logo

zaterdag, 16 februari 2013 15:41

De hongerige Stad Deel I

Written by
Rate this item
(1 Vote)

Er zijn zo van die boeken die je zou willen kunnen opeten omdat ze zoveel voedsel voor de geest schenken. En een ervan heeft zijn titel niet gestolen: De Hongerige Stad van de Britse Carolyn Steel. Vijf jaar na verschijning heeft dit boek nog niets van zijn actualiteitswaarde verloren, die paradoxaal genoeg verkregen wordt door de veelheid aan historische inzichten over de relatie tussen steden en voedsel. Nu Carolyn Steel volgende week dinsdag terug in ons land is voor een lezing, leggen we graag nog enkele inzichten uit het boek op de keukentafel. En dat doen we in twee delen, vandaag krijgt u de brunch, na het weekend het diner.

Het boek samenvatten is alleszins onbegonnen werk. Hiervoor kunnen we enkel de laatste zin van de inleiding van het boek citeren: “Ik hoop vurig dat u na het lezen van dit boek ook anders tegen de dingen aankijkt – dat het u duidelijk maakt wat een enorme invloed voedsel heeft op ieders leven en dat het u de kracht en motivatie geeft om u bewuster met voedsel bezig te houden en zodoende onze gezamenlijke toekomst te beïnvloeden.”

 

1.Van landbouw tot agro-industrie

 

Hoe de geschiedenis van de verhouding tussen landbouw en steden begint, is eenvoudig: voordat er sprake was van landbouw, waren er gewoonweg geen steden. En naarmate de steden groeiden, was er de voortdurende uitdaging om de groeiende groep stedelingen te voeden. En die uitdijende steden voeden, gebeurde door een opeenvolging van technologische en beheersmatige innovaties. Zo leerden de Engelsen in de 17de eeuw van de Nederlanders het verbouwen van veevoer, zodat het vee niet langer elke herfst geslacht moest worden. Daarna volgt de industriële landbouw waarbij vanaf het midden van de 19de eeuw landbouwmachines alles radicaal zouden veranderen. Eerst door paarden getrokken, later door stoom aangedreven machines, maakten de landbouw minder arbeidsintensief. En kunstmest als bijproduct van de staalindustrie verdubbelde de opbrengst van de akkers. Dit is de kern van industrialisering: het verhogen van de productiviteit; voedsel werd in grotere hoeveelheden geproduceerd dan ooit tevoren, en door minder mensen.

Daarna werd de industriële voedselproductie mondiaal door de uitvinding van de spoorwegen. Dit maakte het mogelijk om met voedsel, zowel graan als vlees, op grootschalige wijze geproduceerd in heel de Verenigde Staten, Europa te overspoelen.

Voor het eerst kenden steden een betrouwbare, goedkope bron van voedsel. En was de mondiale voedselindustrie en feit: met het goedkope graan geïmporteerd uit de VS bouwden Nederland en Denemarken grote veeteeltbedrijven uit waar varkens en kippen intensief konden worden gehouden, waarna de producten als bacon de eieren werden uitgevoerd naar Groot-Brittannië  (tot op de dag vandaag trouwens). Met het goedkope voedsel betaalden de stedelingen echter ook een prijs: de industrialisering onttrok de landbouw aan de natuur en sloeg een onoverbrugbare kloof tussen voeders en gevoeden.

De westerse wereld leerde doorheen de decennia de gevolgen van industriële landbouw kennen, die geen rekening houdt met de natuur. Zo veranderden in de jaren 30 van de vorige eeuw de Great Plains, decennialang grote graanschuren, in acht jaar tijd in een woestijn. Deze ‘Dust Bowl’ maakte duidelijk dat overgebruik van grond kan leiden tot onherstelbare schade op grote schaal.

Ondertussen is voedselproductie de speelbal geworden van een  geglobaliseerde markt met alle gevolgen van dien: de planeet gaat ten onder aan de stedelijke vraag naar goedkoop voedsel. Het regenwoud van de Amazone gaat in rook op om ruimte te maken voor soja en runderen en de wouden van Borneo moeten eraan geloven voor de aanleg van palmolieplantages. En ondanks al die vernielingen zijn we niet in staat om de wereld te voeden. Dat slaat nergens op, maar zoals Steel gevat opmerkt, geldt dat voor bijna alles in de moderne voedselindustrie. En dat geldt ook voor haar oliehonger: voor elke calorie aan voedsel die er wordt geproduceerd, worden ongeveer tien calorieën opgebrand in de vorm van fossiele brandstoffen. En wat Steel schrijft over voedsel, geldt ook voor het klimaat: in plaats van ons af te vragen hoe we onszelf in de toekomst eten gaan geven, zouden we de manier waarop we nu eten ter discussie moeten stellen.

 

Steden verbruiken nu al naar schatting 75 procent van alle voedsel en energie en dat zal bij ongewijzigd beleid alleen maar toenemen (tot het mis loopt). Deel van het probleem is wat stedelingen graag eten: vlees. De meeste dieren die we opeten worden gevoed met granen in plaats van gras en een derde van de wereldvoorraad graan is voor dieren bestemd en niet voor mensen. Tot op heden konden steden hun voorwaarden stellen bij het opeisen van hulpbronnen en het consumeren daarvan naar goeddunken. Hierin zal duidelijk verandering moeten komen. Dit is ook de grote kracht van De Hongerige Stad: het toont dat het niet langer houdbaar is steden op te vatten als geïsoleerde eenheden, maar dat we ze moeten beschouwen als organische systemen die door hun behoeften met de natuurlijke wereld zijn verbonden.

 

2.Voedsel is politiek, en omgekeerd

 

Wie vandaag een supermarkt binnenwandelt, wordt overweldigd door het schijnbaar grote aanbod. Maar schijn bedriegt. Want kijk bijvoorbeeld naar de appelen. Wat er ligt heeft niets te maken met onze smaakvoorkeur, maar met variëteiten die geschikt zijn in een mondiaal voedselsysteem waar efficiëntie en schaalvergroting het belangrijkste zijn. Om te passen in dit systeem, moet het voedsel niet alleen groter en steviger zijn dan ooit, het moet ook bestand zijn tegen de hardheid van een mondiaal distributiesysteem dat tot doel heeft steeds minder producten te leveren aan steeds meer mensen. Je kan dan wel aardbeien eten in de winter, maar ondertussen kan je in de zomer fluiten naar de heerlijke variëteiten uit de eigen terroir. De appelsoort Golden Delicious is verre van de lekkerste appel, maar omdat ze vroeg geplukt kunnen worden, makkelijk op te slaan zijn en goed tegen transport kunnen, eten we ze gedachteloos het hele jaar door.

Van de duizenden landrassen (lokale variëteiten) die elk land bezit (Steel spreekt over 2300 in Groot-Brittannië, ik bewonderde er eens honderden Belgische op een lokale expositie in Alden Biezen) vind je geen enkele in de eigen winkelrekken!

 

De democratische vraag – wie bepaalt de keuzemogelijkheden- is helaas snel beantwoord: de multinationals die de voedselketen in handen hebben, van het gen tot het schap in de supermarkt. Wat tot de 18de eeuw nog verboden was in Parijs – verticale integratie, d.w.z. dat bv. een molenaar geen brood mocht bakken en een bakker geen graan mocht malen- om de voedselvoorziening veilig te stellen, is nu de realiteit. De voedselconcerns zijn dan ook supermachines waartegen kleine producenten en kruideniers moeilijk kunnen optornen. Ze zijn er in geslaagd een ‘permanente mondiale zomertijd’ te realiseren op voedselgebied. En dat is een technologische prestatie van formaat omdat voedsel uiteraard bederft en kwetsbaar is in transport. Maar daar betalen we wel een prijs voor: ondanks de aandacht voor klimaatwijziging was bijvoorbeeld in Groot-Brittannië het voedseltransport in 2002 goed voor 30 miljard voedselkilometers en dat is tien keer meer dan tien jaar eerder! De kwetsbaarheid van dit grensoverschrijdend systeem kwam mei 2011 jaar in Europa aan de oppervlakte toen Spaanse komkommers besmet bleken met bacteriën.[i]

Uiteraard werd voedsel ook vroeger al over verre afstanden getransporteerd, daar geeft Steel trouwens straffe voorbeelden van. Het Rome uit het begin van onze jaartelling was misschien wel de uitvinder van landroof, anders was het onmogelijk om een miljoen mensen te voeden via een uitgekiend zeevaartsysteem.

 

Het belang van bevoorrading over water toont zich ook in het verschil in omgang met voedsel tussen Londen en Parijs. Londen ligt vlak aan de zee en heeft zich nooit moeten bekommeren om in de eigen omgeving voldoende voedsel te moeten produceren. Daar zorgden de kooplieden wel voor. Parijs daarentegen ligt te ver van de zee en was dus aangewezen op productie in gebieden rond de stad, wat dan ook strikt georganiseerd en gereguleerd werd. Er is niet  noodzakelijk een causaal verband, maar je ziet hier toch een relatie tussen de geografische ligging en de wijze van staatsinrichting (meer marktgericht vs. centraal staatsgestuurd).  Terwijl Londen in de 18de eeuw over voldoende voedsel beschikte en grof geld verdiende met de handel in suiker, kreeg de Franse hoofdstad steeds meer problemen met voedselvoorziening . Het is dan ook geen toeval dat Adam Smith, voorstander van vrijhandel, een Brit was…

De problematiek van de bevoorrading van de steden kwam tot een einde met de aanleg van de spoorwegen. Steden konden nu zowat overal gebouwd worden!

 

Maar ondertussen zijn de wetten waarover Smith het had, vrije concurrentie, niet langer van toepassing. Heel de 20ste eeuw hebben er fusies tussen voedselbedrijven g plaatsgevonden.  Vandaag de dag hebben niet meer dan 30 bedrijven 30% van de wereldwijde voedselhandel in handen. Een concern als Nestlé verkocht in 2005 voor 61 miljard dollar aan voedsel. Het voeden van steden is dus big business geworden en de macht van voedselconcerns en grootwarenhuisketens is dan ook desastreus voor de boeren, die wereldwijd tegen elkaar worden uitgespeeld en nergens nog een eerlijke prijs voor hun producten krijgen. En als ondertussen niet meer dan vijf bedrijven 90% van de wereldhandel in graan controleren, dan is democratische sturing een illusie. Niet dat nationale overheden geen macht hebben, integendeel. Maar zoals Steel stelt, kiezen de meeste ervoor hun macht niet te gebruiken!

Voedsel is macht die nu in handen is van de voedselindustrie die een wereldwijd doorgedraaid voedselsysteem heeft uitgebouwd dat niets met voedselveiligheid te maken heeft.  Want terwijl er in ontwikkelingslanden dagelijks mensen honger lijden, zijn wij ondertussen volledig afhankelijk geworden van deze moderne voedseldistributiesystemen.  Ze voorzien ons, stedelingen, van voedsel, zolang we ervoor betalen natuurlijk. Steel eindigt deze analyse met een verontrustende boodschap: de moderne voedselindustrie heeft de voedselvoorziening eindeloos ingewikkeld gemaakt, we zijn net zo afhankelijk van onze brandstofopslorpende, gekoelde just-in-time voedselleveringen als de oude Romeinen van buitenlandse veroveringen, scheepvaart en slaven. Rome heeft de antieke voedselsystemen opgerekt tot het breekpunt, hetzelfde geldt voor de manier waarop wij nu leven. Maar we leven in de veronderstelling dat dit helemaal niet belangrijk is.

 

3.Koken is kiezen

 

Het is je waarschijnlijk ook al opgevallen: het stijgend aantal kant-en-klaarmaaltijden in de supermarktrekken. En dat verbinden we meestal met maatschappelijke tendensen als individualisering en de haastige maatschappij. We staan te weinig stil bij de vraag hoe die maaltijden tot stand komen, en welke gevolgen dit heeft.

Deze maaltijden worden bereid in grootschalige voedselfabrieken die makkelijk een half miljoen ‘eenheden’ per week produceren! En ze oefenen dezelfde nefaste druk uit op boeren als de supermarktketens: steeds meer produceren aan een lagere prijs, en dan nog voldoen aan vraagschommelingen (als het regent stijgt de vraag naar een snelle hap…). Zo verstoren ze de hele voedselketen.

 

Voor Steel ligt het probleem bij kant-en-klaarmaaltijden in waarvan ze ons weerhouden, namelijk zelf koken. En zo wordt het ons moeilijk gemaakt om invloed uit te oefenen op hoe ons eten wordt geproduceerd: we hebben geen kennis van (de kwaliteit van) de ingrediënten. Het is een paradox: de meerwaarde van deze maaltijden zit in wat we zelf zouden kunnen doen (koken), maar precies voor het onderdeel dat we over algemeen niet zelf kunnen voorzien (verse ingrediënten), lijken we slechts met tegenzin te willen betalen. Koken is van wezenlijk belang in onze verstedelijkte samenleving: het is voor de meeste mensen de enige kans om nog iets van controle uit te oefenen over wat ze eten, om te beseffen wat dat allemaal inhoudt. Of zoals de auteur het stelt: koken is het spilpunt in de voedselketen: het punt waarvan je zou kunnen zeggen dat het invloed heeft op alle andere onderdelen van het leven.

 

Tegenover het groeiende succes van kant-en-klaarmaaltijden staat de groeiende groep mensen die koken cool vindt, middenklassers die beseffen dat koken even belangrijk als plezierig is. Steel vindt dat een positieve zaak, de kwestie is nu dit besef verdere verbreiding te geven. En daar zien we ook in eigen land positieve evoluties. Naast de commerciële kookboeken verbonden met televisieprogramma’s (waarbij wel de vraag rijst wat er gepromoot wordt: de recepten of de kok) zien we nu ook boeken die juist doen wat Steel zo belangrijk vindt: de hele voedselketen in beeld brengen en daar kritische vragen bij stellen. Zo is er het boek Goed Eten van Dorien Knockaert. [trouwens het eerste ‘kookboek’ dat geselecteerd is voor een voorstelling op de culterele manifestatie Het Groene Boek[ii]

 

Wie ondertussen zucht dat koken wel leuk is maar er geen tijd voor vindt, zal op weinig begrip kunnen rekening van Steel. Supermarkten prijzen ons kant-en-klaarmaaltijden aan omdat we geen tijd zouden hebben. En dat is volgens Steel onzin: we hebben nog nooit zoveel vrije tijd gehad als tegenwoordig, maar we besteden die gewoon liever aan iets anders!

  

Carolyn Steel geeft dinsdag 19 februari ’13 om 20u een lezing in Kunstencentrum STUK, Leuven, op initiatief van Voedselteams vzw, STUK, Oikos, Netwerk Duurzaam Leuven, Vredeseilanden, Velt en Masereelfonds Leuven



[i] Zie voor een kritische beschouwing hierover http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=5N3B3B9J

[ii] De derde editie van Het Groene Boek vindt plaats op zondag 28 april 2013 in het Brusselse Kaaitheater. Het programma is in opmaak, je vindt alvast enkele namen op www.hetgroeneboek.be

Read 9106 times Last modified on zaterdag, 03 augustus 2013 10:32
Dirk Holemans

Dirk Holemans: coördinator van denktank Oikos / hoofdredacteur

van gelijknamige tijdschrift / publicist

Doneer

Wil je Oikos steunen als onafhankelijk platform? Dan kan door een bijdrage – groot of klein - te storten op BE29 0015 9877 0164 (BIC: GEBA BE BB) van Oikos vzw.

Over Oikos

Oikos wil een toonaangevend forum zijn voor de sociaal-ecologische tegenstroom. Oikos vertrekt vanuit de analyse dat het gangbare economische model ecologisch niet duurzaam is, en dat de emancipatie van velen in onze samenleving en de wereld nog lang niet voltooid is. Oikos behandelt alle dimensies van dit streven naar verandering: de onderliggende ethiek, de analyse van de bestaande toestand, de ontwikkeling van alternatieven en de politieke strategie.

Gratis proefnummer

Wil je graag een gratis proefnummer ontvangen van Oikos? Dat kan! Vul op deze pagina jouw gegevens in en wij sturen jou het laatste Oikos nummer als gratis proefnummer op.