vennoten een rechtstreeks of onrechtstreeks vermogensvoordeel uit te keren of te bezorgen.' Nadat N-VA uit de regering stapte moest Geens een politieke onderhandeling aangaan met de groene en socialistische partijen om zijn wet er alsnog door te krijgen. Daarbij werd die algemene doelstelling gelukkig open getrokken: 'Een van haar doelen is aan haar vennoten een rechtstreeks of onrechtstreeks vermogensvoordeel uit te keren of te bezorgen.' Een belangrijk gaatje om maatschappelijke doelstellingen in de onderneming binnen te brengen, en om dusmee aan de slag te gaan.

Dit opiniestuk verscheen op 01/08/2019 in Knack.

Published in Opinie

Recensie: Uit de puinhopen. Een nieuwe politiek in een tijd van crisis.  Monbiot, George (Lemniscaat, Rotterdam, 2018, 207 p.) door Roger Jacobs.

George Monbiot (geb. 1963) studeerde zoölogie in Oxford en maakte in zijn jonge jaren naam als een tot de verbeelding sprekende groene onderzoeksjournalist, activist en wereldreiziger. Later zou hij zijn niet van gevaren gespeende baan inruilen voor die van The Guardian – columnist wiens analyses en voorstellen hem in Engeland de titel van ‘the foremost green public intellectual for 30 years’ (Antipode, februari 2017) opleverde. Alhoewel zijn naam tot voor kort wel een belletje bij mij deed rinkelen –ik denk daarbij aan zijn pleidooi voor de herintroductie van grote, wilde diersoorten in de Europese natuur (‘Feral’ (2013))- had ik nog nooit een boek van hem gelezen. Toen ik op aanraden van drie van mijn kennissen (onafhankelijk van elkaar) zijn laatste pennenproduct ‘Uit de puinhopen’ doornam besefte ik dat dit een kennismaking was met  één van de interessantste groene auteurs van de laatste jaren. Natuurlijk omdat hij een aantal van mijn opvattingen – zeker niet allemaal - bevestigde maar deze tegelijk dichter bij de leefwereld van de doorsnee burgers liet aansluiten door ze op te nemen in een  ‘Groot Verhaal’ geschreven in een begrijpelijke taal.

Wetenschappelijke waarheid en narratieve getrouwheid

In het aanvangshoofdstuk legt Monbiot het belang van ‘verhalen’ uit: het zijn middelen waarmee we een weg zoeken doorheen de wereld. Als we pogen een complexe situatie te doorgronden dan doen we dat niet door op zoek te gaan naar samenhangende en betrouwbare feiten maar wel naar een samenhangend en begrijpelijk verhaal. Filosofische of wetenschappelijke rationaliteit moet het steeds afleggen tegenover ‘narratieve getrouwheid’: weerspiegelt het verhaal onze verwachtingen ten aanzien van het menselijk gedrag, verloopt het zoals verhalen horen te verlopen, … ? Een wetenschappelijk gefundeerd ‘waar’ verhaal is nooit in staat zo’n krachtig ‘imaginair’ verhaal te ontkrachten of zelfs maar te corrigeren. Feiten die niet passen binnen de narratieve ‘waarheid’ worden gewoonweg genegeerd behalve als ze deel gaan uitmaken van een nog krachtiger verhaal. Het patroon van zo’n politiek relevant krachtig verhaal is steeds hetzelfde. Het land verkeert in chaos door toedoen van machtige en boosaardige krachten die ingaan tegen de belangen van de mensheid. De ‘held’ – enkeling of groep- neemt het met vallen en opstaan op tegen deze duistere machten en herstelt uiteindelijk de orde. Zelfs de meest groteske doctrines worden aanvaardbaar als ze ingebed worden in een dergelijke verhaalstructuur.

Het mag ons daarom ook niet verwonderen datzelfde narratieve patroon terug te vinden in de twee meest succesvolle ideologieën van de laatste eeuw. De ‘sociaal - democratie’ verklaarde het verval van de wereld door het inhalige gedrag van de op winst beluste kapitalisten die een politiek en financieel monopolie bezaten. Met als gevolg: crisis en oorlogen. Slechts door zich te verenigen op basis van haar gemeenschappelijke belangen kon de wereldbevolking de macht van het uitbuitende kapitaal breken en deze vervangen door een herverdelende en beschermende staat die de rechtvaardige orde herstelde en de toekomstige bestaanszekerheid garandeerde. Vanaf de zeventiger jaren van de vorige eeuw verklaarde het opkomende ‘neo – liberalisme’ de toenemende economische en sociale stagnatie door de wurggreep van een te machtig geworden staat die vrijheid, individualisme en kansen in de kiem smoorde. Dankzij het moedige optreden van vrijheidslievende ondernemers en academici werd de statelijke moloch op de knieën gedwongen en terug in dienst van de maatschappelijke dynamiek gesteld. De orde wordt hersteld door de creatie van vrije markten die rijkdommen en kansen voortbrengt en zo een welvarende toekomst voor alle initiatiefrijke mensen in petto houdt. Deze twee doctrines bots(t)en voortdurend tegen feiten die hen hadden kunnen weerleggen indien hun narratieve overtuigingskracht geringer was geweest.

Het neo - liberale beeld van de werkelijkheid heeft ondertussen het sociaal – democratische verhaal onderuit gehaald maar staat nog sterk genoeg om politieke  mainstream verhalen én fragmentarische contra-verhalen (populisme, ecologisme) te weerstaan.

Dat draagt bij aan de meest kenmerkende toestand van onze tijd: vervreemding. ‘Vervreemding is een breed begrip. Het houdt onder meer in dat mensen geen macht meer hebben over het werk dat ze doen, geen binding met de gemeenschap en de samenleving, hun vertrouwen verliezen in de politieke instituties, de toekomst niet meer met een gerust hart tegemoet zien, hun gevoel van zin en betekenis verliezen, en het idee hebben dat ze geen greep meer hebben over hun eigen bestaan. (p. 58). Het ergste slachtoffer van deze vervreemding is het samenhorigheidsgevoel. De sociaal – democratie heeft wel gezorgd voor een systeem van sociale voorzieningen dat welvaart bracht maar tevens de zelfstandigheid en de wederzijdse hulp van de ontvangers aantastte. Toen dat systeem onder het neo – liberale gesternte sterk werd ingekrompen (West-Europa) of zo goed als afgeschaft (in de Angelsaksische wereld) kwam het sociale lijden terug maar dit keer in een maatschappelijk vacuüm (‘Je staat er alleen voor’ want de gemeenschap is verdwenen en de staat ‘pampert’ voortaan niet meer maar ‘activeert’). De gemeenschap moet dus hersteld worden in combinatie met de heropbouw van een sociaal valnet.

De onontbeerlijke participatiecultuur

Dat is enkel te bewerkstelligen via de geleidelijke revival van de participatiecultuur. Deze kan het gemeenschapsleven terug gaan bezielen en het gras onder de voeten van de zondebokjagers wegmaaien. Daarvoor moeten kleine bestaande initiatieven (denk maar aan volkstuintjes, repair – café’s, LET’s, parochiale vluchtelingenopvang …) uitgroeien tot ‘dikke netwerken’: gestadig zich uitbreidende projecten vormen de voedingsbodem van onvoorziene nieuwe initiatieven waarin steeds meer mensen –niet enkel de maatschappelijk betrokken types en superburgers- een plaats en functie vinden. Monbiot benadrukt het belang van laagdrempeligheid waar mensen met weinig geld, opleiding en maatschappelijk zelfvertrouwen zich op hun gemak kunnen voelen en waar niet te veel van hen gevergd wordt. Samen voor kinderen zorgen, samen inkopen doen, eenvoudige vaardigheden aanleren, gereedschap en apparatuur delen en iets maken of herstellen … Financieel geruggensteund door de lokale overheid kan dit na een tijd leiden tot een omslagpunt wanneer 10 à 15% van de buurtbewoners regelmatig aan dit soort activiteiten deelneemt.

Het is een ‘understatement’ om te stellen dat dergelijke participatiecultuur politieke neveneffecten heeft. Een werkzame participatiecultuur is het nieuwe politieke leven.

De meeste mensen baseren hun politieke keuzen immers niet op rationele argumenten (= beredeneerd informatie beoordelen) maar op wie ze ‘zijn’. Als politieke wezens handelen we als leden van maatschappelijke groepen die hun identiteit tot uitdrukking willen brengen. Mensen stemmen op politieke partijen die het best lijken aan te sluiten bij hun cultureel milieu, onafhankelijk van het feit of die partijen echt hun belangen dienen. Geschoolde milieus hebben weliswaar oog en oor voor informatie maar gebruiken die vooral om hun vast staande meningen te rechtvaardigen maar niet om deze te herzien of bij te sturen. Een effectieve participatiecultuur kan onze identiteit een nieuwe vorm geven via onze dagdagelijkse ervaringen die ons het gevoel geven van ‘Hier hoor ik bij en daar niet: deze mensen zijn mijn bondgenoten en dat daar zijn mijn tegenstanders’ (p. 87). Ook iemand met een andere cultuur of taal kan ‘zoals jij zijn’. Monbiot gaat akkoord met de bekende post – kapitalist Paul Mason wanneer deze stelt dat sterke gemeenschappen een vervanging kunnen bieden voor de uiteengevallen en geflexibiliseerde arbeidersklasse. Zij vormen de nieuwe voedingsbodem van verzet én van constructieve voorstellen die niet enkel hun eigen (werknemers)belangen dienen maar tevens die van de gemeenschap en –waarom niet?- van de maatschappij in zijn geheel. Sterke gemeenschappen kunnen voor zichzelf opkomen door eisen te gaan stellen bij hun lokale overheden en de openbare nutsbedrijven (mobiliteit, ruimtelijke ordening, groene omgeving, lucht- en waterkwaliteit, enz.). Het grote voordeel van actief burgerschap in de lokale gemeenschap is dat de daarmee samenhangende identiteit en waardigheid volledig in eigen hand liggen en niet afhangen van een baan die staat of valt naargelang van de grillige koers van de beursaandelen!

Staat, markteconomie en de ‘commons’

Dikwijls wordt gesteld dat het de fundamentele uitdaging van de politiek is om het juiste evenwicht te vinden tussen de macht van de markt en die van de staat. Monbiot beschouwt dit als een verkeerde premisse want noch de markt, noch de staat, noch de combinatie van de twee kunnen in al onze behoeften voorzien. Beide hebben hun aandeel gehad in de vernietiging van de samenhorigheid en daardoor bijgedragen tot vervreemding, woede, normvervaging en extremisme. Eén element blijft opvallend onvermeld: het gemeenschappelijke bezit (‘commons’). Dit kan een lokale gemeenschap doel en richting verschaffen. Mooi citaat: ‘De bestaansmiddelen die het levert kunnen helpen om de leden van de gemeenschap bestaanszekerheid te verschaffen (…) De gemeenschappelijke bestaansmiddelen zorgen ervoor dat de levens van de leden met elkaar verweven raken. Het intact houden van de bron van die bestaansmiddelen houdt in dat er met andere mensen samengewerkt dien te worden om regels en ethische codes op te stellen en naleving daarvan af te dwingen. Bloeiende commons vormen, naar mijn overtuiging, een cruciaal onderdeel van de samenhorigheidspolitiek’ (p. 96). Hij gaat tamelijk diep in op mogelijke beheervormen van gemeenschappelijk bezit en suggereert om hun opbrengsten te gebruiken on een universeel basisinkomen te financieren.

Dit alles mag niet de indruk wekken dat Monbiot het bestaansrecht van de staat en van de markteconomie zou ontkennen. Wat de staat betreft schrijft hij: we hebben haar nodig om ons te beschermen tegen de macht van het geld en van de wapens. Maar momenteel heeft zij zich vereenzelvigd met de oligarchieën: de bescherming van de bevolking heeft moeten wijken voor de winst van de bedrijven en de miljonairs. Ter remediëring doet hij een aantal concrete voorstellen die gericht zijn op de Britse en Amerikaanse politieke systemen. Als voorbeeldland verwijst hij daarbij naar de referendum – democratie in Zwitserland: Zwitserse burgers hebben  opvallend meer vertrouwen in hun overheid dan in andere landen omdat zij er meer greep op hebben. Hij schrijft: ‘Het is een belachelijke gedachte dat welke regering dan ook goed zou kunnen inspelen op de behoeften van een moderne natie zonder aanhoudende feedback op haar beleid en daadwerkelijke (in plaats van impliciete) instemming daarmee door de bevolking. De gedachte dat een regering daar wél toe in staat is, blokkeert het potentieel voor echte democratie dat de huidige technologie ons biedt’ (p.147). De reëel bestaande markteconomie én de economische wetenschap wordt verweten dat zij de biosfeer behandelen als een externe factor en zich doodstaren op de heilige koe ‘groei’. Economische groei is afhankelijk van consumentisme dat parasiteert op grondstoffenverbruik en dus op aantasting van eco - systemen. Als efficiënte anti – stof prijst Monbiot Kate Raworths boek ‘Donuteconomie’ aan dat het onderwerp van de economie ‘reframet’ (frame = het gedachtenkader dat onze kijk op een kwestie bepaalt). Economie draait niet om groei maar ‘binnen de mogelijkheid van de planeet voorzien in de behoeften van iedereen’. We hebben geen nood aan groeiende economieën maar wel aan economieën die gedijen binnen de ecologisch veilige en sociaal rechtvaardige ruimte van de donut. Monbiot wijdt in dit verband uit over het belang van burgerbegroten: het grip krijgen op overheidsbegrotingen en dan vooral op het beschikbare investeringskapitaal. Als burgers macht krijgen over begrotingen zal hun betrokkenheid bij overheidsbestedingen toenemen en zal er ook meer nagedacht worden over de betekenis van ‘economie’ (een groeimachine of een welzijnsinstrument).

Een paar bedenkingen

Ik zou ‘Uit de puinhopen’ willen aanbevelen aan allen die geboeid zijn door de complexiteit, draagwijdte en mogelijkheden van de zich voltrekkende sociaal – ecologische transitie. Ik heb zelden een zo vlot geschreven boek gelezen waarin de meest uiteenlopende aspecten van de transitie (maatschappelijke en politieke decentralisatie, een participatieve staat, een groene economie met een belangrijke ‘commons’ – peiler, het basisinkomen, de burgerbegroting, een communicatieve en politieke strategie) op een kleine 200 bladzijden zeer bevattelijk behandeld worden.

George Monbiot is echter een Engelsman die zich op de eerste plaats richt tot een Brits en Amerikaans publiek en dat maakt dat bepaalde passages en hoofdstukken minder relevant zijn voor een continentaal publiek. Het meerderheidskiesstelsel in Groot Brittannië en de V.S. maakt dat het bestuur bijna uitsluitend de zaak is van de twee grootste partijen en dat er voor de groene partijen slechts een figurantenrol is weggelegd.  Hetzelfde kan gezegd worden van het laatste hoofdstuk (‘Zorgen dat het gebeurt’) dat volledig gewijd aan de electorale strategie (‘Big organizing’) van de campagnevoerders rond Bernie Sanders: zeker lezenswaardig maar,  veronderstel ik,  niet van toepassing ‘bij ons’. Ook de sociale kaalslag die het neo – liberalisme van Thatcher en The Third Way van Blair in de volkswijken van de grote Engelse steden hebben aangericht is nauwelijks vergelijkbaar met het beleid van ‘onze’ actieve welvaartsstaat.

Verder heb ik de indruk dat Monbiot niet echt op de hoogte is van gelijkaardige transitiebewegingen in het verleden of in het buitenland. In een korte passage (p.75) verwijst hij wel naar vormen van ‘socialistisch municipalisme’ in de eerste helft van vorige eeuw (in Wenen, Catalonië en de V.S.) en recenter naar de vluchtige protestbewegingen Occupy, Indignados en het Franse Nuit Debout maar veel meer dan dat ze zich inzetten voor het ‘herstel van de gemeenschap’ en ‘scholing’ van arbeiders wordt daarover niet gezegd. Ook over het recente Spaanse municipalisme of het Koerdische ‘Democratische Confederalisme’ geen woord. Ik vond in zijn boek geen enkele verwijzing naar het werk van Murray Bookchin wiens municipalistische theorie toch in het verlengde lag van een doorwrocht ecologisch wereldbeeld (‘sociale ecologie’). Bookchin zou zeker niet onder de indruk geweest zijn van de Monbiots zwierige aanpak vanuit de losse pols net zoals Monbiot niet hoog zal oplopen met Bookchins nadruk op rationaliteit en een wetenschappelijk gefundeerd ‘waar’ verhaal. Bookchin kon echter ongetwijfeld wel iets leren van Monbiots ongedwongen en ondogmatische aanpak terwijl Monbiots groene mozaïek beter uit de verf zou zijn gekomen met een wat meer coherente methodologie.

Nochtans doet Monbiots ‘groene utopie’ in laatste instantie zeer Bookchiaans aan. ‘Laten we ons voorstellen, ook al zijn we misschien niet in staat of bereid om daarnaar te handelen, dat de grote natiestaat aan haar einde is gekomen. Misschien kunnen we ons een systeem voorstellen waarin de primaire politieke eenheid de stad is, met het daarbij behorende achterland, of de subnationale regio. Deze autoriteit zou macht zoveel mogelijk delegeren aan haar districten en dorpen. Ze zou samenwerken met andere kantons om gemeenschappelijke problemen op te lossen en federale fora oprichten om bepaalde kwesties af te handelen, maar in andere opzichten onafhankelijk blijven. De federale fora zouden grotere kwesties delegeren aan mondiale organisaties met strak omschreven werkterreinen en bevoegdheden.

Op elk niveau, van dorp tot mondiaal forum, zou een rechtstreeks verkozen lichaam het primaat hebben over zowel niet – gekozen als indirect gekozen instituties. (…) Overal zou de soevereiniteit bij het volk berusten.

Met deze middelen kunnen we misschien een evenwicht vinden tussen mondiaal universalisme en lokale samenhorigheid. Zonder inbreuk te maken op onze fundamentele rechten zouden we weer greep krijgen op systemen die beweren ons te vertegenwoordigen. Zo ziet democratie eruit’ (p. 160 – 161). 

Roger Jacobs is filosoof en leerkracht basiseducatie, publicist en medeauteur van o.m. Het pomphuis van de 21ste eeuw (2000) en Terra incognita. Globalisering, ecologie en duurzame rechtvaardigheid (2006).

Published in Boek

Nu de economische groei stilaan weer op gang komt horen we hoera-berichten van zowel politici als economen. En journalisten gaan daar veelal in mee. Het lijkt alsof er voor groei geen alternatieven mogelijk zijn. Daartegenover staat een groeiende degrowth-beweging van sociale activisten en academici, die eind vorig jaar haar vijfde internationale conferentie hield. Het boek Degrowth, een verzameling korte essays door academici van over de hele wereld, ondersteunt die beweging met een vocabularium dat de contouren van een (mogelijk) nieuw tijdperk probeert te schetsen.

Het boek verscheen in vertaling als Ontgroei, een neologisme bedoeld om een fundamentele verandering in het economisch denken aan te geven, weg van het groei-denken, en dus niet zomaar een synoniem voor 'negatieve groei'. Het komt er op aan de focus op bbp-groei te verleggen naar het realiseren van maatschappelijke doelstellingen: het tegemoet komen aan de behoeften van allen binnen de mogelijkheden die de planeet ons geeft. Dat impliceert sowieso een vermindering van het gebruik van materiële hulpbronnen, maar niet noodzakelijk van de creatie van waarde - althans wanneer de gangbare monetaire termen daarvoor losgelaten worden. Over groei kunnen we volgens Kate Raworth daarom best 'agnostisch' zijn. En daar zijn we nog lang niet, zoals we ook zien bij de recente duurzame ontwikkelingsdoelstellingen van de VN die de bevordering van 'aanhoudende, inclusieve en duurzame economische groei' nog als een doelstelling formuleren (doelstelling 8).

Die focus op groei lijkt als een gouden kalf waar omheen gedanst wordt, waarbij twee grote kampen tegenover elkaar staan. Om de economie op gang te trekken pleiten sommigen voor overheidsinvesteringen, terwijl anderen besparingen op overheidsuitgaven voorstaan om ruimte te maken voor meer privé-investeringen. We herkennen daarin het moderne dispuut over de beste plaats om maatschappelijke waarde te scheppen, de staat of de markt. Beide posities houden elkaar echter gevangen in een conflict zonder uitweg. Het zijn twee zijden van dezelfde medaille, want over de grond van de zaak, de noodzaak om economische groei te realiseren, wordt niet getwijfeld.

De degrowth-beweging wijst er echter op dat groei een heel paradoxaal gegeven is, ook wanneer zij bedoeld is om problemen op te lossen. Zo blijft ondanks investeringen in milieutechnologie de globale ecologische voetafdruk toenemen zonder dat een absolute ontkoppeling tussen economische groei en grondstoffenverbruik in zicht is. Bovendien wordt groei gerealiseerd ten koste van meer gelijkheid, onder meer via allerlei vormen van ongelijke ruil, alsook ten koste van al wat met zorg en met gemeenschapszin te maken heeft. Die beantwoorden immers niet aan de logica van het nastreven van (persoonlijk) profijt. Omdat de groei bovendien aangehouden moet worden, palmt de markt voortdurend nieuwe domeinen van het menselijk leven in en creëert daarbij een onverzadigbare levenswijze. Zo blijft uiteindelijk ook de belofte op geluk ijdel. Samengevat, het realiseren van een menselijker wereld via groei lijkt eerder een Tantaluskwelling.

Kapitalisme is geen natuurwet

Het kapitalisme met zijn groeidynamiek is echter geen natuurwet, maar een historisch gegeven, een maatschappelijke constructie die ontstaan is als reactie op specifieke omstandigheden in het laatmiddeleeuwse Europa. We kunnen hier niet ingaan op die historische oorsprong, maar houden het bij de vaststelling dat de angst om te kort te komen het overwinnen van schaarste tot een dominant cultureel leidmotief maakte. Dat legitimeerde de accumulatie van kapitaal en gaf zo vorm gaf aan een nieuwe economische orde, door Hans Achterhuis "het rijk van de schaarste" genoemd. Het is een orde die vraagt dat we spaarzaam zijn om te kunnen investeren in de toekomst, dat we daartoe immer ijverig zijn en bijvoorbeeld later op pensioen gaan. Maar anderzijds vraagt die ook om te consumeren wanneer we vrij zijn, te spenderen om de groeimachine aan de praat te houden. En daaruit zouden we dan de zin van ons leven moeten putten. Geen wonder dat mensen ziek worden van stress.

Er lijkt dus iets fundamenteel mis met het gangbare begrip van economie. En het argument dat er toch groei nodig is voor 'ontwikkeling' ten bate van mensen die nog niet aan de bevrediging van hun basisbehoeften toekomen, is daarom een valkuil. De idee dat er eerst groei moet zijn, schuift die bevrediging immers voortdurend vooruit naar de toekomst, terwijl er vandaag nieuwe ongelijkheden gecreëerd worden. Ontgroei formuleert een alternatief dat direct (her)verdelend werkt, daarbij het leefmilieu spaart en ruimte laat voor zingevende activiteiten.

Vraag om matiging

Voorbij het louter economische denken, mikt Ontgroei daarom op een nieuw cultureel paradigma met overvloed in plaats van schaarste als uitgangspunt. Vanuit een ecologisch standpunt lijkt dat wellicht paradoxaal, omdat de dreiging van een mogelijke catastrofe wanneer de ecologische voetafdruk niet kleiner wordt, eerder om matiging vraagt. Dergelijk denken blijft echter binnen het schaarstekader wanneer overvloed onmiddellijk begrepen wordt als consumptie van marktgoederen. Een sleutel om uit de verwarring te geraken is te zien dat de moderniteit zijn schaarsteprobleem probeerde op te lossen via een proces van individualisering. Elk individu moet voor zichzelf proberen zijn behoeften te voldoen. En omwille van de vooropgezette schaarste creëert dat een competitie met winnaars en verliezers. Net in die competitie toont schaarste zich als een sociaal geconstrueerd fenomeen, met groei als een remedie om reële schaarste en daarmee uit de hand lopende maatschappelijke conflicten te voorkomen . Maar zoals gezegd, is het paradoxale effect het produceren van problemen die we als reële schaarste kunnen begrijpen.

Ontgroeien is een manier om het over een wezenlijk andere boeg te gooien. "Het rijk van betekenis begint, waar het rijk van de noodzaak eindigt", zo stellen de redacteurs van Ontgroei. Het komt er op aan grenzen te stellen aan het opslokken van steeds meer levensdomeinen door het rijk van de schaarste, en de zoektocht naar zin uit de paradox van de groei te halen. 'In je eentje betekenis vinden is een illusie die leidt tot ecologisch schadelijke en sociaal onrechtvaardige uitkomsten, omdat ze niet voor iedereen kunnen worden volgehouden.' Uit dat inzicht volgt een dubbele perspectiefverschuiving. Die is allereerst cultureel, maar legt wel de basis voor een andere economische oriëntatie.

Maatschappelijk overschot

In de plaats van een heilloze consumptiemaatschappij, die eigenlijk neerkomt op een veralgemening en privatisering van luxe, komt de erkenning dat het leven van het individu noodzakelijk door soberheid gekenmerkt zal worden. Maar wanneer mensen met elkaar delen en samenwerken in plaats van elkaar te beconcurreren, dan kan aan ieders behoeften voldaan worden. Bovendien zal daarmee onze energie, onze werkkracht als samenleving, niet opgebruikt zijn. Iedere samenleving moet daarom beslissen wat ze met haar overschot doet. Zo bouwden de middeleeuwers hun kathedralen. En heel wat culturen kennen vormen van collectieve verspilling onder de vorm van grote feestelijkheden. Het gaat om vormen van collectieve zingeving binnen de publieke sfeer. Vandaag gaat het maatschappelijk overschot echter op in geprivatiseerde verspilling en daaraan gekoppelde accumulatie van kapitaal.

Het dubbele voorstel van Ontgroei is soberheid in de private sfeer en zingevende verspilling - 'dépense' genoemd - in de publieke sfeer (bijv. cultuur, kunst, feesten...). Die verspilling van het maatschappelijk overschot is een bewuste rem op voortdurende investeringen in functie van een steeds verdergaande accumulatie van kapitaal. Wat zo gewonnen wordt is een publieke ruimte die individuen en hun gemeenschappen in staat stelt om een bloeiend leven te leiden. In allerlei nieuwe burgerinitiatieven ervaren mensen vandaag al wat dat betekent.

Deze tekst verscheen op 16 augustus 2017 als Oikos-bijdrage voor Knack.

Published in Opinie
maandag, 21 november 2011 12:09

Grenzen aan de groei, 40 jaar later

Deze week is Dennis Meadows, auteur van het befaamde rapport Limits to Growth uit 1972, te gast in België. Een unieke gelegenheid om, veertig jaar later, na te gaan wat de relevantie is van dit zogenaamde rapport aan de Club van Rome.

 

 

Published in Schrijversgemeenschap

Doneer

Wil je Oikos steunen als onafhankelijk platform? Dan kan door een bijdrage – groot of klein - te storten op BE29 0015 9877 0164 (BIC: GEBA BE BB) van Oikos vzw.

Over Oikos

Oikos wil een toonaangevend forum zijn voor de sociaal-ecologische tegenstroom. Oikos vertrekt vanuit de analyse dat het gangbare economische model ecologisch niet duurzaam is, en dat de emancipatie van velen in onze samenleving en de wereld nog lang niet voltooid is. Oikos behandelt alle dimensies van dit streven naar verandering: de onderliggende ethiek, de analyse van de bestaande toestand, de ontwikkeling van alternatieven en de politieke strategie.

Gratis proefnummer

Wil je graag een gratis proefnummer ontvangen van Oikos? Dat kan! Vul op deze pagina jouw gegevens in en wij sturen jou het laatste Oikos nummer als gratis proefnummer op.