logo

%PM, %18 %639 %2014 %14:%dec

Nieuwe publieke ruimtes voor burgerengagement

Written by
Rate this item
(3 votes)

 

Keynote lezing uitgesproken op het Feest 10 jaar Vormingplus Gent - 11 december 2014

 

 

Beste mensen,

Ik wil de mensen van Vormingplus Gent bedanken voor de uitnodiging om hier te mogen spreken. Een werking van 10 jaar is heel wat, en het is ook het ideale moment om vooruit te blikken, wat de uitdagingen voor de toekomst zijn. En dat zal ook het dragend concept voor mijn lezing zijn: de toekomst.

Om het over de toekomst te hebben, is het goed even achteruit te kijken. Op tien jaar tijd is onze samenleving sterk veranderd. En die terugblik wordt nog interessanter als we die plaatsen in een historische evolutie sinds de jaren 70, toen een nieuwe beweging van volkshogescholen ontstond in lijn met de maatschappijkritische oriëntatie van de progressieve bewegingen. Vanuit dat startpunt kunnen we een evolutie schetsen in drie fasen.
De eerste fase '68-'86 is uiteraard de net vermelde periode van na mei ’68, waar tal van burgerinitiatieven ontstaan, van milieubeweging tot vredesbeweging en dus ook nieuwe volkshogescholen. Het was een sterk gepolitiseerde tijd, niet in de zin van partijpolitiek, maar op vlak van wat de filosofe Hannah Arendt omschrijft als het politieke: het richting geven aan de samenleving. En de slogan uit die tijd luidde niet toevallig: wees realistisch, vraag het onmogelijke. En het politieke is niet iets speciaals, integendeel. Het ontstaat van zodra twee mensen aan de keukentafel praten over bijvoorbeeld de verkeersonveiligheid in hun wijk en wat ze er aan kunnen doen. Op dat moment ontstaat er een gemeenschappelijke inter-esse, een woord dat verwijst naar de ruimte die tot stand komt als mensen samen handelen en spreken. Deze ruimte tussen de burgers wordt zo een gemeenschappelijke wereld. Die jaren zeventig en tachtig hebben ons heel wat opgebracht, aan nieuwe sociale bewegingen, aan milieubeleid, aan nieuwe welzijnspraktijken. Het bracht de hoop van een sterkere civiele samenleving die vrije ruimte opeist, en strijdt tegen autoritaire structuren.

Maar met de Val van de Berlijnse Muur, die een kwart eeuw geleden de intrede van de tweede fase '86-'08 inluidt, kreeg ‘het politieke’ een stevige knauw. Het neoliberale beleid, in gang gezet door Thatcher en Reagan, kon zich nu presenteren als het alternatief. Er was weinig inhoudelijk weerwerk vanuit de linkerzijde, dat integendeel, haar heil zocht in het promoten van marktwerking in de publieke en civiele sector. De maatschappelijke betrokkenheid van mei ’68 verdwijnt niet echt, maar krijgt het gezelschap van een steeds aan belang winnende rol van van consumptie. Dit werd duidelijk toen Paul Jambers in 1986 alle kijkcijferrecords verpulverde met zijn spraakmakende tv-reportage over jongeren en merkkledij. De Vlaamse tienersnob was geboren, de gewatteerde Millet-vest werd het icoon van een generatie. Van dan af bestaat een ‘jas’ bestond niet meer, net als ‘een telefoon’. We dragen en gebruiken nu merken, ook als dragers van betekenis, ze bepalen mee onze identiteit. Na mei ’68 vulde de civiele samenleving de vrijgekomen maatschappelijke ruimte in, in deze tweede fase doet het bedrijfsleven dat, de big corporations op kop.
Het voorbeeld van de Millet-vest, dat we naadloos kunnen doortrekken tot de iPhone vandaag, toont hoe de identiteit van mensen evolueert. Het gekende concept van emancipatie, dat vorm krijgt in het ideaal van de autonome persoon met een samenhangende identiteit, krijgt nu het gezelschap van de verbrokkelde identiteit. De Brit Tim Jackson stelt helder dat onze identiteit vorm krijgt in voortdurende interactie met consumptiegoederen: ook zij communiceren, zoals de Millet-vest en in feite elk merklogo dat we zien. In de versnellende samenleving ontstaat zo een gefragmenteerde identiteit, die ook nog moet voldoen aan de eisen van de verhardende arbeidsmarkt, meer gericht is op het heden, en consumptie ziet als belangrijke vorm van expressie. Dit alles doet Jackson besluiten: “Mensen worden aangemoedigd om, met geld dat ze niet hebben, dingen te kopen die ze niet nodig hebben, om een niet blijvende indruk te maken op mensen om wie ze niets geven.”

Vanuit deze nieuwe identiteit gaan burgers zich ook meer gedragen als klanten die bediend willen worden. Overheden gaan hier met de beste bedoelingen in mee, maar tegelijk wordt een kil efficiëntie-denken geïntroduceerd. Ik denk dat ook vormingsinstellingen deze evolutie in samenleving en identiteitsbeleving hebben gevoeld; het verhaal van dienstverlening, de klant die bediend wil worden op zijn of haar wenken. Het is ook de tijd dat de individualisering hoge topen scoort zonder dat er iemand kritiek durft op uiten. Want mocht je dat riskeren, was je ofwel cultuurpessimist of conservatief. Of misschien wel allebei. In feite werd in deze fase voortdurend verteld dat er maar twee zaken belangrijk zijn in ons leven: jezelf en je koopkracht. Er is dus maar één boodschap: hard studeren voor een diploma, en dan hard werken om veel geld te verdienen. En als je iets nodig hebt, koop het dan gewoon, inclusief welbevinden in de welness. Want, zoals de reclame ons in het oor fluistert: ‘je bent het waard’.

Wat we in die tijd uit het oog verloren, was natuurlijk de toekomst. Er verschenen wel rapporten over hoe slecht het met de aarde ging, over de stijgende ongelijkheid, maar het kreeg moeilijk gehoor in een samenleving die dacht dat het party-time was. De milieueconoom Aviel Verbruggen omschrijft deze periode als het grote energie-orgie: hadden we toen massief geïnvesteerd in energiebesparing en hernieuwbare energiebronnen, stonden we vandaag een heel stuk dichter bij een duurzame samenleving.
Ook de slogans uit die tijd zijn minder radicaal: de meest hoopgevende beweging uit die tijd, de andersglobaliseringsbeweging, was tevreden met Een andere toekomst is mogelijk. Het feit dat we dit moeten uitspreken, toont eigenlijk hoe gedepolitiseerd die tijd was. Want in feite zouden we elke dag aan een andere toekomst moeten werken. Maar die autonomie, die gaven we in de tweede fase langzaam maar zeker op voor meer de zogenaamde vrijheid tot consumeren.

Met de grootste financieel-economische crisis sinds honderd jaar zijn we echter in 2008 onzacht in de derde fase beland. De idee dat de euro kon verdwijnen, inclusief je hard verdiende spaarcentjes, maakte voor veel mensen duidelijk dat het verhaal van de tweede fase niet klopt. En ook de klimaatcrisis toont hoe grote olieconcerns de leefbaarheid op het spel zetten voor die ene dollar extra. In deze derde fase staan de zaken op scherp, en ik omschrijf ze met de term van tweestromenland.

De dominante stroom in dit tweestromenland is het neoliberale dogma. Dertig jaar neoliberaal beleid hebben geleid tot een mondiale race to the bottom. De rode draad is dat de markt een grotere rol krijgt ten nadele van de overheid, en geknipt wordt in de sociale rechten. En terwijl de overheid de financiële elites ongemoeid laat, stijgt de disciplinering van sociaal zwakkere groepen. In Europa maken we na de eeuw waar gelijkheid de kern van het maatschappelijk project vormde, nu de crisis mee van de ongelijkheid.
Dit is de dominante stroom in Europa, met regeringen en de Europese Commissie gevangen in een beleid dat de prioriteit geeft aan een neoliberaal beleid, ten koste van het sociaal beleid, terwijl het milieu al helemaal op de derde plaats komt, hoewel de klimaatklok tikt. Het is de stroom van de toekomstvergeters. En gelukkig oogst deze afbouw van de welvaartsstaat veel protest. Denkers als Piketty klagen de toenemende ongelijkheid aan, vakbonden en andere middenveldorganisaties mobiliseren meer dan honderdduizend mensen voor een protestbetoging. En in de Verenigde Staten trekt de grootste klimaatbetoging aller tijden, met 400.000 mensen, door de straten van New York.

Ondertussen zijn meer en meer mensen het kotsbeu om louter als consument de zaken te moeten ondergaan. Zij steken zelf de handen uit de mouwen en beginnen met een samenmoestuin, organiseren een repair café, doen mee aan een autodeelproject, enzovoort. Enkel in Gent zijn er al meer dan honderd van dergelijke transitie-initiatieven bezig, en het groeit elke dag. Dat zijn de hoopvolle tekenen dat er terug een tegenstroom ontstaat die werkt aan het andere perspectief: toekomstvaardigheid. En het is logisch dat nieuwe initiatieven zich ontwikkelen als hoopvolle eilanden, en interessante ideeën ontspruiten zonder dat er zicht is op een groot samenhangend geheel. De tegenstroom bestaat op dit ogenblik vooral uit vele beekjes en riviertjes zonder veel samenhang. Dat is niet erg als we het opvatten als een nieuw begin dat zich verder moet ontwikkelen. Zoals Harald Welzer stelt in de Oikos-publicatie Zelf denken, gaat het hier om ‘de sociale beweging die nog niet weet dat ze bestaat’.

Nu kan men natuurlijk erg kritisch kijken naar de kleine initiatieven uit de tegenstroom. Maar zo onderschatten we hun potentieel. We mogen bijvoorbeeld niet vergeten dat ook de personal computer, en iedereen heeft er wel een tegenwoordig, ontstaan is uit het geknutsel van enkele mensen in hun garage. We moeten met dezelfde hoopvolle bril kijken naar deze nieuwe vormen van innovatie, waarbij de nadruk ligt op sociale innovatie. Het feit dat mensen uit hun bestaande routine stappen - bijvoorbeeld kapotte apparaten niet gemakzuchtig weggooien maar laten herstellen in een repair café - verhoogt ook de kans dat ze op andere terreinen oude routines loslaten. Bovendien zorgen de nieuwe collectieve praktijken zoals autodelen voor een nieuwe evolutie in onze identiteit. Het belang van statusgoederen vermindert, consumptie gaat ons leven minder domineren. En bovenal, deze nieuwe collectieve praktijken tonen, na decennia van voortschrijdende individualisering, dat dingen samen doen niet alleen zin en betekenis geeft, maar ook gewoon plezant is.

Bij deze positieve analyse hoort ook een opdracht. Willen we herpolitiseren, de toekomst samen vormgeven, dan is het niet voldoende ergens voor te zijn. Je moet tegelijk ook tegen de niet-duurzame mainstream ingaan. Een zonnepaneel op je dak heeft weinig zin als er nieuwe steenkoolcentrales worden gebouwd.
Herpolitiseren in de huidige derde fase staat dan in contrast met de tweede, gedepolitiseerde fase. En gedepolitiseerd staat voor: een samenleving zonder het politieke, waar er geen ruimte meer is om een andere en betere samenleving te denken, dromen en te realiseren. En dan blijft alleen het beheer van het bestaande systeem over.
Maar omdat de scheuren in het systeem elke dag groter worden, kunnen we ons deze houding niet meer veroorloven. We moeten dus een andere invulling van participatie ontwikkelen én opeisen. Ons eraan herinneren dat democratie het georganiseerde meningsverschil is. Dat we de verschillen in de samenleving uitspreken en confronteren. Juist daar begint terug het avontuur van autonomie: ons inlaten in publieke debatten en maatschappelijke processen en samen echt spreken en handelen. Zo krijgen we een hernieuwde publieke ruimte waar we nieuwe perspectieven leren kennen, terug leren samen denken en werken. Zo komen we uit ons cocon van consumerend individu, en worden we uitgedaagd ons echt te verhouden tot de anderen.
Ik denk dat hier een mooie opdracht weggelegd is voor Vormingplus in de toekomst. Om toekomstvaardig te worden, is er terug nood aan diepgaande debatten en leerrijke dialogen. Die komen niet van zelf tot stand, daarvoor hebben we nood aan nieuwe publieke ruimtes, waar burgers hun verhalen over toekomst kunnen delen en uitwisselen. Dat is ook van belang in een samenleving die steeds diverser wordt: deze nieuwe ontmoeting rond de gezamenlijke toekomst leidt tot de vorming van nieuwe politieke gemeenschappen, los van je achtergrond.

Zo krijgen we ook zicht, in het licht van de noodzakelijke transitie, op een hedendaagse invulling van actief burgerschap wat ik omschrijf als ecologisch burgerschap. Twee elementen zijn hier vernieuwend. Ten eerste de zorg voor medemens én het leefmilieu die tesamen worden gedacht en opgenomen. Daarnaast is er de ‘vertrouwde omgang met het onbekende’. Ecologisch burgerschap staat open voor wat nog niet helemaal vertrouwd is, zij het diversiteit in de stad, of noodzakelijke veranderingen om te komen tot een duurzame samenleving. Wie toekomstvaardig is, legt zijn oude gewaden en gebruiken af.

Kiezen voor de toekomst is dus ook positie kiezen. Dat betekent je niet laten meedrijven met de stroom, integendeel. Zich positioneren is zich duidelijk verhouden tot wat er gebeurt, wat anderen voorstellen en effectief doen. Een positie kies je als individu, in vele kleine en grote beslissingen. Vind je bijvoorbeeld ‘donderdag veggiedag’ een goed initiatief en wil je daar toe behoren. Positioneren doe je ook als organisatie uit het middenveld. Niet alleen ten aanzien van actuele ontwikkelingen of ten aanzien van het beleid. Voor het eerst betekent positioneren ons ook radicaal verhouden tegenover onze eigen toekomst. En de verzuchting die we overal horen, luidt: ‘we leven in een tijd waar onze kinderen het minder goed zullen hebben dan wij’, is hierbij een revelerende vraag. Want wat doen we eigenlijk voor de toekomstige generaties? Gaan we mee gedachteloos met de dominante hoofdstroom, of versterken we de tegenstroom van de toekomst? We beslissen vandaag of we een toekomst bouwen. Maar dan moeten we wel terug een toekomst durven denken en dromen. Want zonder een duidelijk kompas is het moeilijk varen als nieuw initiatief, laat staan samen koers houden en een vloot bouwen.

Misschien zullen sommigen onder jullie nu denken: allemaal goed en wel, maar hoe komen we tot een andere samenleving. Want als we het niet meer eens zijn met de slogan uit de twee fase TINA, There is No Alternative, moeten we een visie hebben op het kunnen realiseren van wat mij betreft de slogan is van de derde fase: TAPAS: There Are Plenty of Alternatives.
Een belangrijk element hierbij is de schaal. Ik ben mijn verhaal begonnen in de 20ste eeuw. Dat is de eeuw waar de natiestaat het centrale kader vormde, de vakbonden de drijvende kracht waren achter sociale innovatie en de opbouw van de welvaartstaat. Zij verschuilden zich niet achter wat haalbaar was –fabrieksdirecteurs vonden de afschaffing van kinderarbeid onhaalbaar want slecht voor de concurrentiepositie – om te strijden voor wat wenselijk en noodzakelijk was: het recht op een goed leven met eigen ontplooiingskansen.
Ondertussen zitten we al een stuk in de 21ste eeuw. De natiestaat is er nog, maar de voorbije decennia is het zenuwcentrum van de samenleving uiteengevallen naar boven (Europa) en naar beneden, het lokale niveau. Stedelijke regio’s vormen nu de knooppunten van het belangrijkste centrale netwerk, ze zijn de labo’s van de toekomst, de broeihaarden van nieuwe ideeën. En door samen te werken in netwerken van sociaalecologische stadsregio’s kunnen zij hun stempel drukken op de wereld van morgen. Zeg maar van Kopenhagen over Gent tot in Milaan.
Elke stadsregio heeft in de transitie naar een duurzame toekomst nood aan haar eigen, nieuwe en diverse middenveld dat inzet op sociaaleconomische emancipatie, ecologische rechtvaardigheid en het verwerven van maatschappelijke zekerheid.

En hier wil ik een tweede opdracht schetsen voor Vormingplus, of misschien wel voor alle mensen hier aanwezig actief in de civiele samenleving. Als de natiestaat het belangrijkste kader was in de 20ste eeuw, met de vakbonden de belangrijkste actor van emancipatie, hebben we dan niet in de 21ste eeuw, met de stadsregio’s als nieuw belangrijk kader, nood aan zoiets als stadsbonden? Verenigingen die alle burgers verenigen betrokken in transitie; de burgers die zich positief positioneren ten aanzien van de toekomst, verenigingen tot slagkrachtige organisaties met een duidelijke maatschappelijke agenda? Hoe zo’n stadsbond, als hybride grootstedelijk middenveld, er concreet uitziet, dat mag u zelf uitdenken als u zo dadelijk het glas heft op de toekomst van Vormingplus Gent.

 

Read 5140 times Last modified on %AM, %03 %523 %2015 %11:%apr
Dirk Holemans

Dirk Holemans: coördinator van denktank Oikos / hoofdredacteur

van gelijknamige tijdschrift / publicist

Doneer

Wil je Oikos steunen als onafhankelijk platform? Dan kan door een bijdrage – groot of klein - te storten op BE29 0015 9877 0164 (BIC: GEBA BE BB) van Oikos vzw.

Over Oikos

Oikos wil een toonaangevend forum zijn voor de sociaal-ecologische tegenstroom. Oikos vertrekt vanuit de analyse dat het gangbare economische model ecologisch niet duurzaam is, en dat de emancipatie van velen in onze samenleving en de wereld nog lang niet voltooid is. Oikos behandelt alle dimensies van dit streven naar verandering: de onderliggende ethiek, de analyse van de bestaande toestand, de ontwikkeling van alternatieven en de politieke strategie.

Gratis proefnummer

Wil je graag een gratis proefnummer ontvangen van Oikos? Dat kan! Vul op deze pagina jouw gegevens in en wij sturen jou het laatste Oikos nummer als gratis proefnummer op.