logo

'Voor politici blijft groei hét recept om het maatschappelijk conflict over een meer gelijke verdeling van bestaansmiddelen voor zich uit te schuiven', schrijft Jef Peeters van de denktank Oikos in Knack op 01/08/2019. 'Maar die strategie breekt stuk op de fundamentele crisisverschijnselen van vandaag.'

Telkens de economische groeimotor sputtert is het alle hens aan dek om hem terug op gang te trekken. In die lijn kondigt de Europese Centrale Bank (ECB) opnieuw belangrijke maatregelen aan voor september. Ook voor politici die nieuwe regeringen voorbereiden is het telkens opnieuw een centraal aandachtspunt. Meer ruimte voor ondernemingen en voor de markten is daarbij het standaardrecept. There is no alternative probeert men ons al sedert de jaren tachtig aan te praten. Ondertussen stapelen de negatieve symptomen van die dominante economische visie zich op tot bedreigende proporties, zowel ecologisch met o.a. klimaatverandering en drastisch verlies van biodiversiteit, als met sociale ongelijkheid, een groeiende stroom vluchtelingen en bedreiging van de democratie door een nieuw autoritarisme. Wanneer bovendien vanuit onderzoek meer en meer duidelijk wordt dat de vluchtweg van 'groene groei' een illusie blijkt, kunnen we niet anders dan besluiten dat het economische groeimodel maatschappelijk failliet is.

Dat betekent nog lang niet dat er een groeiende consensus is over een alternatief. Enerzijds hebben de belangen van het transnationaal kapitaal zich kunnen verankeren gedurende vier decennia van neoliberaal beleid, en die willen dat graag zo behouden. Politici en media helpen hen daar vooralsnog bij. Anderzijds wijzen allerlei politieke verschijnselen op een gebroken maatschappelijke consensus omtrent de grote lijnen van de te volgen richting. Denk aan de terugval van de centrumpartijen, het succes van nationalistisch rechtse partijen en de groei van groene partijen, maar ook aan nieuwe sociale bewegingen als de gele hesjes en Youth for Climate. Het vormt een mengsel van zowel hoop als wanhoop.

Voor velen lijkt het einde van de wereld echter gemakkelijker voor te stellen dan het einde van het kapitalisme.

Het perspectief op een nieuw type samenleving dat de degrowth-beweging aanreikt wordt dan ook niet vaak ernstig genomen. Voor politici blijft groei hét recept om het maatschappelijk conflict over een meer gelijke verdeling van bestaansmiddelen voor zich uit te schuiven, wat in de eerste decennia na WOII aardig gelukt is. Maar die strategie breekt stuk op de fundamentele crisisverschijnselen van vandaag. Voor de modale burger in een rijk land als het onze is een degrowth-perspectief onverenigbaar met de levensstijl waaraan velen gewend zijn geraakt.

Zeker is dat de consumptiesamenleving ons voorstellingsvermogen van een alternatief heeft aangetast. Daarbij wordt een nieuw toekomstbeeld ook bemoeilijkt door de complexiteit en omvattendheid van de verandering die nodig is, gezien de huidige samenloop van crisissen. Er dan maar op blijven wedden dat technologie het wel zal oplossen is echter de kop in het zand steken.

Een nieuwe visie vraagt om een nieuw mens- en wereldbeeld dat breekt met het individualisme en met de idee dat de aarde op een oneindige manier aan ieders wensen tegemoet kan komen.

Uitzoeken hoe de basisbehoeften van de wereldbevolking vervuld kunnen worden in een niet-groeiende economie, vergt dan inderdaad voorstellingsvermogen. Paradoxaal genoeg wordt dat net geprikkeld door het erkennen van grenzen. Die erkenning kan de ogen openen voor de feitelijke verbondenheid en wederzijdse afhankelijkheid van mensen van elkaar, maar ook van de andere aardbewoners en van de aarde zelf. De aarde is de plek waar we altijd al geweest zijn, waaraan de moderne samenleving probeerde te ontsnappen, maar waar we opnieuw kunnen landen, zoals Bruno Latour betoogt. In tegenstelling tot een emancipatievisie waarin het individu zich moet losmaken van alle banden om vrij zichzelf te kunnen zijn, gaat het aardeperspectief erom opnieuw gemeenschap te maken. Dat gaat niet om een terugkeer naar een traditionele gesloten gemeenschap, zeker ook niet om het opnieuw opkloppen van de fictieve gemeenschap van de natie, maar om een vorm van lokaal zijn die open staat voor de wereld en inclusief is, ook ecologisch. Latours visie vertoont hierin nogal wat gelijkenis met het ecologische perspectief van Otto Scharmer.

Die visie vertaalt zich ook naar een praktijk zoals verwoord door de toonaangevende degrowth­-denker Giorgis Kallis in zijn laatste boek: 'In een ontgroei-toekomstbeeld zijn menselijke activiteit en werk gecentreerd rond zorg voor andere mensen, levende wezens en hun (onze) habitats, en ze dienen de 'onproductieve 'uitgaven waarmee we betekenis geven.' Hij verwijst hier naar de dubbele beweging waarop een ontgroei -samenleving gebouwd zou kunnen worden. Enerzijds biedt de aarde genoeg voor iedereen om te leven, mits een praktijk van delen en samenwerken en van materiële matigheid in de private sfeer. Anderzijds dient het maatschappelijk geproduceerde overschot niet geïnvesteerd te worden in functie van een steeds verdergaande accumulatie van kapitaal, maar op een zingevende manier uitgegeven in de publieke sfeer (bijv. cultuur, kunst, feesten...). Ook meer ruimte maken voor natuur en het planten van bomen horen daarbij.

Thomas Piketty heeft nu echter aangetoond dat in het kapitalisme de private toe-eigening van de maatschappelijk geproduceerde waarde groter is dan de economische groei. Een degrowth-transitie moet daarom sowieso die toe-eigening aanpakken, en dus de onderneming die vandaag via de dominantie van het aandeelhouderschap als een motor voor accumulatie functioneert. Dat is nog verscherpt door de neoliberale 'theorie' (of beter 'ideologie') dat het doel van de onderneming bestaat in het creëren van aandeelhouderswaarde (shareholder value). Oriëntatie op kortetermijngewin en voorbijgaan aan maatschappelijke doelstellingen zijn daarvan het gevolg. Cambridge-econoom Ha-Joon Chang citeert in 23 dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme daarom met instemming Jack Welch, voormalig CEO van General Electric: 'Aandeelhouderswaarde is waarschijnlijk het 'stomste idee van de wereld''.

Economische democratisering

Het antwoord daarop is economische democratisering, de samenleving en haar burgers die vat krijgen op de beslissingen over de bedrijfsdoelstellingen en over de besteding van de meerwaarde. Allerlei benaderingen proberen daar vandaag werk van te maken, zoals: het ontwerp van een maatschappelijk georiënteerd eigenaarschap door Marjorie Kelly in Owning our Future, de voorstelling van een not-for-profit-economie in het aangekondigde How on Earth van Donnie Maclurcan en Jennifer Hinton, strategieën voor burgers om vat te krijgen op hun economie in J.K. Gibson-Grahams Take Back the Economy, of het opnieuw benadrukken van de democratische mogelijkheden van de coöperatie door John Restakis in Humanizing the Economy.

Daarnaast nemen allerlei burgerinitiatieven een vlucht, waaronder de commons in het bijzonder, die vandaag ook systematisch gepromoot worden, bijvoorbeeld in het nieuwe boek van Silke Helfrich en David Bollier Free, Fair and Alive. The Insurgent Power of the Commons.

Ideeën genoeg dus, naast een veelheid aan nieuwe concrete praktijken. Het is belangrijk om ze verder te verspreiden, maar een daadwerkelijke transitie kan pas plaatsvinden wanneer we erin slagen ook de institutionele regelingen die thans het kapitalisme schragen te veranderen. Zonder een sterke sociaal-politieke beweging die zich achter deze ideeën schaart zal dat niet lukken, en het zal sowieso een lastige klus zijn.

Herziening vennootschapswetgeving

Een illustratie daarvan vormt de recente herziening van de vennootschapswetgeving die net vanuit een versterking van de vrijemarktlogica was opgezet. Volgens het regeerakkoord van 2014 ging het erom België nog aantrekkelijker te maken voor lokale en buitenlandse ondernemingen. Daartoe beoogde justitieminister Koen Geens een algehele vereenvoudiging van de wet onder meer met een beperking van het aantal vennootschapsvormen. Aanvankelijk werd daarbij de coöperatieve vennootschap geschrapt, maar onder druk van de coöperatieve beweging uiteindelijk behouden met een eigen definitie en wetboek gebaseerd op de coöperatieve principes van de International Co-operative Alliance (ICA).

Een cruciaal punt was ook dat de formulering van de doelstelling van een vennootschap in het eerste wetsontwerp de idee van aandeelhouderswaarde wettelijk verankerde: 'Zij heeft tot doel aan de vennoten een rechtstreeks of onrechtstreeks vermogensvoordeel uit te keren of te bezorgen.' Nadat N-VA uit de regering stapte moest Geens een politieke onderhandeling aangaan met de groene en socialistische partijen om zijn wet er alsnog door te krijgen. Daarbij werd die algemene doelstelling gelukkig open getrokken: 'Een van haar doelen is aan haar vennoten een rechtstreeks of onrechtstreeks vermogensvoordeel uit te keren of te bezorgen.' Een belangrijk gaatje om maatschappelijke doelstellingen in de onderneming binnen te brengen, en om dusmee aan de slag te gaan.

Dit opiniestuk verscheen op 01/08/2019 in Knack.

Published in Opinie

In het nieuwe Oikos-tijdschrift start Jef Peeters met een nieuwe reeks over verschillende vormen van economisch denken. In dit inleidende artikel gaat hij in op de economische diversiteit. Verder vind je in dit nummer ook een belangrijk interview met degrowth-denkers Giorgos Kallis en Tim Jackson. Verder gaat Guido Deraeck in dit nummer in op migratie in Europa, neemt Julie Mabilde Smart Mobility onder de loep en toont Myriam Dumortier hoe de globalisering vandaag onze biodiversiteit aantast.  Wil je graag meer lezen neem dan nu hier een abonnement voor slechts 20 € of vraag hier een gratis proefnummer aan. 

Published in Tijdschrift

Nu de economische groei weer op gang is gekomen, horen we hoera-berichten van zowel politici als economen. En journalisten gaan daar veelal in mee. Het lijkt alsof er voor groei geen alternatieven mogelijk zijn. Daar tegenover staat een groeiende degrowth-beweging van sociale activisten en academici, die in 2016 haar vijfde internationale conferentie hield met meer dan 600 deelnemers en zich opmaakt voor drie opeenvolgende conferenties – in Zweden, Mexico en het Europees Parlement – aan het einde van de zomer dit jaar. Academisch voortrekker van deze beweging is een groep ecologisch economen van de Autonome Universiteit van Barcelona. Zij publiceerden in 2015 het boek Degrowth (D’Alisa e.a.), een verzameling korte essays door academici van over de hele wereld, die de gelijknamige beweging ondersteunt met een vocabulaire dat de contouren van een (mogelijk) nieuw tijdperk probeert te schetsen. Het verscheen in vertaling als Ontgroei (2016), een neologisme dat niet alleen een fundamentele verandering in het economisch denken aangeeft, weg van het groei-denken, maar evenzeer een cultuurverandering. 

In wat volgt plaatsen we de degrowth-benadering binnen de bredere discussies over economische groei en bespreken haar kritiek op het gangbare ontwikkelingsdenken. Vervolgens schetsen we de kern van de culturele verandering die zij voorstaat. Ten slotte geven we aan hoe die verandering al gestalte krijgt in allerlei nieuwe initiatieven die vanuit de civiele samenleving als paddenstoelen uit de grond schieten. De nieuwe commons dienen zich daarbij aan als een focus van verandering, gebaseerd op vormen van collectief ondernemerschap gericht op de zorg voor een gedeelde wereld.

Ontgroeien als kritiek op de groei-ideologie 

Het jaar 1972 is ongetwijfeld het jaar waarin het debat over economische groei publiek werd om nooit meer van de agenda te verdwijnen – ook al is het met ups en downs. Toen verscheen immers het bekende rapport aan de Club van Rome Limits to Growth (Meadows, 1972) met een pleidooi voor ‘nulgroei’. In datzelfde jaar lanceerde de ecologisch econoom Herman Daly het concept van een ‘steady-state economie’ en werd het begrip ‘décroissance’ al naar voren geschoven door de Franse eco-filosoof André Gorz (later overgenomen door onder meer Serge Latouche). We zien dus vanaf het begin verschillende termen verschijnen om een alternatief voor ‘groei’ aan te duiden. Later komen daar termen bij als ‘post-growth’, ‘a-growth’ en ‘anti-growth’. De kritiek op economische groei heeft immers meerdere uitzichten, zo ook de antwoorden daarop. Lag in de jaren 1970 de klemtoon vooral op de grenzen aan de aardse hulpbronnen, dan komen later ook de relatie tussen groei en ongelijkheid, de problematische relatie met het ontwikkelingsdenken, of de moeilijke verhouding tussen aanhoudende groei en geluk aan de orde. Het is dan niet verwonderlijk dat ook het gebruik van de term ‘degrowth’ meerduidig is en de bijhorende beweging divers, zoals onder meer blijkt uit onderzoek van de opvattingen van deelnemers aan de conferenties (Eversberg en Schmelzer, 2016).

Daarbij duikt in het debat voortdurend de vraag op wat er met ‘groei’ precies wordt bedoeld. Gaat het over de groei van het bruto binnenlands product, een concept in puur monetaire termen? Of gaat het over de materiële impact van de economie? In dat laatste zijn de ecologisch economen geïnteresseerd, omdat zij economie in termen van stromen van materie en energie bekijken. Zij bouwen voort op het werk van de Roemeense econoom Georgescu-Roegen, die aantoonde hoe het economisch systeem is ingebed in de aardse biosfeer. Economie kan daarom niet ontsnappen aan de wetmatigheden van thermodynamica en ecologie, wat inhoudt dat oneindig aangehouden materiële groei onmogelijk en dus niet duurzaam is. Hoe evident deze gedachte voor velen thans ook lijkt, de consequentie daarvan dat de economie materieel moet krimpen omdat de grenzen van wat biofysisch toelaatbaar is al overschreden zijn, blijft zeer moeilijk liggen. 

Er is een duidelijk verband tussen de stijging van het bruto binnenlands product (bbp) en een toenemende ecologische impact via het gebruik van energie en grondstoffen en bijhorende milieubelasting. De voorstanders van economische groei formuleerden als uitweg de ‘ontkoppeling’ tussen bbp-groei en milieu-impact. Toename van efficiëntie via technologische vernieuwing speelt daarin een sleutelrol. Dat is de agenda van de ‘groene economie’ die ‘duurzame groei’ mogelijk zou maken. Nu is efficiëntieverbetering zeker mogelijk en ook nodig. Maar in de praktijk leidt besparing via toenemende efficiëntie vaak tot een groei van het consumptievolume, bekend als het rebound-effect. Denk bijvoorbeeld aan de blijvende groei van het wagenpark. Om de beoogde ecologische doelstellingen te halen moet de ontkoppeling dus niet enkel ‘relatief’ zijn (kleinere impact per eenheid product) maar ‘absoluut’, wat een daling van het totale volume aan gebruikte hulpbronnen inhoudt. Zo vraagt het verhinderen van catastrofale klimaatverandering om een absolute ontkoppeling van economische productie en de uitstoot van broeikasgassen tot op een niveau dat het aardse ecosysteem duurzaam kan verwerken. De huidige praktijk is daar nog ver van verwijderd. Een ontkoppeling moet immers snel genoeg gaan om catastrofale gevolgen op korte termijn te vermijden en ook groot genoeg zijn om een herstel van het aardse ecosysteem mogelijk te maken. Verbeteringen in de praktijk zijn ongetwijfeld mogelijk, maar wetenschappelijke simulaties geven aan dat bbp-groei uiteindelijk niet kan worden losgekoppeld van groei in materiaal- en energiegebruik (Ward e.a., 2016). Of, ‘duurzame groei’ is een illusie. 

Dat brengt ons terug bij denkpistes die biofysische grenzen serieus nemen. Omdat efficiëntie alleen ons niet zal redden, heeft Wolfgang Sachs het principe van ‘sufficiëntie’, of ‘genoegzaamheid’, in het debat gebracht. In die lijn spreekt men vandaag ook van een ‘economie van het genoeg’ (Dietz en O'Neill, 2013), of van ‘welvaart zonder groei’ (Jackson, 2010). Al dergelijke voorstellen komen erop neer de focus op bbp-groei te verleggen naar het realiseren van maatschappelijke doelstellingen: het tegemoetkomen aan de behoeften van allen binnen de mogelijkheden die de planeet ons geeft. Dat is precies wat Kate Raworth (2017) met het concept van ‘donut-economie’ voor ogen heeft. Dat impliceert sowieso een vermindering van het gebruik van materiële hulpbronnen, maar niet noodzakelijk van de creatie van waarde – althans wanneer de gangbare monetaire termen daarvoor worden losgelaten.

Het groeidebat leidt er uiteindelijk toe als samenleving te herzien wat we van waarde vinden – een culturele eerder dan een economische opgave. Ivan Illich verwoordde het als ‘doorbreken van de verslaving aan groei’. En precies daarop slaat de term ‘degrowth’, het ontwikkelen van een nieuwe politieke en sociale visie tegenover de dominante ideologie van groei en ontwikkeling. Hoewel het begrip uit economische studies is voortgekomen, is het dus geen economisch begrip voor het tegenovergestelde van groei, ‘negatieve groei’ of ‘krimp’. Omdat die associatie wel snel gemaakt wordt, staat de term ook bij sommige medestanders van het degrowth-programma ter discussie als misleidend. Daarnaast vinden sommigen dat de term omwille van zijn negatieve formulering niet wervend is voor een positieve agenda van verandering. Zo is het volgens Kate Raworth beter dat de naam van die agenda representatief is voor de nagestreefde sociale en ecologische doelstellingen. Die agenda probeert zij zelf met het beeld van de donut weer te geven. Over groei kunnen we volgens haar beter ‘agnostisch’ zijn, want ook wanneer het bbp geen maatstaf meer is voor succes, zullen sommige initiatieven toch gepaard gaan met een bbp-toename, terwijl andere er een negatieve invloed op hebben. 

Een vooraanstaand degrowth-onderzoeker als Giorgis Kallis verwerpt echter dergelijke kritieken. De term weerspiegelt duidelijk de noodzaak om de mondiale voetafdruk te verminderen, daarbij beginnend bij de rijken. Bovendien lijkt de groei-ideologie sterker dan ooit, waardoor spreken over ontgroeien een duidelijke daad van subversie is. In tegenstelling tot positief geformuleerde doelstellingen zal het dan ook nooit door het kapitalisme gecoöpteerd worden: ‘minder’ kan het niet verkopen. Kallis wijst verder op het feit dat de naam ‘degrowth’ mensen, ondanks hun meningsverschillen daarover, samenbrengt in een beweging. Die naam staat voor ‘een pluralistische en diverse sociale beweging waarin verscheidene denkstromingen, ervaringen en strategieën om autonome en matige samenlevingen op te bouwen, samenkomen. Degrowth is geen alternatief, maar een matrix voor alternatieven’ (Azam, 2017). Daarmee voegt de beweging zich in het rijke scala van sociale bewegingen die vandaag ijveren voor een andere economie, een die sociaal en ecologisch is ingebed. Gezien de complexiteit van de wereld en van de transitie die nodig is, is die pluraliteit een positief gegeven. Immers, niet elke benadering met bijhorende terminologie zal in elke context even goed aanslaan, zoals ook Kallis moet toegeven.

Ontwikkeling via groei?

Een belangrijk degrowth-thema is de kritiek op ontwikkeling als zodanig, zelfs wanneer ze ‘duurzaam’ wordt genoemd (Latouche, 2014). Duurzame ontwikkeling werd eind vorige eeuw door de wereldgemeenschap gelanceerd als een project om armoede en milieuvraagstukken tegelijkertijd aan te pakken (WCED, 1987). Wat dat betekende, en hoe dat moest gaan, was vanaf het begin een voorwerp van ideologisch-politieke strijd en heel diverse interpretaties die van links tot rechts de ronde deden. We moeten daarbij voor ogen houden dat de agenda voor duurzame ontwikkeling eind jaren 1980 werd gelanceerd, toen het neoliberalisme al volop in opmars was. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat ontwikkeling in de dominante interpretatie binnen een kapitalistisch kader wordt geplaatst, waarbij de hoop gevestigd blijft op economische groei. Dat komt onder meer tot uiting in de zogenaamde triple bottom line die de dimensies van duurzame ontwikkeling samenvat als people, planet, profit. De poging om de economische dimensie te benoemen als prosperity (voorspoed) in plaats van profit heeft het nooit tot standaardformulering geschopt. 

Ook bij de recente duurzame ontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties wordt de bevordering van ‘aanhoudende, inclusieve en duurzame economische groei’ nog als een doelstelling geformuleerd. Als het erom gaat om op een duurzame manier welzijn te creëren, dan is deze formulering al minstens een verwarring van middelen met doelstellingen. En ook al is er op sommige plaatsen in de wereld nog tijdelijk groei nodig, het blijven nastreven als een mondiale doelstelling is, zoals boven aangegeven, een onwenselijk en ook onmogelijk pad. Het Global Footprint Network stelt overigens vast dat de focus op ontwikkeling nog te weinig aandacht heeft voor ecologische duurzaamheid. De grote vooruitgang die er met het akkoord over de zeventien duurzame ontwikkelingsdoelstellingen werd gemaakt, alsook het enthousiasme daarover, mag niet doen vergeten dat het om een politiek compromis gaat dat ‘aanhoudende groei’ alsnog niet uit zijn vocabularium wil schrappen. 

De focus op groei via profit lijkt vaak zelfs op een gouden kalf waar men omheen danst, waarbij twee grote kampen tegenover elkaar staan. Om de economie op gang te trekken pleiten sommigen voor overheidsinvesteringen, terwijl anderen besparingen op overheidsuitgaven voorstaan om ruimte te maken voor meer privé-investeringen. We herkennen daarin het moderne dispuut over de beste plaats om maatschappelijke waarde te scheppen, de staat of de markt. Beide posities houden elkaar gevangen in een conflict zonder uitweg. Het zijn twee zijden van dezelfde medaille, want over de grond van de zaak, de noodzaak om telkens opnieuw economische groei te realiseren, wordt niet getwijfeld. 

Daar tegenover wijst de degrowth-beweging erop dat groei, ook wanneer zij is bedoeld om problemen op te lossen, een heel paradoxaal gegeven is. Niet alleen blijft ondanks investeringen in milieutechnologie de globale ecologische voetafdruk toenemen zonder dat een absolute ontkoppeling tussen economische groei en grondstoffenverbruik in zicht is. Groei wordt ook gerealiseerd ten koste van meer gelijkheid – denk aan de studies van de Franse econoom Thomas Piketty – onder meer via allerlei vormen van ongelijke ruil. En groei gaat ook ten koste van al wat met zorg en met gemeenschapszin te maken heeft. Die beantwoorden immers niet aan de logica van het nastreven van (persoonlijk) profijt. Omdat de groei bovendien aangehouden moet worden, palmt de markt voortdurend nieuwe domeinen van het menselijk leven in en creëert daarbij een onverzadigbare levenswijze. Zo blijft uiteindelijk ook de belofte op geluk ijdel. Samengevat, het realiseren van een menselijker wereld via groei lijkt eerder een tantaluskwelling. 

Er lijkt dus iets fundamenteel mis in de manier waarop economie vandaag gedefinieerd wordt. En het argument dat er toch groei nodig is voor mensen die nog niet aan de bevrediging van hun basisbehoeften toekomen is daarom vooral een valkuil. De idee dat er eerst groei moet zijn, schuift die bevrediging immers voortdurend vooruit naar de toekomst, terwijl er vandaag nieuwe ongelijkheden worden gecreëerd. Dit inzicht is voor degrowth een aangrijpingspunt om na te denken over een echt alternatief dat direct (her)verdelend werkt, daarbij het leefmilieu spaart en ruimte laat voor zingevende activiteiten, onttrokken aan de gangbare economische logica. 

Ontgroeien om te bloeien

Het kapitalisme met zijn groeidynamiek is geen natuurwet, maar een historisch gegeven, een maatschappelijke constructie die ontstaan is als reactie op specifieke omstandigheden. We kunnen niet ingaan op die historische oorsprong, maar houden het bij de volgende aanduiding. Verschillende analyses wijzen op een existentiële nood die de Europese samenleving kenmerkte in de overgang van de late Middeleeuwen naar de moderniteit, onder meer door de pestepidemieën gevolgd door een demografische explosie. Het leven werd ervaren als bedreigd door een permanente schaarste waar de economie van de traditionele gemeenschappen geen antwoord op leek te bieden. ‘Om aan hun onvervulde behoeften te voldoen, probeerden individuen banden te verbreken met hun gemeenschappen en autonome, nieuwe en meer effectieve, op groei georiënteerde handelswijzen op te nemen’ (Romano, 2016, blz. 137). De angst om tekort te komen en de drijfveer om schaarste te overwinnen werden een cultureel leidmotief dat de accumulatie van kapitaal legitimeerde en zo vorm gaf aan een nieuwe economische orde, door Hans Achterhuis het ‘rijk van de schaarste’ genoemd. Het is een orde die vraagt dat we spaarzaam zijn om te kunnen investeren in de toekomst, dat we daartoe immer ijverig zijn en bijvoorbeeld later op pensioen gaan. Maar anderzijds vraagt die ook om te consumeren wanneer we vrij zijn, te spenderen om de groeimachine aan de praat te houden. En daaruit zouden we dan de zin van ons leven moeten putten. Geen wonder dat mensen ziek worden van stress. 

Daartegenover schuift degrowth een radicale paradigmaverandering naar voren, met overvloed in plaats van schaarste als uitgangspunt. Voor de traditionele milieubeweger komt dat misschien over als vloeken in de kerk, omdat het denken in termen van een mogelijke ecologische catastrofe wanneer de ecologische voetafdruk niet kleiner wordt, eerder om matiging vraagt. Dit denken blijft echter binnen het schaarstekader wanneer overvloed onmiddellijk wordt begrepen als consumptie van marktgoederen. Een sleutel om uit deze verwarring te geraken, is te zien dat de moderniteit haar schaarsteprobleem probeerde op te lossen via een proces van individualisering. Elk individu moet voor zichzelf proberen in zijn behoeften te voldoen. En omwille van de vooropgezette schaarste gaat het dan om een competitie met winnaars en verliezers. Net in die competitie toont schaarste zich als een sociaal geconstrueerd fenomeen. En economische groei zou dan een remedie zijn om reële schaarste te voorkomen, en daarmee uit de hand lopende maatschappelijke conflicten. Maar, zoals gezegd, het paradoxale effect is het produceren van problemen die we als reële schaarste kunnen begrijpen.

Ontgroeien is een manier om het over een wezenlijk andere boeg te gooien. ‘Het rijk van betekenis begint, waar het rijk van de noodzaak eindigt’, zo stellen de redacteurs van Ontgroei (D’Alisa e.a., 2016, blz. 336). Het komt erop aan om grenzen te stellen aan het opslokken van steeds meer levensdomeinen door het rijk van de schaarste, en de zoektocht naar zin uit de paradox van de groei te halen. ‘In je eentje betekenis vinden is een illusie die leidt tot ecologisch schadelijke en sociaal onrechtvaardige uitkomsten, omdat ze niet voor iedereen kunnen worden volgehouden’ (D’Alisa e.a., 2016, blz. 335). Vanuit dat inzicht volgt een dubbele perspectiefverschuiving. Die is allereerst cultureel, maar legt wel de basis voor een andere economische oriëntatie. 

In de plaats van een heilloze consumptiemaatschappij, die eigenlijk neerkomt op een veralgemening en privatisering van de luxe, komt de erkenning dat het leven van het individu noodzakelijk door soberheid gekenmerkt zal worden. Maar wanneer mensen met elkaar delen en samenwerken in plaats van elkaar te beconcurreren, dan kan aan ieders behoeften worden voldaan. Bovendien zal daarmee onze energie, onze werkkracht als samenleving, niet zijn opgebruikt. Iedere samenleving moet daarom beslissen wat ze met haar overschot doet. Zo bouwden de middeleeuwers hun kathedralen. En heel wat culturen kennen vormen van collectieve verspilling onder de vorm van grote feestelijkheden. Het gaat om vormen van collectieve zingeving binnen de publieke sfeer. Vandaag gaat het maatschappelijk overschot echter op in geprivatiseerde verspilling en een daaraan gekoppelde accumulatie van kapitaal. 

Het dubbele voorstel van Ontgroei is dan soberheid in de private sfeer en zingevende verspilling – ‘dépense’ genoemd – in de publieke sfeer (denk aan cultuur, kunst, feesten...). Die verspilling van het maatschappelijk overschot mag worden begrepen als een bewuste rem op voortdurende investeringen in functie van een steeds verdergaande accumulatie van kapitaal. Wat zo gewonnen wordt is een publieke ruimte die individuen en hun gemeenschappen in staat stelt om een bloeiend leven te leiden.

Commons: samenwerken en delen

Dat voorstel lijkt wellicht abstract, maar allerlei burgerinitiatieven beginnen dat alternatief te belichamen, zoals geefwinkels, repair-cafés, gemeenschapstuinen, CSA-boerderijen, nieuwe coöperaties... Het gaat om een wereldwijd fenomeen, dat nog recent gedocumenteerd werd voor Vlaanderen (Noy en Holemans, 2016; Hautekeur, 2017) en voor Europa (Hens, 2015). Dergelijke initiatieven behelzen een transformatie van sociale relaties. Daarom worden ze vaak ‘sociale innovaties’ genoemd, ‘gelokaliseerde acties en initiatieven die mensen in staat stellen te voldoen aan sociale en ecologische noden en uitdagingen waarvoor ze geen adequaat antwoord vinden in de private markt of in het beleid van de centrale overheid’ (Oosterlynck, 2015, blz. 23). Cruciaal is dat burgers aan de slag gaan vanuit het perspectief van de civiele samenleving en zo een register opentrekken dat weg leidt uit de uitzichtloze oppositie van markt en staat. Economisch gaat het erom dat een heel domein van waardecreatie opnieuw wordt ontdekt en tot ontwikkeling gebracht.

Niet toevallig duiken economische burgerinitiatieven op in tijden van economische crisis, maar die verklaring is niet afdoende vermits die zich al ontwikkelden voor er van de huidige crisis sprake was. Het blijkt een terugkerende beweging in de Europese geschiedenis te zijn, telkens wanneer private marktkrachten de overhand nemen. Zo ontstonden in de late Middeleeuwen zowel de gilden als de meenten (gemeenschappelijke gronden), en in de negentiende eeuw de coöperaties (De Moor, 2013). Het gaat er telkens om dat mensen op zoek gaan naar alternatieve economische instituties die minder dominant zijn en dus meer eigen inbreng en zeggenschap mogelijk maken. Daarbij schept een crisis van de oude instituties mogelijkheden om nieuwe vormen ruimere ingang te doen vinden. Uiteindelijk gaat het om een structurele maatschappelijke verandering.

Zoals gezegd bestaan er wereldwijd meerdere bewegingen voor een andere economie, elk met eigen accenten, geschiedenis en inbedding. Zo zijn er naast de degrowth-beweging onder meer de coöperatieve beweging, de commons-beweging, p2p-productie, de sociale en solidariteitseconomie, de beweging voor een zorg-gecentreerde economie, de deel- en collaboratieve economie en het Transition Network (Transition Towns), naast specifieke bewegingen rond deelsteden (shareable cities), open uitwisseling van zaden, lokaal voedsel, en noem maar op. De kern van de transitie die zij beogen slaat meestal op de motivering van economische activiteit, namelijk een verschuiving van winst omwille van de winst naar bijdragen aan het creëren van ‘gemeenschappelijk welzijn’ (Peeters, 2015).

Als alternatief voor de economie van de schaarste geven commons-praktijken de beoogde paradigmaverandering wellicht het beste aan. Commons zijn dan niet louter collectieve hulpbronnen (al dan niet materieel), zoals vaak wordt gedacht, maar praktijken van gemeenschappelijk beheer en gebruik door gemeenschappen die er zelf de regels voor bepalen. ‘Een hulpbron wordt een commons wanneer er voor wordt gezorgd door een gemeenschap of een netwerk. De gemeenschap, hulpbron en regels vormen een geïntegreerd geheel’ (Helfrich en Bollier, 2016, blz. 113).

Commons staan tegenover de handelswaren (commodities) van de markteconomie en hanteren een ‘logica van overvloed’: ‘de stelling dat er voldoende geproduceerd wordt voor allen als we een overvloed aan sociale relaties, netwerken en vormen van coöperatief bestuur kunnen ontwikkelen. Dit soort van overvloed kan ons helpen praktijken te ontwikkelen die de grenzen van de groei respecteren en de vrijheid van iedereen vergroten om op te treden op een zelf bepaalde wijze’ (Helfrich en Bollier, 2016, blz. 116). We merken hoe hier een ‘economie van het genoeg’ wordt verbonden met een overvloed aan relaties die uitzicht geven op een zinvol bestaan. Tegenover de concurrentie op de markt staan dan praktijken van coöperatie en delen centraal. 

Dat zien we gebeuren in lokale initiatieven als repair-cafés en gemeenschapstuinen, maar evenzeer in mondiale netwerken op het internet als Wikipedia en vrije software (Bauwens en Lievens, 2013). Daarbij zijn de ervaringen van mensen met de kwaliteit van een ander soort economische relaties dan op de markt gebruikelijk cruciaal. Niet individueel profijt, maar zorg om wat we delen komt centraal te staan als betekenisvolle drijfveer. Vanuit dit perspectief merken we vervolgens heel wat nieuwe vormen van ondernemerschap op, die een heel andere invulling hebben dan de vormen die we gewend zijn – die ons zijn aangepraat. Op dezelfde manier moeten we ons vragen stellen bij wat vandaag allemaal ‘deeleconomie’ wordt genoemd. Gaat het om nieuwe businessmodellen binnen een kapitalistische markteconomie (denk aan AirBnB of Uber), of gaat het om het creëren van commons-gerichte initiatieven, om écht delen? (Lievens en Kenis, 2016).

Economische initiatieven vanuit de civiele samenleving, en commons in het bijzonder, worden vaak geduid als een perspectief voorbij markt en staat. Daarbij wordt ook van ‘drie economische sectoren’ gesproken. Een perspectief dat echter meestal over het hoofd gezien wordt is dat van de huishoudelijke economie, door sommigen de ‘vierde sector’ genoemd. De hier geleverde arbeid is niet gemonetariseerd, wordt daardoor economisch niet gezien en de waarde die ze schept niet meegeteld in het bbp, hoewel ze van levensbelang is. Ivan Illich noemde het ‘schaduwarbeid’. Het is dan ook niet onbelangrijk dat het nieuwe denken over economie deze arbeid uit de schaduw haalt. Dat gebeurt onder meer bij het beschouwen van zorg als een centrale economische opdracht. En onder meer Kate Raworth brengt het huishouden in beeld als sector van een sociaal ingebedde economie. Zelf wil ik graag inbrengen dat vormen van nabije gemeenschapseconomie, waaronder commons-initiatieven, kansen inhouden om mee de zorg van huishoudens te delen en zo de last ervan te verlichten (Peeters, 2015). Naast de klassieke eisen voor herverdeling, lijkt dit wezenlijk: iedereen deel te laten uitmaken van de nieuwe bloei die een beweging van ontgroeien nastreeft.

Lijken vandaag dergelijke nieuwe economische praktijken nog marginaal, voor een culturele transformatie zijn ze echter van wezenlijk belang. Telkens opnieuw stellen we immers vast dat mensen niet zomaar veranderen vanuit het bewustzijn dat er van alles mis is. Zij moeten eerder worden meegenomen in betekenisvolle ervaringen (Welzer, 2014). Aan de slag gaan, nieuwe dingen uitproberen en anderen daarbij uitnodigen is de aanbevolen weg. En vooral niet vergeten om samen te feesten!

 

Literatuur

Hans Achterhuis, Het rijk van de schaarste, Ambo, Baarn, 1988.

Geneviève Azam, ‘From Growth to Degrowth. A Brief History’, in Local Futures, 11 mei 2017, http://www.localfutures.org/growth-degrowth-brief-history/

Michel Bauwens en Jean Lievens, De wereld redden. Met peer-to-peer naar een post-kapitalistische samenleving, Houtekiet i.s.m. denktank Oikos, Antwerpen, 2013.

Herman Daly, Toward a Steady-State Economy, Freeman, San Francisco, 1972.

Giacomo D’Alisa, Federico Demaria en Giorgis Kallis (red.), Degrowth. A Vocabulary for a New Era, Routledge, Abingdon/New York, 2015. Vertaling: Ontgroei. Een vocabulaire voor ‘degrowth’ in een nieuw tijdperk, Van Arkel i.s.m. denktank Oikos, Utrecht, 2016.

Tine De Moor, Homo Cooperans. Instituties voor collectieve actie en de solidaire samenleving, Oratie, 30 augustus 2013, Universiteit Utrecht.

Rob Dietz en Dan O'Neill, Enough Is Enough. Building a Sustainable Economy in a World of Finite Resources, Routledge, Abingdon, 2013.

Dennis Eversberg en Matthias Schmelzer, ‘Critical Self-reflection as a Path to Anti-capitalism. The Degrowth Movement’, in Degrowth, 23 februari 2016, http://www.degrowth.de/en/2016/02/critical-self-reflection-as-a-path-to-anti-capitalism-the-degrowth-movement/#more-176036

Nicholas Georgescu-Roegen, The Entropy Law and the Economic Process, Harvard University Press, Cambridge, MA, 1971.

Gerard Hautekeur, Van cohousing tot volkstuin. De opmars van een andere economie, EPO i.s.m. Samenlevingsopbouw Vlaanderen, Berchem, 2017.

Silke Helfrich en David Bollier, ‘Commons’, in D’Alisa e.a., a.w., 2016, blz. 112-117.

Tine Hens, Het klein verzet, EPO i.s.m. denktank Oikos, Berchem, 2015.

Tim Jackson, Welvaart zonder groei. Economie voor een eindige planeet, Van Arkel i.s.m. denktank Oikos, Utrecht, 2010.

Matthias Lievens en Anneleen Kenis, ‘Delen of huren? Het potentieel van de commons en de ambivalentie van de deeleconomie’, in Streven, oktober 2016, blz. 849-859.

Serge Latouche, ‘Overvloedige soberheid’, interview door B. Deniel-Laurent, in Marianne, 1 augustus 2014. Vertaling T. Holterman, https://libertaireorde.wordpress.com/2014/09/03/overvloedige-soberheid-door-ontgroeien-op-weg-naar-een-beter-leven/

Dennis Meadows, Limits to Growth, Universe Books, New York, 1972.

Fleur Noy en Dirk Holemans, ‘Burgercollectieven in kaart gebracht’, in Oikos, nr.78, 2016, blz. 69-81.

Stijn Oosterlynck, ‘Lokale sociale innovatie. Een kijk vanuit de marges van overheid en markt’, in Momenten, Cahier van Demos vzw, nr. 13, 2015, blz. 21-29.

Jef Peeters, Veerkracht en burgerschap. Sociaal werk in transitie, EPO, Berchem, 2015.

Kate Raworth, Donuteconomie. In zeven stappen naar een economie voor de 21e eeuw, Nieuw Amsterdam, 2017. 

Onofrio Romano, ‘Dépense’, in D’Alisa e.a., a.w., 2016, blz. 135-140.

Wolfgang Sachs, Planet Dialectics. Explorations in Environment and Development, Zed Books, London/New York, 1999.

James Ward, e.a., ‘Is Decoupling GDP Growth from Environmental Impact Possible?’, in PLoS ONE, 14 oktober 2016, http://journals.plos.org/plosone/article?id=10.1371/journal.pone.0164733

Harald Welzer, Zelf denken. Een leidraad voor verzet, Van Arkel i.s.m. denktank Oikos, Utrecht, 2014. 

[1] Deze tekst werd gepubliceerd in Streven, Jg. 85, nr.3, mei-juni 2018, p. 229-240.

[2] Biannual International Conferences on Degrowth for Ecological Sustainability and Social Equity: https://degrowth.org/conferences/ 

[3] Er zijn meerdere benaderingen om dit uit te drukken. Bekend is de ‘ecologische voetafdruk’, zie https://www.footprintnetwork.org/our-work/ecological-footprint/ Daarnaast levert de recente wetenschappelijke bepaling van ‘planetaire grenzen’ cruciale inzichten: W. Steffen, e.a. ‘Planetary Boundaries. Guiding Human Development on a Changing Planet’, in Science, 347, 2015.

[4] Voor dit debat, zie Oxfamblogs, 1 december, 2015: K. Raworth, ‘Why Degrowth Has Out-grown its Own Name’, https://oxfamblogs.org/fp2p/why-degrowth-has-out-grown-its-own-name-guest-post-by-kate-raworth/; G. Kallis, ‘You’re Wrong Kate. Degrowth is a Compelling Word’, https://oxfamblogs.org/fp2p/youre-wrong-kate-degrowth-is-a-compelling-word/

[5] Doelstelling 8, zie: http://www.unric.org/nl/sdg-in-nederlands 

[6] ‘Making the Sustainable Development Goals Consistent with Sustainability’, in Global Footprint Network, 1 september 2017, http://www.footprintnetwork.org/2017/09/01/making-sustainable-development-goals-consistent-sustainability/ 

 Dit artikel verscheen op de website van het cultureel maatschappelijk tijdschrift Streven. Je kan het oorspronkelijke artikel hier raadplegen.

Published in Essay

Nu de economische groei stilaan weer op gang komt horen we hoera-berichten van zowel politici als economen. En journalisten gaan daar veelal in mee. Het lijkt alsof er voor groei geen alternatieven mogelijk zijn. Daartegenover staat een groeiende degrowth-beweging van sociale activisten en academici, die eind vorig jaar haar vijfde internationale conferentie hield. Het boek Degrowth, een verzameling korte essays door academici van over de hele wereld, ondersteunt die beweging met een vocabularium dat de contouren van een (mogelijk) nieuw tijdperk probeert te schetsen.

Het boek verscheen in vertaling als Ontgroei, een neologisme bedoeld om een fundamentele verandering in het economisch denken aan te geven, weg van het groei-denken, en dus niet zomaar een synoniem voor 'negatieve groei'. Het komt er op aan de focus op bbp-groei te verleggen naar het realiseren van maatschappelijke doelstellingen: het tegemoet komen aan de behoeften van allen binnen de mogelijkheden die de planeet ons geeft. Dat impliceert sowieso een vermindering van het gebruik van materiële hulpbronnen, maar niet noodzakelijk van de creatie van waarde - althans wanneer de gangbare monetaire termen daarvoor losgelaten worden. Over groei kunnen we volgens Kate Raworth daarom best 'agnostisch' zijn. En daar zijn we nog lang niet, zoals we ook zien bij de recente duurzame ontwikkelingsdoelstellingen van de VN die de bevordering van 'aanhoudende, inclusieve en duurzame economische groei' nog als een doelstelling formuleren (doelstelling 8).

Die focus op groei lijkt als een gouden kalf waar omheen gedanst wordt, waarbij twee grote kampen tegenover elkaar staan. Om de economie op gang te trekken pleiten sommigen voor overheidsinvesteringen, terwijl anderen besparingen op overheidsuitgaven voorstaan om ruimte te maken voor meer privé-investeringen. We herkennen daarin het moderne dispuut over de beste plaats om maatschappelijke waarde te scheppen, de staat of de markt. Beide posities houden elkaar echter gevangen in een conflict zonder uitweg. Het zijn twee zijden van dezelfde medaille, want over de grond van de zaak, de noodzaak om economische groei te realiseren, wordt niet getwijfeld.

De degrowth-beweging wijst er echter op dat groei een heel paradoxaal gegeven is, ook wanneer zij bedoeld is om problemen op te lossen. Zo blijft ondanks investeringen in milieutechnologie de globale ecologische voetafdruk toenemen zonder dat een absolute ontkoppeling tussen economische groei en grondstoffenverbruik in zicht is. Bovendien wordt groei gerealiseerd ten koste van meer gelijkheid, onder meer via allerlei vormen van ongelijke ruil, alsook ten koste van al wat met zorg en met gemeenschapszin te maken heeft. Die beantwoorden immers niet aan de logica van het nastreven van (persoonlijk) profijt. Omdat de groei bovendien aangehouden moet worden, palmt de markt voortdurend nieuwe domeinen van het menselijk leven in en creëert daarbij een onverzadigbare levenswijze. Zo blijft uiteindelijk ook de belofte op geluk ijdel. Samengevat, het realiseren van een menselijker wereld via groei lijkt eerder een Tantaluskwelling.

Kapitalisme is geen natuurwet

Het kapitalisme met zijn groeidynamiek is echter geen natuurwet, maar een historisch gegeven, een maatschappelijke constructie die ontstaan is als reactie op specifieke omstandigheden in het laatmiddeleeuwse Europa. We kunnen hier niet ingaan op die historische oorsprong, maar houden het bij de vaststelling dat de angst om te kort te komen het overwinnen van schaarste tot een dominant cultureel leidmotief maakte. Dat legitimeerde de accumulatie van kapitaal en gaf zo vorm gaf aan een nieuwe economische orde, door Hans Achterhuis "het rijk van de schaarste" genoemd. Het is een orde die vraagt dat we spaarzaam zijn om te kunnen investeren in de toekomst, dat we daartoe immer ijverig zijn en bijvoorbeeld later op pensioen gaan. Maar anderzijds vraagt die ook om te consumeren wanneer we vrij zijn, te spenderen om de groeimachine aan de praat te houden. En daaruit zouden we dan de zin van ons leven moeten putten. Geen wonder dat mensen ziek worden van stress.

Er lijkt dus iets fundamenteel mis met het gangbare begrip van economie. En het argument dat er toch groei nodig is voor 'ontwikkeling' ten bate van mensen die nog niet aan de bevrediging van hun basisbehoeften toekomen, is daarom een valkuil. De idee dat er eerst groei moet zijn, schuift die bevrediging immers voortdurend vooruit naar de toekomst, terwijl er vandaag nieuwe ongelijkheden gecreëerd worden. Ontgroei formuleert een alternatief dat direct (her)verdelend werkt, daarbij het leefmilieu spaart en ruimte laat voor zingevende activiteiten.

Vraag om matiging

Voorbij het louter economische denken, mikt Ontgroei daarom op een nieuw cultureel paradigma met overvloed in plaats van schaarste als uitgangspunt. Vanuit een ecologisch standpunt lijkt dat wellicht paradoxaal, omdat de dreiging van een mogelijke catastrofe wanneer de ecologische voetafdruk niet kleiner wordt, eerder om matiging vraagt. Dergelijk denken blijft echter binnen het schaarstekader wanneer overvloed onmiddellijk begrepen wordt als consumptie van marktgoederen. Een sleutel om uit de verwarring te geraken is te zien dat de moderniteit zijn schaarsteprobleem probeerde op te lossen via een proces van individualisering. Elk individu moet voor zichzelf proberen zijn behoeften te voldoen. En omwille van de vooropgezette schaarste creëert dat een competitie met winnaars en verliezers. Net in die competitie toont schaarste zich als een sociaal geconstrueerd fenomeen, met groei als een remedie om reële schaarste en daarmee uit de hand lopende maatschappelijke conflicten te voorkomen . Maar zoals gezegd, is het paradoxale effect het produceren van problemen die we als reële schaarste kunnen begrijpen.

Ontgroeien is een manier om het over een wezenlijk andere boeg te gooien. "Het rijk van betekenis begint, waar het rijk van de noodzaak eindigt", zo stellen de redacteurs van Ontgroei. Het komt er op aan grenzen te stellen aan het opslokken van steeds meer levensdomeinen door het rijk van de schaarste, en de zoektocht naar zin uit de paradox van de groei te halen. 'In je eentje betekenis vinden is een illusie die leidt tot ecologisch schadelijke en sociaal onrechtvaardige uitkomsten, omdat ze niet voor iedereen kunnen worden volgehouden.' Uit dat inzicht volgt een dubbele perspectiefverschuiving. Die is allereerst cultureel, maar legt wel de basis voor een andere economische oriëntatie.

Maatschappelijk overschot

In de plaats van een heilloze consumptiemaatschappij, die eigenlijk neerkomt op een veralgemening en privatisering van luxe, komt de erkenning dat het leven van het individu noodzakelijk door soberheid gekenmerkt zal worden. Maar wanneer mensen met elkaar delen en samenwerken in plaats van elkaar te beconcurreren, dan kan aan ieders behoeften voldaan worden. Bovendien zal daarmee onze energie, onze werkkracht als samenleving, niet opgebruikt zijn. Iedere samenleving moet daarom beslissen wat ze met haar overschot doet. Zo bouwden de middeleeuwers hun kathedralen. En heel wat culturen kennen vormen van collectieve verspilling onder de vorm van grote feestelijkheden. Het gaat om vormen van collectieve zingeving binnen de publieke sfeer. Vandaag gaat het maatschappelijk overschot echter op in geprivatiseerde verspilling en daaraan gekoppelde accumulatie van kapitaal.

Het dubbele voorstel van Ontgroei is soberheid in de private sfeer en zingevende verspilling - 'dépense' genoemd - in de publieke sfeer (bijv. cultuur, kunst, feesten...). Die verspilling van het maatschappelijk overschot is een bewuste rem op voortdurende investeringen in functie van een steeds verdergaande accumulatie van kapitaal. Wat zo gewonnen wordt is een publieke ruimte die individuen en hun gemeenschappen in staat stelt om een bloeiend leven te leiden. In allerlei nieuwe burgerinitiatieven ervaren mensen vandaag al wat dat betekent.

Deze tekst verscheen op 16 augustus 2017 als Oikos-bijdrage voor Knack.

Published in Opinie
donderdag, 02 april 2015 10:58

Een wereld zonder groei

Is een wereld zonder economische groei realiseerbaar? Hoe vervangen we onze groei-economie, die de grenzen van mens en planeet overschrijdt, door een balanseconomie die in evenwicht is met wat mensen en natuur kunnen dragen? Federico Demaria is een van de schrijvers van het boek ‘Degrowth: a vocabulary for a new era’, waarin hij op zoek gaat naar een wereld die niet focust op groei.

Wat betekent degrowth?

Demaria: “Degrowth stelt de vraag hoe we kunnen leven in een maatschappij die beter en duurzamer is. Het is een voorstel voor een andere samenleving. We willen de focus verleggen naar een samenleving die aspecten zoals jobs, ecologie, sociale rechtvaardigheid en genderverhoudingen centraal zet en breekt met de dominante economische cultuur van groei.”

Degrowth is een krachtige term omdat het in staat is om verschillende aspecten met elkaar te verbinden. Het linkt ecologie, sociale rechtvaardigheid, de creatie van jobs,… aan elkaar. Het wil een samenleving creëren waarin onder andere het ‘minderen’ centraal staat. Minderen in de zin van het verlichten van onze impact op de natuur. Maar ‘minderen’ is niet het centrale doel, want door de economische crisis hebben mensen al veel minder.”

Vanwaar de kritiek op economische groei?

Demaria: “Er is een obsessie voor economische groei. Iedereen, ook de politieke partijen, is het erover eens dat er economische groei moet zijn. Ik ben eerder achterdochtig als iedereen het eens is over iets, dan denk ik dat er iets fout is. Onderzoek toont dat economische groei niet per se wenselijk is: het verhoogt het geluksniveau niet, het vermindert de ongelijkheid niet en vanuit ecologisch standpunt is het niet ecologisch. We kunnen duidelijk zien dat wanneer we economische groei hebben, de ecologische toestand erop achteruit gaat.”

“We zien ook dat groei zijn grenzen bereikt heeft. We moeten het BBP vergeten en hetgeen belangrijk is voor ons centraal stellen: sociale rechtvaardigheid, een duurzaam milieu, het welzijn van de mensen, jobs creëren voor de jeugd, kansen geven aan mensen,… Als dat belangrijke factoren zijn, dan moeten we die in het centrum plaatsen van het beleid en het politieke debat en ons daarop focussen.”

“We moeten stoppen met economie in het centrum te zetten van onze debatten. We praten alleen nog maar over inflatie, financiële onafhankelijkheid en groei. We praten niet over hoe mensen zich voelen, over de natuur en onze band met de natuur en over wat er aan het gebeuren is met het milieu.”

Is dit de lancering van degrowth?

Demaria: “Het begrip degrowth is niet nieuw. Het is ontstaan uit een evolutie van concepten, ideeën en bewegingen. We zien de term niet enkel verschijnen in de academische wereld, maar ook meer en meer in sociale bewegingen en in het politieke landschap.”

Degrowth is een begrip dat al langer gekend is, vooral sinds de jaren zeventig in de debatten met Sicco Mansholt en André Gorz. In 2001 is de term degrowth opnieuw gelanceerd in Frankrijk. Met als gevolg dat het zich verder aan het verspreiden is in Zuid-Europa. Ondertussen zijn er ook internationale conferenties geweest in Parijs, Barcelona, Montréal, Venetië, Leipzig en in 2016 in Boedapest. We zien dus dat de beweging aan het groeien is. Bijna in elk Europees land, maar ook daarbuiten, is het begrip gekend. In Latijns-Amerika praten ze over ‘buen vivir’, in India over de radicale ecologische democratie, maar ook in Amerika in Australië komt het aan bod. Het wordt een echt internationaal debat.

Wat kunnen we verwachten van dit boek?

Demaria: “Het boek is uitgegeven door Giacomo D’Alisa, Giorgos Kallis en mezelf. Ons idee was om degrowth voor te stellen als een woordenschat met kernbegrippen. Het is dus een heel luchtig en toegankelijk boek. In 50 hoofdstukken delen toponderzoekers en experten hun kennis. We zijn het debat over degrowth nog volop aan het voeren. Enerzijds komt de kritiek op groei aan bod, anderzijds geeft het boek voorstellen voor de weg die we willen inslaan.”

Hoe zou je jongeren overtuigen van het concept degrowth?

Demaria: “Als je tegen jongeren zegt: ‘Laten we gaan voor duurzame ontwikkeling!’, dan is dat niet echt een manier om hen te overtuigen van het concept. We moeten dus nadenken over een begrip dat mensen kan mobiliseren, waarmee mensen zich kunnen identificeren. Ik ben ervan overtuigd dat degrowth die kracht heeft. Ik denk dat jongeren in een wereld van degrowth zouden kunnen bloeien in hun leven. Ik denk zelfs beter in een context van degrowth dan in een wereld gefocust op groei, want die onderdrukt hun kansen.”

“De vraag die we ons moeten stellen is: ‘Waar willen jongeren naartoe? Hoe zien zij hun toekomst?’. De Indignados-beweging in Spanje had een slogan: ‘We hebben geen huis en we zullen er nooit één hebben. We hebben geen job, dus hebben we geen toekomst. Dat betekent dat we onze angsten verloren hebben’. We zouden hun denken moeten volgen. We moeten de angst loslaten om het weinige dat we hebben te verliezen, en de kansen grijpen om een meer ambitieuze en utopische samenleving te creëren.”

Federico Demaria is een van de sprekers op Ecopolis op 26 april. In het debat ‘balanseconomie’ gaat hij in gesprek met Rachida Aziz, activiste en mode-ontwerpster begaan met ethische mode; en met moraalfilosofe Tinneke Beeckman, schrijfster van ‘Door Spinoza’s lens’. Ook Camille Dejardin zal zich voegen bij het debat. Zij is schrijfster van ‘Etat Stationnaire: de la hantise à l’urgence’, waarin ze de mogelijkheid van een economie zonder groei onder de loep neemt.

Meer info op www.ecopolis.be - Facebook - Twitter

Scroll naar beneden om het interview te bekijken.

 

 

 

Published in Boek

Doneer

Wil je Oikos steunen als onafhankelijk platform? Dan kan door een bijdrage – groot of klein - te storten op BE29 0015 9877 0164 (BIC: GEBA BE BB) van Oikos vzw.

Over Oikos

Oikos wil een toonaangevend forum zijn voor de sociaal-ecologische tegenstroom. Oikos vertrekt vanuit de analyse dat het gangbare economische model ecologisch niet duurzaam is, en dat de emancipatie van velen in onze samenleving en de wereld nog lang niet voltooid is. Oikos behandelt alle dimensies van dit streven naar verandering: de onderliggende ethiek, de analyse van de bestaande toestand, de ontwikkeling van alternatieven en de politieke strategie.

Gratis proefnummer

Wil je graag een gratis proefnummer ontvangen van Oikos? Dat kan! Vul op deze pagina jouw gegevens in en wij sturen jou het laatste Oikos nummer als gratis proefnummer op.