logo

vrijdag, 14 november 2008 00:00

Onbehagen omtrent het groeidebat

Written by
Rate this item
(0 votes)
Als niet-econoom ben ik geïntrigeerd door de vraag of verdere economische groei ecologisch verantwoord is. Graag zou ik er met economen meer over willen discussiëren. Ik zit echter ook met onbehagen. Het groeidebat wordt te weinig in politieke termen gevoerd. Het moet veel meer ‘gepolitiseerd' worden. Dat houdt in dat het debat gesitueerd wordt binnen de politieke krachtsverhoudingen, dat de verschillende politieke discours terzake worden blootgelegd, en dat vooral de politiek-maatschappelijke consequenties van groei, stagnatie of krimp onder ogen worden gezien. Het groeidebat gaat om veel meer dan een theoretische, vrijblijvende denkoefening. Ten gronde heb ik geen goed oog in een combinatie van ecologische duurzaamheid en verdere economische groei in de rijke landen. Voornaamste bouwstenen van mijn redenering zijn de onophoudende stroom van wetenschappelijke rapporten over de toestand van de planeet en wat nog te verwachten valt, het feit dat politiek en publieke opinie dit al decennia weten en er blijkbaar niet in slagen het tij te keren, de oorverdovende politiek-maatschappelijke consensus die stelt dat de economie van de rijke landen continu moet blijven groeien (wat neerkomt op een verveelvoudiging van de productie van goederen en diensten tegen het eind van deze eeuw) en het algemeen aanvaarde principe dat de hele wereldbevolking van een dergelijke levensstandaard zou moeten kunnen genieten. Daar moeten we het toch even over hebben.  

Combinatie van groei en duurzaamheid

Om te beginnen zouden de implicaties van het groeidiscours door groene bewegingen en partijen veel duidelijker moeten worden gemaakt. De essentie van het probleem is eenvoudig. Alle regeringen en internationale organisaties zoals de Europese Commissie, het IMF, de OESO, enzovoort  pleiten voor verdere economische groei in de rijke landen. Met groei bedoelt men groei van het Bruto Binnenlands Product (BBP) - dit betekent dat elk jaar meer goederen en diensten moeten worden geproduceerd. Zelfs met een bescheiden jaarlijkse groei van 1 à 2 % zal de economie van de rijke landen op enkele decennia tijd gewoon verdubbelen en verdriedubbelen. Tegenover deze productie staat een zekere levensstandaard, die in principe aan alle wereldbewoners zou moeten worden gegund. Het is ethisch totaal onverantwoord de overgrote meerderheid van de wereldbevolking van deze welvaart uit te sluiten. Maar op dat ogenblik is er nog altijd maar één Aarde, en geen drie of vier. Tegelijkertijd hebben diezelfde rijke landen de ambitie hun uitstoot van broeikasgassen tegen 2050 met pakweg 60% of meer te reduceren ten opzichte van 1990. Wat ze tot nu toe op dat vlak al gepresteerd hebben, is niet zo bemoedigend. Het is ook duidelijk dat het verbruik van materialen en van energie zeer drastisch naar omlaag zal moeten.

De meeste politici en economen gaan ervan uit dat deze krachttoer - het BBP opdrijven én de milieudruk verminderen - mogelijk is via nieuwe technologie en (een klein beetje) gedragswijziging. (Heeft er iemand bijvoorbeeld ooit al een politicus van een traditionele partij principieel horen pleiten voor veel minder vliegreizen of veel minder vlees eten?) Wij hebben alle redenen om eraan te twijfelen dat die combinatie mogelijk is. De nodige milieu-ingrepen blijken in de huidige economie al bijzonder moeilijk; hoe moet dat in een economie die verdubbeld of een aantal jaren later verdriedubbeld is? Sommigen hopen vooral op groei in hooggewaardeerde diensten, die minder vervuilend zouden zijn. Maar wie garandeert dat de extra koopkracht die deze diensten genereren, niet aan milieubelastende activiteiten wordt uitgegeven? Bovendien brengen tal van dienstensectoren sowieso milieubelastende activiteiten op gang (bv. kantoren, mobiliteit).

Wie moet wat bewijzen?

De bewijslast ligt zeer duidelijk bij al degenen die voorhouden dat deze combinatie zonder al te veel offers op vlak van levensstijl en vrijheid wel in orde komt. Zíj moeten in de eerste plaats aantonen dat de mensheid dit onwaarschijnlijke huzarenstukje tot een goed einde kan brengen - wetende dat Afrika op dit ogenblik door de klimaatverandering reeds aan het uitdrogen is. De meest rationele hypothese is dat dit niet kan. De ernst van de milieucrisis is al decennialang voldoende bekend bij de politieke en economische elites, maar de tergend langzame transitie naar een duurzamer model - voor zover we van een transitie kunnen spreken gelet op de verslechtering van allerlei indicatoren zoals klimaat en biodiversiteit! - doet reusachtige twijfels rijzen over de haalbaarheid. Omwille van deze kritiek kreeg ik in een debat ooit de term ‘cultuurpessimist' opgespeld, maar op een ogenblik dat de milieucrisis reeds aardig uit de hand loopt, kom je mijns inziens niet weg met een optimistisch gefilosofeer over de mens die het later allemaal wel zal oplossen. De vraag is ook of het getuigt van een wetenschappelijke attitude als men deze fundamentele vraag niet van deftige antwoorden wil voorzien, maar zich eerder verstopt achter optimistische dooddoeners of de kwestie gewoon van de (onderzoeks)agenda houdt. Kortom, het ‘hegemonische blok' (d.i. de sociale groepen die politiek en ideologisch de leiding hebben), dat ecologisch duurzame BBP-groei ambieert, had op dit ogenblik al meer resultaten inzake ecologische transitie moeten kunnen voorleggen om geloofwaardig te zijn.

De vrijheid van de burger wordt bedreigd

Als ecologische duurzaamheid combineren met een verdere groei in het Noorden én wereldwijde veralgemening van de bijhorende levensstandaard toch haalbaar zou zijn, dan vergt dit onvoorstelbare politiek-economische en maatschappelijke hervormingen op wereldvlak. Vooreerst zal voor deze economische groei keihard gewerkt moeten worden - we zijn nog niet meteen bevrijd van werkdruk en stress. Daarnaast zal verregaande staatsinterventie nodig zijn om productie en consumptie heel strikt en tijdig in duurzame banen te leiden. Een grootscheepse energie- en transportrevolutie zal ook niet mogelijk zijn zonder zware overheidsinvesteringen in onderzoek en ontwikkeling, openbaar vervoer, enzovoort. Hierbij moet ook steun aan de ecologische transitie van het Zuiden met inbegrip van de opkomende economieën worden gevoegd. Daar staan overal duizelingwekkende budgettaire en dus fiscale consequenties tegenover. Sterke overheden zullen hard nodig zijn, omdat van een mentaliteitswijziging bij de bevolking ook niet al te veel mag worden verwacht.

Dergelijke veranderingen zijn sowieso nodig, maar in een economie die verveelvoudigd wordt, dreigen deze ingrepen onleefbare en onmenselijke proporties aan te nemen. Je moet daarbij denken aan een soort ‘eco-stalinisme', waarin de overheid met doorgedreven geboden, verboden en taksen aan de mensen gedetailleerd oplegt wat nog kan en wat niet. Een andere, misschien meer plausibele mogelijkheid is een rechts, Pinochet-achtig terreurbewind, waarin alleen de rijken nog naar hartenlust kunnen consumeren, en de massa armen met harde repressie tot een ‘ecologisch duurzame' levensstijl wordt veroordeeld, omdat er gewoon te weinig milieugebruiksruimte is. Duurzaamheid, groei én vrijheid combineren: dat wordt volgens mij van het goede te veel, om niet te zeggen de weg naar slavernij (The Road to Serfdom), zoals de ultraliberale filosoof Friedrich von Hayek zijn bekende boek doopte. Een consequentie hierbij is dat de erg grote vrijheid die mensen vandaag nemen ten aanzien van het ecosysteem, de vrijheid van mensen in de toekomst op een bangelijke manier zal beperken. Dit zou dus ook liberalen moeten alarmeren. Toegegeven, dit klinkt science fiction, maar door het hedendaagse falen waar we niet naast kunnen kijken, komt het ‘duurzame groei'-model bij mij nét zo waanzinnig over.

‘Inconvenient truth' terug ‘convenient'

De discrepantie tussen de talloze alarmerende rapporten van de VN en vele andere instanties over verscheidene aspecten van de mondiale milieucrisis, en de dagelijkse attitude van politiek, bedrijfsleven en publieke opinie wordt steeds groter. Ofwel zijn de eersten onbekwaam, ofwel zijn de laatsten onverantwoordelijk - dit moet maar eens uitgeklaard worden. Alsof men nog nooit van klimaatverandering gehoord heeft, blijft de auto in Vlaamse binnensteden heer en meester, en ageren beleidspartijen voor meer parkings, meer wegen, grotere havens en luchthavens. Hooguit met mondjesmaat krijgen openbaar vervoer en fiets meer capaciteit en ruimte. Is dit dan de transportrevolutie die nodig is om de klimaatcrisis te keren? Het debat vergt gewoon meer politieke strijd, een andere politieke taal, want te veel burgers in rijke landen hebben het gevoel in een samenleving te leven die de klimaat- en milieucrisis ernstig neemt, quod non. Door het overdreven technologisch vooruitgangsoptimisme en de vele kleine maatregelen die als ecologische trendbreuken worden voorgesteld, is de inconvenient truth van Al Gore terug convenient geworden, en wordt nauwelijks een kritische vraag gesteld bij de doelstelling om in de rijke landen de productie van goederen en diensten de komende decennia te verveelvoudigen. Ook heel veel progressieve mensen verkeren in deze virtuele gedachtewereld. Deze wordt ingeboezemd door allerlei hallucinogene praatjes die voorspiegelen dat groene idealen perfect te combineren zijn met een paar vliegreizen per jaar (waar in principe ook alle Chinezen, Indiërs, Afrikanen, enzovoort, recht op hebben). Deze visie wordt verpakt als ‘verstandig' of ‘pragmatisch' milieubeleid, in tegenstelling tot ‘emotioneel' of ‘ideologisch' milieubeleid. Ondertussen worden nu reeds oorlogen gevoerd en mensenrechten geschonden omwille van energie en andere grondstoffen.

Academici en milieubeweging verzaken aan historische rol

Het is problematisch dat over deze fundamentele vraagstukken zo weinig publiek debat wordt gevoerd. Kijk naar de opiniepagina's in de kranten en de duidingsmagazines. De milieucrisis zelf komt weliswaar aan bod, maar niet het groeidebat. Ook de academische wereld schiet tekort. Deze sector, enkele uitzonderingen en waardevolle initiatieven niet te na gesproken (denk aan de ‘Verklaring van Tilburg'), brengt hierover te weinig discussie op gang. Toegegeven, de vele alarmerende rapporten van internationale organisaties en onderzoeksinstituten hebben we aan wetenschappers te danken, maar de meesten onder hen zijn er als de dood voor hun boodschappen in een bredere maatschappelijke context te plaatsen (waar de groeidwang een onderdeel van is), laat staan op enigerlei wijze te politiseren (door bijvoorbeeld expliciet en heel concreet partij te kiezen voor een bepaald beleid en tegen een ander). Op die manier legt een sociale groep, die in principe van een grote onafhankelijkheid geniet en in het verleden al vaak een belangrijke rol gespeeld heeft in maatschappelijk verzet en verandering, zichzelf voor een stuk het zwijgen op. Zodoende komen bepaalde politieke en economische elites met boter op het hoofd heel goed weg. Zoals beelden van kinderen in Darfoer of Congo mentaal gemakkelijk weggeklasseerd kunnen worden zodat ze niet tot doortastende koerswijzigingen leiden, kan dat blijkbaar ook met de rampscenario's omtrent klimaatverandering en ontbossing. De erg a-politieke manier waarop deze informatie gebracht wordt, waarbij verantwoordelijkheden zeer onduidelijk of zelfs helemaal niet concreet worden gelegd, is een deel van de oorzaak.

Het is ten slotte ook bedenkelijk dat maar een klein deeltje van de ecologische beweging dit debat durft aan te gaan. Deze beweging verzaakt op die manier aan haar historische rol. Ze brengt sterk moraliserende boodschappen, maar gaat meer concrete politieke vragen uit de weg. Ze gaat te gretig in zee met regeringen die een heel klein beetje progressiever zijn dan andere, om zodoende enkele millimeters vooruitgang te boeken. Zo krijgen de achterban en het publiek de indruk dat het vooral om die millimeters gaat (denk aan al het getouwtrek omtrent de correcte uitvoering van het fameuze Kyotoprotocol, dat maar een druppel op een hete plaat is en in 2012 teneinde loopt). Stevige politieke druk blijft te vaak achterwege. Op die manier haalt de beweging zelf de echt belangrijke strijd een pak wind uit de zeilen. De critici van economische groei blijven ondertussen een marginale stroming vertegenwoordigen. Het is evenwel aan het middenveld, dat niet deelneemt aan verkiezingen, om met vernieuwende, radicale en tegenhegemonische standpunten het pad te effenen voor politieke partijen en regeringen, die doorgaans minder durf hebben om als eerste tegen de stroom in te gaan.

De ‘inconvenient truth' over alternatieve indicatoren voor groei

Maar de economische groei in vraag stellen, is dan weer politiek en maatschappelijk gezien verre van evident. Elites en publieke opinie hebben zich in een dogmatisch standpunt genesteld, juist omdat uit de groeidwang stappen het leven van velen ernstig door elkaar kan schudden of zelfs ontwrichten. De vraag is in welke mate radicalere ecologisten hierover ten gronde hebben nagedacht. Een aantal hebben dat zeker gedaan, een grote groep anderen is zich wellicht niet volledig bewust van de consequenties van de eigen voorstellen. In groene kringen is het momenteel bon ton te pleiten voor een alternatieve indicator van groei, zoals de ‘index for sustainable economic welfare' (ISEW). De kritiek op het BBP als indicator is dat allerlei onwenselijke activiteiten (zoals ziektekosten als gevolg van milieuvervuiling of het opkuisen van een olieramp) gewoon bij de groei worden opgeteld, en dat kan niet de bedoeling zijn van een indicator die we willen laten groeien. In feite zou men vooral de groei van het geluk van de mensen moeten berekenen, maar de vraag is in welke mate je dan nog met een economische indicator te maken hebt. Op zich ben ik het idee van alternatieve indicatoren erg genegen, maar de politieke discussie mag daar niet ophouden. Je lost het basisprobleem niet op door gewoon het BBP door een andere meter te vervangen.

Om te beginnen bestaat tussen beide wel degelijk een relatie, die het verdient geëxpliciteerd te worden. Blijvende BBP-groei zal met name groei in de alternatieve indicatoren nagenoeg onmogelijk maken. Gewoon zeggen dat men voor een ‘ander meetinstrument' is, maskeert enigszins de vaststelling dat BBP-groei op zich enorm problematisch is. Anders gezegd, het BBP is niet alleen een slechte indicator om het menselijke geluk en rechtvaardigheid te meten, BBP-groei in de rijke landen als zodanig is ook slecht. Wil je alternatieve groei genereren, dan moet het BBP naar omlaag. Bovendien is het in rijke landen zo dat een alternatieve milieubewuste indicator, als het veeleer een economische dan een ‘geluksindicator' betreft, laten groeien op zich ook al erg moeilijk, zoniet onmogelijk zal zijn. Aan deze realiteit zijn wel bepaalde consequenties verbonden, en ik heb soms de indruk dat voorstanders van alternatieve indicatoren om deze hete brij lopen. Een eerste punt is dat velen het erg moeilijk hebben om van economische groei afscheid te nemen.

BBP-groei verzacht sociale conflicten

De klassieke BBP-groei voortzetten is dus onverantwoord, maar is er wel een alternatief? De groeidwang zit in veel (moderne) mensen ingebakken, maar ik ga er niet van uit dat dit vanaf een bepaald niveau van welstand een onveranderlijke oerkracht is. Materialisme is vanaf een zeker punt ‘sociaal geconstrueerd', om niet te zeggen ingelepeld of aangepraat. In principe kunnen andere levensdoelen in de toekomst populairder worden. Veel lastiger zijn enkele economische wetmatigheden binnen het kapitalisme. Om te beginnen moeten bedrijven groeien, om voldoende kapitaal te kunnen blijven inzetten voor investeringen en innovatie, wat nodig is om de concurrentiestrijd te overleven. Ook aandeelhouders eisen normaal gezien dat bedrijven groeien. Anders verkopen ze de aandelen en keldert de beurskoers, en/of sturen ze de managers naar huis. Maar de groeidwang is om nog een andere reden moeilijk weg te denken. De groei lost namelijk allerlei sociaal-economische conflicten op. De productiviteitsverbetering in de economie, onder meer door automatisering, zet jaarlijks heel wat mensen op straat. Een groeiende economie met nieuwe jobs kan deze werkloosheid voor een stuk absorberen. Maar ook in de verzorgingsstaat zijn er meer en meer noden. Er is de vergrijzing, er is de duurdere gezondheidszorg, er zijn de eisen van mensen met een handicap, er is de vraag naar meer tussenkomst in niet-medische verzorging, enzovoort. Daarnaast wil de overheid investeren in meer openbaar vervoer, beter onderwijs, meer veiligheid, ja zelfs, meer ontwikkelingshulp. Al dit geld moet ergens vandaag komen. Net dankzij de BBP-groei hoeven de middenklasse en de rijken voor dit alles niet extra belast te worden. Hun fiscale druk kan gelijk blijven en zelfs verminderen, terwijl de overheid in absolute cijfers toch jaar na jaar meer miljarden kan binnenrijven.

Consuminderen zonder meer leidt tot sociale catastrofe

‘Consuminderen', bepleiten radicale ecologisten, maar wat betekent dat in een kapitalistische economie als de onze? In feite komt consuminderen qua effecten goed overeen met een afname van het consumentenvertrouwen. Als consuminderen succesvol wordt, kan er zelfs een krimp van de economie optreden. Dan zijn we qua ecologische duurzaamheid alvast op de goede weg. Een dergelijke krimp heeft gedurende enkele jaren al eens plaatsgevonden in een aantal landen. Dat was onder meer het geval tijdens de wereldwijde crisis van de jaren 1970. Deze crisis was overigens mede veroorzaakt door een tijdelijke verzadiging van de markt; in de toenmalige consumptiemaatschappij had iedereen op een bepaald ogenblik zijn auto, TV en koelkast, en was het voor een tijdje welletjes. De ‘vervangingsvraag' is een minder sterke motor voor economische groei dan de uitbouw van een consumptiemaatschappij na eeuwen van armoede en twee grote wereldoorlogen. Omdat er tijdens de crisis minder geconsumeerd werd, ging toen wel het ene bedrijf na het andere over de kop, en werden een massa werknemers afgedankt. Consuminderen zonder meer betekent dus een sociaal-economische ramp.

Zonder economische groei zal er met andere woorden veel meer werk en inkomen herverdeeld moeten worden, en dan krijgen we gigantische politieke conflicten, waarbij het allerminst duidelijk is wie het zal halen. Merk op dat het BBP in principe net hetzelfde is als het ‘nationaal inkomen'. Met deze vaststelling komen we in erg fundamentele sociaal-economische discussies terecht, over doorgedreven arbeidsduurvermindering en een herverdelende fiscaliteit. Dit roept allerlei meer concrete vragen op. Kan dit zonder radicaal te kiezen voor collectieve vormen van arbeidsduurverkorting? Is er in zo'n scenario bijvoorbeeld ruimte voor belastingverlaging voor midden- en hoge klasse, wetende dat vandaag geen enkele partij principieel voor belastingverhoging pleit? Moet ‘rijkdombestrijding' niet nadrukkelijk op de agenda? Ik hoop van harte dat er veel overblijft van de vrijemarkteconomie, maar we zullen toch een actievere overheid nodig hebben dan we de laatste 25 jaar gekend hebben. De jongste tijd heb ik vaak de indruk dat groene pleidooien voor ‘andere groei' deze fundamentele vragen uit de weg gaan. Anders gaan groeien zonder meer, dreigt tot een sociaal-economische catastrofe te leiden; in die zin is het een contradictio in terminis. Want hoe meer er geconsuminderd wordt, hoe moeilijker alternatieve economische indicatoren de hoogte in kunnen gaan; massale afdankingen zijn immers minposten. Ook op hun manier leven misschien veel groenen in een naïeve, virtuele wereld.

Mijn conclusie is dat klassieke BBP-groei geen geloofwaardig project is, tenzij de voorstanders het tegendeel bewijzen en in het beleid eindelijk voldoende aanwijzingen geven dat er muziek in zit. Daarnaast is ook alternatieve indicatoren laten groeien een verhaal van limieten. In dit essay werd - gemakshalve - evenwel niet aangegeven hoe het problematiseren van groei in aantrekkelijke politieke discours en werkbare programma's kan gegoten worden. Onder meer ontzettend moeilijke sociaal-economische kwesties over herverdeling in binnenlands en internationaal perspectief zullen een plaats moeten krijgen. Dat zijn de dringende discussies, en hier en daar zijn mensen er al mee bezig. Misschien was ik in deze bijdrage toch te sceptisch, te pessimistisch, te cynisch. Maar als politicoloog weet ik alvast dat mensen en hele maatschappijen omwille van conservatisme, kortzichtig eigenbelang, electoralisme en angst om tegen de stroom in te gaan, bewust én onbewust allerhande politieke en psychologische mechanismen uit de kast halen om de wetenschappelijk aantoonbare werkelijkheid weg te moffelen en niet meer te moeten zien. Het hegemonische, om niet te zeggen totalitaire karakter van een bepaald denkkader, is absoluut geen garantie voor wetenschappelijke geldigheid. Vandaar dat het groeidebat mij enig onbehagen bezorgt.

Dries Lesage, politicoloog aan de UGent en redactielid van Oikos

Gent, 11 november 2008

Read 6793 times Last modified on zaterdag, 12 december 2015 12:16

Latest from Dries Lesage

Doneer

Wil je Oikos steunen als onafhankelijk platform? Dan kan door een bijdrage – groot of klein - te storten op BE29 0015 9877 0164 (BIC: GEBA BE BB) van Oikos vzw.

Over Oikos

Oikos wil een toonaangevend forum zijn voor de sociaal-ecologische tegenstroom. Oikos vertrekt vanuit de analyse dat het gangbare economische model ecologisch niet duurzaam is, en dat de emancipatie van velen in onze samenleving en de wereld nog lang niet voltooid is. Oikos behandelt alle dimensies van dit streven naar verandering: de onderliggende ethiek, de analyse van de bestaande toestand, de ontwikkeling van alternatieven en de politieke strategie.

Gratis proefnummer

Wil je graag een gratis proefnummer ontvangen van Oikos? Dat kan! Vul op deze pagina jouw gegevens in en wij sturen jou het laatste Oikos nummer als gratis proefnummer op.