en

Winkelwagen leeg

Denktank voor Sociaal-Ecologische Verandering

Milieu en Natuur

Milieu en Natuur (19)

'De nertsencrisis is de zoveelste crisis van de industriële dierlijke productie'

19 november 2020 by Milieu en Natuur 82 Views
Myriam Dumortier

Written by

'De nertsencrisis is de zoveelste crisis van de industriële dierlijke productie'


'De verspreiding van ziekten via verwilderde pelsdieren is niet nieuw', schrijft Myriam Dumortier (UGent) nu op verschillende plaatsen in de wereld nertsen opgeruimd moeten worden na problemen met het coronavirus.


Denemarken heeft het leger ingezet om meer dan 15 miljoen nertsen op te ruimen. De alarmbel ging af na de ontdekking van een gemuteerd SARS-CoV-2-virus, met eigenschappen die de werking van een toekomstig vaccin zouden kunnen schaden. In Denemarken is in ruim 200 van de 1500 pelsdierfokkerijen Covid-19 uitgebroken. In zeker vijf fokkerijen is het gemuteerde virus aangetroffen en minstens 12 mensen werden ermee besmet.

 Denemarken is de tweede grootste bontproducent ter wereld, gekend om de exclusieve kwaliteit van zijn pelzen. Er worden jaarlijks meer dan 17 miljoen pelsdieren gevild, de grote meerderheid daarvan nertsen. Het huidige risico wordt dermate ernstig ingeschat, dat het land overging tot de draconische maatregel om al zijn nertsen te vernietigen. De ravage is enorm.

Covid-19 uitbraken in pelsdierfokkerijen zijn niet nieuw

Dat pelsdierfokkerijen met Covid-19 worstelen is niet nieuw. Sinds de eerste besmettingen in Nederlandse fokkerijen in april van dit jaar, werden ook daar al ruim twee miljoen nertsen opgeruimd. Nederland leverde de eerste bevestiging dat het virus niet alleen van mensen op nertsen, maar ook van nertsen op mensen wordt overgedragen. De Nederlandse overheid, die eerder al om ethische redenen besliste zijn pelsdierfokkerijen tegen 2024 te sluiten, vervroegde deze einddatum ondertussen naar 1 maart 2021. Dit wil zeggen dat de huidige dieren nog gevild worden en daarna de productie wordt stilgelegd.

Ook andere landen werden getroffen. In juli leidde een Covid-19 uitbraak in een Spaanse fokkerij tot de vernietiging van 100.000 nertsen. In augustus kregen ook fokkerijen in de Verenigde Staten met Covid-19 af te rekenen. Later volgden ook Italiaanse en Zweedse bedrijven. De acht Vlaamse pelsdierfokkerijen blijven voorlopig buiten schot. Ook bij ons werd twee jaar geleden om ethische redenen een uitdoofscenario tegen 2024 afgekondigd. Ook hier zou een vervroegde einddatum ons leed kunnen besparen.

De nummer één producent én consument van bont in de wereld is China. China zou wel 50 miljoen pelzen per jaar produceren, en daar bovenop de bulk van de Europese pelzen importeren. Om de verstrengende beperkingen in de handel van wilde dieren te ontwijken, wil China zijn pelsdieren het statuut van vee geven. Afbouw is daar duidelijk niet aan de orde. Er is voorlopig geen informatie over Covid-19 uitbraken in Chinese fokkerijen. In die fokkerijen worden ook meer dan 14 miljoen wasbeerhonden gehouden. Daarvan werd aangetoond dat ze SARS-CoV-2 kunnen overdragen zonder zelf symptomen te vertonen. Laten we hopen dat de Chinese autoriteiten dit zeer nauw opvolgen.


De verspreiding van ziekten via verwilderde pelsdieren is niet nieuw

Nertsen in fokkerijen zijn altijd Amerikaanse nertsen. Zowel de Amerikaanse nerts, de wasbeerhond, de beverrat als de muskusrat zijn naar Europa gebracht voor hun pels. Hier en daar ontsnapten exemplaren (of werden ze vrijgelaten door dierenrechtenactivisten), waarna ze verwilderden. De roofzuchtige Amerikaanse nertsen bedreigen de laatste populaties Europese nerts, die met uitsterven bedreigd is, alsook tal van kleine zoogdieren, vogels, amfibieën en vissen. Idem voor de andere ontsnapte uitheemse pelsdiersoorten. Omwille van hun negatieve impact op de biodiversiteit werden de wasbeerhond, de beverrat en de muskusrat opgenomen op de Europese lijst van verboden invasieve exoten. Ook de Amerikaanse nerts hoort thuis op deze lijst.

Ontsnapte pelsdieren zijn al langer gekend als verspreider van ziekten en parasieten. De Amerikaanse nerts verspreidt de Aleoetse nertsziekte, de wasbeerhond de rondworm Trichinella spiralis, de wasbeerhond en de muskusrat verspreiden de vossenlintworm, en de beverrat is berucht omwille van Leptospirose.

Het is zeer aannemelijk dat binnenkort SARS-CoV-2 zal opduiken bij verwilderde nertsen. De soort heeft zich bijna overal in Europa in het wild gevestigd en blijft zijn territorium uitbreiden. Op veel plaatsen, onder meer in Denemarken, worden verwilderde nertsen bejaagd of verdelgd. In Vlaanderen is de aanwezigheid van de soort voorlopig beperkt.


Het ontstaan van gevaarlijke pathogenen in industriële stallen is niet nieuw

Bioveiligheid is het toverwoord waarmee de industriële veehouderij haar superioriteit tegenover de kleinschalige veehouderij in de verf zet. De Deense pelsdiersector gaat bij uitstek prat op zijn strenge veiligheidsmaatregelen. Hoewel deze inderdaad een wereld van verschil maken, kunnen ze nooit sluitend zijn. SARS-CoV-2 maakt dit overduidelijk. Het virus tart de verbeelding door zich schijnbaar moeiteloos tussen sterk beveiligde kooien, stallen en fokkerijen te laten vervoeren. Hoe dit mogelijk is, blijft voorlopig onzeker. Besmette druppels, stofdeeltjes, veevoeder en stro behoren tot de verdachten.

 Als bij industriële veehouderij, ondanks de bioveiligheid, toch een pathogeen binnenraakt, en de besmetting kan zich verspreiden, dan is het hek van de dam. De grote aantallen, de hoge dichtheden, de geringe genetische variatie en de suboptimale gezondheid van de dieren vormen de perfecte voedingsbodem voor een supersnelle verspreiding. Hoe meer verspreiding, hoe meer mutaties, hoe reëler het risico op conversie naar risicovolle varianten. Onderzoek toonde aan dat bijna alle zeer pathogene varianten van vogelgriep in grote stallen in het globale noorden ontstonden. Bij kleinschalige veehouderij is het risico op besmetting dan wel groter, maar blijven de omvang van de uitbraak en het risico op het ontstaan van zeer pathogene varianten, beperkter.

Een vermindering van de dierlijke productie is de enige uitweg

Ook al behoren nertsen niet tot het klassieke vee, deze crisis dikt de lijst van crisissen in de industriële dierlijke productie verder aan. Industriële dierlijke productie botst op tal van limieten. De sanitaire crisissen, met momenteel naast de covid-19 uitbraken ook een zeer pathogene vogelgriep die vervaarlijk rondwaart, vormen niet het enige probleem. Alle inspanningen ten spijt raakt de mestproblematiek maar niet opgelost. En onze veestapel is dermate groot dat Zuid-Amerikaanse wouden branden om er soja voor te kunnen produceren.

 De oplossing voor al deze problemen is de vermindering van de dierlijke productie. Minder vee betekent minder consumptie van dierlijk eiwit, hetgeen ook de volksgezondheid ten goede komt. De productie van plantaardig eiwit is veel efficiënter dan de productie van dierlijk eiwit. Een verschuiving van dierlijk naar plantaardig eiwit zal helpen om de natuur meer ruimte te geven (en daarmee het risico op nieuwe zoönoses te verkleinen). Het zal ook helpen om de wereldbevolking te kunnen blijven voeden.

Let wel, dit is geen pleidooi tegen dierlijke productie an sich. Gedomesticeerd vee vormt een essentieel onderdeel van het landbouwsysteem, met mest als waardevolle grondstof. Op ecologisch vlak zijn grazende dieren van belang voor het behoud van open ecosystemen. En dierlijke eiwitten leveren een waardevolle bijdrage aan de wereldvoedselvoorziening.

De vermindering van de dierlijke productie wordt geen gemakkelijke opgave. Een cruciale voorwaarde zal zijn de boer een eerlijke prijs te betalen, zodat hij ook uit een meer kleinschalige productie een waardig inkomen kan putten. Een tweede voorwaarde zal zijn de ongelijkheid in de samenleving aan te pakken, zodat iedereen die eerlijke prijs kan betalen.

 

Dit opiniestuk verscheen eerder in Knack.

 
Read more...

Als de klimaatrealiteit de moderne verbeelding tart

21 oktober 2020 by Milieu en Natuur 156 Views
Dirk Holemans

Written by

Als de klimaatrealiteit de moderne verbeelding tart

De hittegolven, vuurhaarden, orkanen, droogtes volgen elkaar in een verbluffend tempo op. En toch raken wij met cijfers over de opwarming van de aarde niet overtuigd om er iets aan te doen. Het zijn kunst en cultuur die ons inzicht moeten geven in onze denkpatronen, zo kunnen we ze overstijgen. 

Beeld je in: je bent student, je wandelt van bij een vriend naar je kot als de lucht ineens heel donker kleurt, de wind krachtig opsteekt. Als de eerste dikke druppels vallen, kan je nog snel schuilen door over de leuning van een gelijkvloers terras te kruipen.

Wat dan gebeurt is te gek voor woorden. De lucht kleurt zwart, de wind rukt aan je kleren. Fietsen, lampenkappen, brommers en zelfs hele theekraampjes vliegen door de lucht, de straat verandert in een kolkende stroom. En even snel als het onheil opkwam, is het terug weg. Je opent je ogen terwijl het ijzig stil is en je overziet een slagveld. Bussen liggen op hun zij, brommers hangen in boomtoppen, glazen wanden liggen in splinters op de grond.

Zoveelste nieuwsberichten

We schrijven 17 maart 1978 in het noorden van de Indiase stad Delhi. Het was niet alleen de eerste keer dat een tornado deze stad trof, met meer dan dertig doden tot gevolg, maar een geheel nieuw verschijnsel voor heel de regio, voor zover de meteorologische metingen historisch aangeven.

Het was deze levensechte ervaring die de schrijver Amitav Ghosh voor het leven tekende. Want als succesvol romanschrijver - hij geraakte in ons land bekend met zijn bestseller Het Glazen Paleis - lukte het hem maar niet om deze jeugdervaring in zijn verhalen te verwerken. Want welke lezer zou nu zo’n onwaarschijnlijk verhaal appreciëren? Het is toch eigenlijk te gek voor woorden. Zelfs al is het fictie.

Is dit ook niet de verklaring waarom we enigszins vermoeid achteruit leunen bij het zoveelste nieuwsbericht over een nieuwe hittegolf, die alle metingen overtreft ‘sinds het begin van de metingen’? Of we gewoon akte nemen van het recente nieuws dat op een kwart eeuw de helft van de koralen van de Great Barrier, het grootste koraalrif ter wereld, zijn afgestorven?

En deze berichten stapelen zich op, zoals het beeldverhaal op de VRT-nieuwssite over de ‘onherstelbare schade in Siberië’: “de ondergrond, de permafrost, die miljoenen jaren bevroren was, is snel aan het smelten…. 2020 was het warmste jaar ooit in deze regio”. Misschien toch de moeite waard om het herlezen: een gebied immens groter dan België, was al bevroren toen we als mensheid nog niet bestonden, en nu gaat het snel, heel snel. Uiteraard geeft de reactie van onze de samenleving op de covid-19 golven al een inkijk in hoe slecht we op evoluties reageren die niet verlopen volgens ons normale verwachtinspatroon. Een exponentiële curve, zodat iets wat vandaag nog klein is morgen heel groot kan zijn, dat valt moeilijk te bevatten. Laat staan dat we onze drastische impact op de planeet - David Attenborough getuigt in zijn recent boek en film hoe we in de tijd van zijn leven met onze hongerige roofbouweconomie de wildernis op aarde vernietigden - juist inschatten en er voldoende snel en krachtig op reageren.

Maar net als Attenborough of Ghosh aangeven, betekent dit niet dat we bij de pakken moeten blijven zitten. Inzicht krijgen in onze dominante denkpatronen kan toelaten ze te overstijgen. In zijn non-fictiewerk The Great Derangement biedt Ghosh een heldere analyse. Hij geeft aan dat in onze moderne tijden, epische verhalen en mythes plaats moesten ruimen voor romans die geschreven werden vanuit een specifiek kader.

Het gaat nu niet om de toekomst van collectieven, maar om de levensgebeurtenissen van enkele hoofdpersonages, op een welbepaalde plek en in een welbepaalde periode, die met geuren en kleuren worden omschreven. Ze focussen op persoonlijke ontwikkelingen in relatief stabiele omgevingen.

Die romans passen binnen een omslag die verbonden is met het moderne vooruitgangsgeloof die ook tot uiting komt in geschiedenis en politiek. In plaats van uit te gaan dat er ongelooflijke veranderingen kunnen optreden, wint de opvatting sterk aan kracht dat we alles meer onder controle hebben en we het met het vooruitschrijden van de tijd bijna per definitie steeds beter zullen hebben. Een naïeve gedachte die vandaag nog altijd verkondigd wordt door schrijvers als Steven Pinker die blijven vasthouden aan een blind optimistisch vooruitgangsgeloof. En ook wetenschappelijke modellen die zich baseren op de gebeurtenissen van de voorbije periode, kunnen uiteraard moeilijk het ineenstorten van bijvoorbeeld de biodiversiteit voorspellen.

Voor Ghosh is het helder: de reden waarom we klimaatverandering eigenlijk nog steeds als ondenkbaar benaderen, is verbonden met een culturele crisis, en dus een crisis van onze verbeelding. Onze cultuur produceert specifieke verlangens, voor hippe apparaten en grote auto’s, voor alleenstaande woningen in het groen, die zo mee de natuurverslindende koolstofeconomie aandrijven.

Een snelle cabrio vinden we niet opwindend omdat we rondrijden in een metalen doos, maar omdat het in ons hoofd het beeld oproept van vrijheid, het geeft ons de illusie dat we als filmsterren met ons hoofd in de wind door een ongerept landschap zoeven.

Zoals Attenborough op het einde van zijn film en boek stelt: we hebben de wildernis vernietigd, nu moeten we ons kunnen voorstellen dat we die ook terug herstellen. En moeten we dus geen vijftien miljard bomen meer per jaar omhakken, maar gigantisch veel bossen bij creëren. Daarvoor moeten we andere verhalen vertellen, hebben we nieuwe romans, novellen en stripverhalen nodig, andere helden in langspeelfims en tv-series die andere verlangens opwekken.

Dat is net wat het culturele event Ecopolis ook dit jaar betracht, in de woorden van Ghosh: we hebben niet langer cultuur, inclusief fictie, nodig die de wereld verbeeldt zoals hij is. De verbeelding die we nodig hebben is net die over een wereld hoe hij zou kunnen zijn. Het is nu onontbeerlijk dat we ons kunnen inbeelden dat alles anders kan zijn en dat we dit ook inbrengen in het publieke debat.

Zo komen we tot de paradoxale opdracht van kunst en cultuur in onze tijd: wat we gangbaar vinden als onwaarschijnlijk voorstellen, het onwaarschijnlijke dat zich in de realiteit voltrekt presenteren als het realistische, en buiten alle kaders om nieuwe voorstellingen van het goede leven verbeelden die de huidige realiteit ombuigt in een leefbare toekomst.

 

Deze opinie verscheen op vrt.be

 

 
Read more...

Covid-19 zal opvolgers krijgen en die moeten we mijden als de pest

10 september 2020 by Milieu en Natuur 329 Views
Myriam Dumortier

Written by

Covid-19 zal opvolgers krijgen en die moeten we mijden als de pest

Willen we voorkomen dat nieuwe virussen van dier op mens overgedragen worden, dan moeten we onze manier van leven indringend aanpassen, schrijft Myriam Dumortier.

Dit opiniestuk verscheen eerder in Knack

Zoönoses zijn infectieziekten die van dier op mens worden overgedragen, zoals Covid-19. De overdracht is het resultaat van de nabijheid tussen dier en mens. Het aantal zoönoses blijft toenemen en daar is één soort voor verantwoordelijk: de mens. We zijn met steeds meer mensen, houden steeds meer vee en laten steeds minder natuur over. Van de biomassa zoogdieren op aarde is vandaag 60% vee, 36% mens en 4% wild zoogdier. Ook 's werelds vogels bestaan voor bijna drie kwart uit pluimvee. Deze hallucinante scheefgroei vergroot de nabijheid tussen mens en dier. Volgens het Global Virome Project dragen zoogdieren en vogels wel 1,7 miljoen ongeïdentificeerde virussen die een risico vormen voor de mens. De opvolging van Covid-19 dus is verzekerd.

Tijdens de tweede helft van de 20ste eeuw verdubbelde de wereldbevolking en vervijfvoudigde de consumptie van vlees. Vorig jaar overschreden we de kaap van 7,7 miljard mensen, op weg naar 10 miljard mensen tegen 2050. De toename van de per capita consumptie van dierlijk eiwit verschoof ondertussen naar Oost-Azië en in mindere mate naar Zuid-Azië en Sub-Sahara Afrika. In West-Europa groeit alleen nog de productie, om aan de groeiende vraag in Oost-Azië te voldoen. Die productie blijft groeien dankzij de 'grondloze' varkens- en kippenkweek op basis van soja uit Zuid-Amerika. Het is één van de redenen van de gigantische bosbranden aldaar. Vooral Brazilië koos resoluut voor grootschalige productie van genetisch gemanipuleerde soja, inclusief overvloedig herbicidengebruik. West-Europa blijft achter in de mest. Daarmee evolueert de wereld naar nog meer mensen, nog veel meer vee en -onvermijdelijk- nog minder wilde dieren. Er is overigens steeds meer bewijsmateriaal dat de wilde dieren die standhouden in een gedegradeerde omgeving de meeste pathogenen dragen, met ratten als schoolvoorbeeld.

De veeteelt vervult een aparte rol. Bij kleinschalige veehouderij is het risico op overdracht van pathogenen van wilde dieren naar vee groot, maar blijven uitbraken beperkt. Een pathogeen raakt pas na een aantal mutaties aangepast aan zijn nieuwe gastheer en bij een gering aantal dieren is de kans daartoe klein. Bij industriële veehouderij, met zijn strenge veiligheidsnormen, geldt net het omgekeerde. De kans op overdracht is daar klein maar kan nooit 100% worden uitgesloten. Denk aan de transporten, de ventilatie, het onderhoud, het afvalbeheer,... Indien overdracht toch plaatsvindt en het pathogeen zich kan verspreiden, dan vormen de grote aantallen, de hoge dichtheden, de geringe genetische variatie en de suboptimale gezondheid van de dieren de perfecte omgeving voor een razendsnelle verspreiding. Hoe meer verspreiding, hoe meer mutaties, hoe reëler het risico op conversie naar hoog pathogene varianten. Dergelijke conversies gebeuren vooral in grote stallen in het globale noorden. Vooral pathogenen die zich via de luchtwegen verspreiden, in het bijzonder de snel muterende RNA virussen, vormen er een risico, onder hen onder meer Influenza- en Coronavirussen.

Hoe kunnen we de risico's verkleinen?

1. Plantaardiger eten

Het is een absurde gedachte dat 60% van de zoogdieren en bijna 75% van de vogels op aarde gekweekt zijn om de mens van dierlijk eiwit te voorzien. Daarnaast dient een derde van 's werelds akkerland om er veevoeder voor te produceren. In Europa gaan 58% van het verbruikte graan en 67% van de verbruikte olie- en eiwitrijke gewassen (vooral soja) naar veevoeder. Voedselproductie via dierlijk eiwit is een weinig efficiënt proces. Het is meer dan zes keer efficiënter om plantaardige eiwitten te produceren, bijvoorbeeld via peulvruchten of quinoa, dan om dierlijke eiwitten te produceren op basis van krachtvoer.

Dit inzicht opent gigantische mogelijkheden. Mochten we de teelt van graan en olie- en eiwitrijke zaden voor veevoeder vervangen door eiwitrijke gewassen voor menselijke consumptie, dan zouden we met minder grond meer eiwitten kunnen produceren. Door de vermindering van de veestapel zou niet alleen het risico op zoönoses verkleinen, het zou ook de biodiversiteit en het klimaat ten goede komen, het zou de mestproblematiek helpen oplossen en zelfs beter zijn voor de menselijke gezondheid. Als dat geen knoert van een win-win is!

 Dit voorstel heeft uiteraard implicaties voor ons dieet. Het betekent dat we onze consumptie van dierlijke eiwitten drastisch verminderen, en in plaats daarvan veel meer plantaardige eiwitten eten. Het wil evenwel geenszins zeggen dat we met zijn allen veganist moeten worden. Er is heel veel grasland op aarde waar veeteelt de meest efficiënte en duurzame vorm van voedselproductie blijft, en ook lokale oogstresten en groen- en ruwvoer kunnen hun rol blijven spelen. Het is een hoopgevende gedachte dat we gewoon door anders te gaan eten zoveel positieve impact kunnen hebben.

2. Consuminderen

Dan is er nog de bevolkingsgroei. Het zijn vooral mensen die in extreme armoede en in grote onzekerheid leven, die veel kinderen hebben. Het klinkt paradoxaal, maar hoe minder kindersterfte, hoe geringer de bevolkingsgroei. Mensen die een goed leven leiden hebben nu eenmaal minder behoefte aan een grote kroost. We zullen de bevolkingsgroei alleen kunnen stabiliseren door ons het lot van de armsten aan te trekken. Gezien de grenzen van de planeet is dat alleen op duurzame wijze mogelijk als we in het globale noorden consuminderen.

Tijdens de Coivid-19-crisis zijn we voor het eerst op grotere schaal gaan consuminderen. Verre vliegreizen werden noodgedwongen vervangen door wandel- en fietstochten in de buurt. Steeds meer mensen zijn zich beginnen realiseren dat deze vertraging deugd doet. Dit is een belangrijk inzicht en hopelijk blijft het hangen. We zijn het geluk gaan zoeken bij veel te veel en veel te ver. Een economie van het genoeg zou zowel het globale noorden als het globale zuiden ten goede komen.

3. Samenwerken met de natuur

 Door plantaardiger te eten en te consuminderen komt er weer ruimte vrij voor de natuur. Om het risico op nieuwe zoönoses te verkleinen moeten we ook zorg dragen voor die natuur. Dit kunnen we nastreven door in alles wat we doen onze negatieve impact op de natuur te minimaliseren. De code daarvoor is samenwerken met de natuur, in plaats van vechten tegen de natuur. Dit is een grotendeels nieuwe benadering voor de mensheid, waarin kennis en inzicht een belangrijke rol spelen. De agro-ecologische landbouw was een van de eersten om dit toe te passen. In plaats van tegen de natuur te vechten met bijvoorbeeld pesticiden, draagt de agro-ecologische landbouwer zorg voor de natuur. Het leidt tot een rijkere en meer evenwichtige biodiversiteit en ten slotte tot minder plagen. De agro-ecologische landbouwer draagt ook zorg voor de bodem, waardoor water goed infiltreert en er minder uitdroging en erosie optreden. Een dergelijke samenwerking met de natuur zou in alle maatschappelijke geledingen ingang moeten vinden. Dat het mogelijk is bewijst bijvoorbeeld het Vlaamse Sigmaplan, dat het bekken van de Schelde tegen overstromingen beschermt. In plaats van tegen de natuur te vechten door hogere dijken te bouwen koos de Vlaamse overheid om met de natuur samen te werken via overstromingsgebieden. Dit brengt ons veerkracht. Dat is wat we nodig hebben.
 
 
Read more...

In alle stilte ontvouwt zich een tweede pandemie: antimicrobiële resistentie

12 augustus 2020 by Milieu en Natuur 1030 Views
Myriam Dumortier

Written by

In alle stilte ontvouwt zich een tweede pandemie: antimicrobiële resistentie

Myriam Dumortier

Dit opiniestuk verscheen eerder in Knack

Alle meercellige organismen op aarde evolueren in samenhang met micro-organismen. Macro- en micro-organismen kunnen niet zonder elkaar. Een mens bestaat uit meer micro-organismen dan eigen cellen. En hoewel virussen geen volwaardige organismen zijn, rekenen we ze hier voor het gemak even bij de micro-organismen.

Het Global Assessment Report van het International Panel on Biodiversity and Ecosystem Services (IPBES) rapporteert over de wereldwijde biodiversiteitscrisis, inclusief de achteruitgang van de diversiteit aan micro-organismen in het menselijk lichaam. Oorzaken van deze achteruitgang zijn onder meer de aanwezigheid van antibiotica en chemische stoffen, industrieel geproduceerd voedsel en te weinig contact met micro-organismen tijdens de kindertijd. Een vermindering van die diversiteit draagt bij tot tal van niet-overdraagbare aandoeningen zoals astma, allergieën, inflammatoire darmziekten, diabetes, cardiovasculaire ziekten, obesitas, bepaalde kankers, neurologische aandoeningen, autisme en depressies.

Naast dit verlies van nuttige micro-organismen kampen we met een toename aan ziekteverwekkende micro-organismen, pathogenen dus. Zij leiden tot nieuwe infectieziekten. De oorzaken van die toename zijn divers, maar de achteruitgang van de biodiversiteit, de escalatie aan wereldwijde transporten en de klimaatverandering spelen een belangrijke rol. Niet-overdraagbare aandoeningen verzwakken onze weerstand tegenover die infectieziekten.

Wedloop tussen pathogenen en antimicrobiële middelen

Sinds Alexander Fleming in 1928 penicilline ontdekte, nota bene dankzij een micro-organisme, gooiden we ons in de strijd tegen pathogenen (en andere micro-organismen). Antimicrobiële middelen, zoals antibiotica, helpen ons om infectieziekten te voorkomen of te genezen. Bij chirurgische interventies verkleinen ze het risico op complicaties. De moderne geneeskunde kreeg een enorme boost en honderden miljoenen levens werden gered.

Maar micro-organismen evolueren. Door mutaties passen ze hun eigenschappen aan hun omgeving aan, inclusief aan antimicrobiële middelen. De ontwikkeling van antimicrobiële resistentie is dan ook onafwendbaar. Wie besmet wordt door resistente pathogenen kan niet langer op antimicrobiële middelen rekenen.

Door de overconsumptie van antimicrobiële middelen versnelt de opbouw van antimicrobiële resistentie en winnen niet-overdraagbare aandoeningen aan belang. Ook de strijd tegen nieuwe infectieziekten drijft het gebruik van antimicrobiële middelen op. Veel covid-19-patiënten krijgen deze middelen toegediend om microbiële complicaties te voorkomen of te behandelen. De strijd wordt nu al bemoeilijkt door antimicrobiële resistentie. En dit terwijl niet-overdraagbare aandoeningen, zoals diabetes en obesitas, ons verzwakken tegenover covid-19.

Er is een constante wedloop aan de gang tussen pathogenen en antimicrobiële middelen, waarbij die laatsten aan de verliezende hand lijken. Hoe meer resistentie een pathogeen opbouwt, hoe moeilijker het wordt om nog nieuwe antimicrobiële middelen te vinden. Bovendien vallen de investeringen in dit soort onderzoek terug, onder meer omdat andere farmaceutica lucratiever blijken. Het resultaat is dat, bovenop de toename aan infectieziekten en niet-overdraagbare aandoeningen, onschuldig geworden infecties weer aan slagkracht winnen.

De situatie baart de Wereldgezondheidsorganisatie grote zorgen. Antimicrobiële resistentie verspreidt zich als een tsunami over de wereld en dreigt de vooruitgang in de geneeskunde drastisch terug te schroeven. In 2016 worstelden 490.000 mensen met antibioticaresistente tuberculose. Ook de strijd tegen onder meer aids en malaria krijgt klappen. De Europese Commissie schat het aantal doden door antimicrobiële resistentie in Europa op 25.000 à 33.000 per jaar. Volgens een Britse review leidt antimicrobiële resistentie wereldwijd tot 700.000 doden per jaar (hetzelfde aantal als Covid-19 tegen begin augustus 2020). Tegen 2050 zou het aantal dodelijke slachtoffers van antimicrobiële resistentie kunnen oplopen tot 10 miljoen per jaar. Over de rol die niet-overdraagbare aandoeningen hierin spelen is weinig geweten. Om meerdere redenen dreigt het globale zuiden alweer de grootste dupe te worden.

Intensieve veeteelt en goedkope massaproductie

De huidige overconsumptie van antimicrobiële middelen is een gevolg van overbodige of onjuiste toediening, soms in combinatie met een gebrek aan hygiëne. De bulk van de antimicrobiële middelen wordt evenwel niet bij mensen, maar bij dieren gebruikt. Daar dienen ze niet alleen voor de behandeling en preventie van infectieziekten, maar ook voor het verbeteren van de groei van gezonde dieren. Ze worden daartoe in lage dosissen in veevoeders gemengd. In de EU is hun gebruik als groeistimulator ondertussen verboden. In de VS is de veeteeltsector verantwoordelijk voor 70 à 80% van de jaarlijkse consumptie van antimicrobiële middelen.

Hoewel de gegevens onvolledig zijn, schat de Wereldvoedselorganisatie het wereldwijde verbruik in de veeteeltsector op meer dan 60,000 ton per jaar. Met de toenemende vraag naar dierlijk eiwit dreigt dit volume enkel toe te nemen. Het zijn vooral industriële veehouderijen, vooral van varkens en rundvee, die grootverbruikers zijn. Ook in de visteelt leidt intensivering tot toenemend gebruik van antimicrobiële middelen en de ontwikkeling van resistentie. Deze resistente pathogenen bedreigen onze voedselproductie. Ze kunnen ook mensen besmetten, of resistentiegenen doorgeven aan pathogenen die mensen treffen.

 75 à 90% van de aan vee toegediende antibiotica komt via excreties in het afvalwater of in de omgeving terecht. 70 à 80 % van de in de visteelt toegediende antibiotica eindigt in het water. Ook de mens draagt rechtstreeks bij aan deze verontreiniging. Niet alleen antimicrobiële middelen, maar ook resistente pathogenen komen in de omgeving terecht. Zelfs de productie van antimicrobiële middelen leidt tot lozingen in de omgeving. Die productie gebeurt vooral in China en Indië, waar men het niet zo nauw neemt met afvalwater. Antimicrobiële middelen komen er in grote hoeveelheden in de omgeving terecht waar ze nog meer opbouw van resistentie veroorzaken. In een Indisch meer vond men resistentiegenen tegen ongeveer alle belangrijke groepen antibiotica.

Resistente pathogenen verspreiden zich, onder meer via vlees, vis, mest, water, gewassen, dieren en mensen, als een pandemie over de wereld. Voor de goedkope massaproductie van antimicrobiële middelen dreigen we een zware tol te betalen.

Onze verhouding met micro-organismen herstellen

Met onze wetenschap en technologie hebben we als mensheid indrukwekkende prestaties neergezet, niet het minst in de geneeskunde. Dit leidde echter tot overmoed. In plaats van antimicrobiële middelen zorgvuldig en gericht in te zetten in functie van volksgezondheid en dierengezondheid, werden ze speelbal van economische wetmatigheden. We waanden ons meester over de natuur, maar dat was buiten de complexiteit van de natuur gerekend. De toename aan pathogenen, antimicrobiële resistentie en niet-overdraagbare aandoeningen slaat ons als een boemerang in het gezicht. 

Om de moderne geneeskunde door deze crisis te krijgen, zullen we niet alleen meer moeten investeren in de ontwikkeling van antimicrobiële middelen, we zullen vooral veel zuiniger en gerichter moeten omgaan met die middelen (en ook met andere technologische verwezenlijkingen). We moeten die sparen om ons te beschermen wanneer dat nodig is. Heel wat bioveehouders dragen grote zorg voor hun dieren en hun omgeving en maken nauwelijks gebruik van antimicrobiële middelen. Indien ze dit toch doen is het enkel curatief. Het is perfect mogelijk om het gebruik van antimicrobiële middelen drastisch terug te schroeven. 

We moeten onze verhouding met micro-organismen herstellen, door veel voorzichtiger te zijn met alle chemische stoffen, door industrieel voedsel te mijden en door kinderen veel meer in de natuur te laten spelen. Het zal onze weerstand tegen pathogenen ten goede komen en de nood aan antimicrobiële middelen verkleinen. We kunnen ook pathogenen vermijden door hen geen voedingsbodem te geven, onder meer door wereldwijd de toegang tot proper water te garanderen en afvalwater te saneren. Maar om ons te bevrijden uit deze vicieuze cirkel van meer pathogenen, meer antimicrobiële stoffen, meer resistente pathogenen en minder weerstand tegen pathogenen zal het bovenal nodig zijn om als samenleving tot rust te komen, minder dierlijke eiwitten te consumeren en veel zorgzamer om te gaan met de natuur.

 
Read more...

Covid-19 is geen eenmalige tegenvaller: we moeten onze relatie met de natuur herzien

27 maart 2020 by Milieu en Natuur 2490 Views

Enkele wet markets sluiten zal niet helpen om de biodiversiteitscrisis het hoofd te bieden waar het nieuwe coronavirus ons mee confronteert', schrijft Myriam Dumortier.

Vorig jaar bracht het International Panel on Biodiversity and Ecosystem Services (IPBES) zijn eerste Global Assessment Report uit. De conclusie was ontluisterend. Eén miljoen soorten planten en dieren zijn met uitsterven bedreigd. Talrijke soorten verdwijnen, enkele breiden uit. Onder die laatste een groeiend aantal pathogenen, zoals coronavirussen. De belangrijkste oorzaken van beide trends zijn verandering in landgebruik, directe exploitatie van organismen, klimaatverandering, invasieve soorten en verontreiniging.

Ontbossing
 Door verandering in landgebruik, zoals ontbossing, krimpt het leefgebied van wilde dieren in die mate dat ze hun toevlucht moeten zoeken tot menselijke nederzettingen, als ze daar überhaupt kunnen overleven. Deze dieren dragen -zoals mensen overigens- een grote variatie aan micro-organismen in zich, ze zijn samen geëvolueerd tot specifieke ecologische systemen. Maar een micro-organisme dat nuttig of onschadelijk is voor de ene soort, kan pathogeen of zelfs dodelijk zijn voor een andere. Nabijheid tussen wilde dieren en mensen leidt onvermijdelijk tot overdracht van micro-organismen, inclusief pathogenen. 70 tot 75 procent van de infectieziekten die gedurende de laatste 30 jaar opdoken zijn van dierlijke afkomst, de meerderheid van wilde dieren.

In Indonesië leidde ontbossing voor palmolieplantages tot schaarste aan bosvruchten en een massale migratie van vruchtenetende vleerhonden naar Singapore, Maleisië, Bangladesh, India en zelfs Australië. De uitbraken van het Hendravirus in Australië en het Nipahvirus in Maleisië en Bangladesh, twee virussen waarvan de vleerhond drager is, staan hier mogelijk mee in verband. In Centraal- en West-Afrika worden ontbossing en vleerhonden gelinkt aan uitbraken van het Marburg- en het Ebolavirus. En in Madagaskar lijken uitbraken van de pest in verband te staan met ontbossing. Talrijke soorten knaagdieren, natuurlijke dragers van de pestbacterie, komen daardoor dichter bij de mens, die via vlooienbeten besmet raakt. Vleermuizen en knaagdieren zijn notoir, mede omdat ze in tegenstelling tot veel andere soorten niet met hun leefgebied mee verdwijnen, maar hun plek opeisen tussen de mensen.


Wet markets

Directe exploitatie van organismen, voor voedsel of andere toepassingen, is een tweede pad dat wilde dieren tussen de mensen brengt. Dat de Chinese wet markets met hun gamma aan wilde dieren tot de hot spots voor overdracht behoren, hebben SARS en Covid-19 ons ondertussen wel duidelijk gemaakt. Nota bene, België is een beruchte draaischijf van Afrikaans bushmeat op doortocht naar China. Los daarvan zijn het hier vooral de dierenwinkels en -markten die wilde dieren tussen de mensen brengen, zij het dan als huisdier. Ook internetplatformen dragen meer en meer bij. Niet alleen papegaaien en parkieten, maar ook slangen, gekko's, schildpadden, eekhoorns, zelfs vleermuizen en tal van knaagdieren vinden vlotjes hun weg naar Vlaamse huiskamers, inclusief een meute micro-organismen. Die laatsten hebben de mens nog geen rampen bezorgd, de natuur echter wel.

Een voorbeeld is de schimmel Batrachochytrium salamandrivorans, die meer dan waarschijnlijk naar Europa reisde met Zuidoost-Aziatische salamanders. In Nederlands-Limburg kwam de schimmel in de natuur terecht, misschien met het water van een aquarium. Op enkele jaren tijd bezweken daar zo goed als alle vuursalamanders aan deze schimmel. Die zet ondertussen zijn kruistocht voort door Nederland, België en Duitsland. Onlangs dook hij ook in Spanje op. Zijn sporen overleven dagen op de bosbodem, op de poten van vogels en uiteraard ook op onze schoenen. Gelijkaardige taferelen spelen zich ook elders in de wereld af. Een kikkerschimmel leidde tot het uitsterven van wel 200 soorten zeldzame en minder zeldzame kikkers. En in Noord-Amerika veroorzaakte het witneussyndroom de dood van miljoenen vleermuizen, het gevolg van een Europese schimmel die hier onschuldig lijkt.

Maar het zijn niet altijd wilde dieren, ook gedomesticeerde dieren wisselen micro-organismen uit met mensen. Vooral de industriële veehouderij met zijn opeengepakte dieren en vele transporten biedt pathogenen kansen. Dat industriële veehouderij, verwante soorten in de natuur en hoge bevolkingsdichtheden een explosieve mix vormen, heeft de vogelgriep ondertussen meermaals aangetoond.

Klimaatverandering

Klimaatverandering faciliteert infectieziekten. In Afrika bleken de opeenvolgende Ebola-uitbraken samen te vallen met ongewoon droog weer. Daardoor waren er minder bosvruchten en zochten nog meer vleerhonden hun toevlucht tot menselijke nederzettingen. Daar viel de oogst tegen en trokken dorpelingen de bossen in op zoek naar voedsel, dikwijls diezelfde bosvruchten. Naarmate de temperatuur toeneemt breiden tropische pathogenen hun areaal uit. Zo kregen Frankrijk en Kroatië met tropische knokkelkoorts af te rekenen, en Italië en Frankrijk met Centraal- en Oost-Afrikaanse chikungunyakoorts. Verlengende zomerseizoenen zijn een andere troef voor pathogenen. Een langer tekenseizoen betekent meer risico op de ziekte van Lyme.

Ook invasieve soorten, een gevolg van onze doldraaiende globalisering, faciliteren infectieziekten. De uitbraken van tropische knokkelkoorts en chikungunyakoorts waren slechts mogelijk dankzij het opduiken van de Aziatische tijgermug in Europa, een mug die berucht is voor het verspreiden van ziekten, waaronder ook gele koorts, westnijlziekte, zikakoorts en verschillende vormen van encefalitis. De mug kwam hier hoogstwaarschijnlijk terecht als verstekeling in vocht in geïmporteerde autobanden. Invasieve soorten infecteren ook wilde dieren. De Amerikaanse stierkikker verspreidt mee de hierboven beschreven Aziatische salamanderschimmel. De Amerikaanse grijze eekhoorn brengt zijn parapokkenvirus over op onze rode eekhoorn, die daardoor uit grote delen van de UK verdween. En de Amerikaanse rivierkreeft bedreigt de Europese rivierkreeften met zijn kreeftenpest. De globalisering zorgt er overigens voor dat nieuwe infectieziekten zich razendsnel over de wereld kunnen verspreiden, zoals nu met Covid-19 gebeurt. 

Ondertussen verzwakt zowel de menselijke als de ecologische veerkracht. Dat Covid-19 zoveel impact heeft in Chinese grootsteden en in West-Europa heeft ook met de slechte luchtkwaliteit te maken, die ons extra vatbaar maakt voor respiratoire ziekten. Binnen de natuur geldt overigens hetzelfde. 20% van de bomen in Vlaamse bossen zijn ziek. Door luchtverontreiniging en klimaatverandering werden ook zij extra vatbaar voor infectieziekten.

Laat één ding duidelijk zijn: Covid-19 is geen eenmalige tegenvaller. Het is één van de stuiptrekkingen van een systeem dat zijn limieten overschreden heeft, en die stuiptrekkingen worden steeds krachtiger. We bevinden ons op de Titanic en de ijsberg is zichtbaar. Het zal niet helpen om enkele wet markets te sluiten. We moeten onze relatie met de natuur grondig herzien, onze plek terugvinden als onderdeel van de natuur. Laat ons de krachtdadige aanpak van de Covid-19 crisis doortrekken naar de gehele biodiversiteits- en de klimaatcrisis, en nieuwe samenlevingen bouwen gericht op sociaal-ecologische veerkracht in plaats van competitie en consumptie. Het is hoogdringend, we spelen met vuur.

Deze opinie verscheen oorspronkelijk op Knack

Read more...

Van ontbossing tot Ebola. Over de diepere oorzaken van nieuwe infectieziekten.

25 maart 2020 by Milieu en Natuur 596 Views

Verlies van biodiversiteit op grote schaal en het verstoren van eeuwenoude ecosystemen door menselijke activiteit zorgt voor het uitbreken van steeds meer nieuwe infectieziekten zoals het recente Covid-19. “We ontwrichten ecosystemen, en schudden virussen los van hun natuurlijke gastheer. Als dat gebeurt, hebben ze een nieuwe gastheer nodig. Vaak, zijn wij die” (The Guardian).

Myriam Dumortier ontleedde deze trend voor Oikos reeds in 2015: “Globalisering leidt tot het bewust of onbewust verplaatsen van planten, dieren en micro-organismen over de planeet. Ecologische systemen die het resultaat zijn van miljoenen jaren evolutie worden zo plots vermengd, uit evenwicht gebracht, met enerzijds biologische invasies en infectieziekten en anderzijds verlies van biodiversiteit als gevolg. Dit is een eerste proces. Ontbossing, als tweede proces, alsook de vernieling van andere natuurlijke ecosystemen, is de hoofdoorzaak van de achteruitgang van de biodiversiteit, maar blijkt nu ook aan de basis te liggen van het uitbreken van steeds meer nieuwe infectieziekten. Dit laatste inzicht is nieuw en het voorwerp van dit artikel. Klimaatverandering, een derde proces, maakt het allemaal nog erger.”

Lees het volledige artikel hier.

Read more...

'De mens is en blijft een nietig wezen. Het coronavirus noopt ons tot een les in nederigheid'

24 maart 2020 by Milieu en Natuur 719 Views

'Het coronavirus woedt in volle hevigheid. Sommigen zien het als een straf van Moeder Natuur. Payback-time. Dat klopt maar ten dele', poneert Hendrik Schoukens. 'De natuur maakt immers géén gebruik van morele denkkaders. Géén schuld en boete. Het coronavirus herinnert ons vooral aan het feit dat de mens slechts een onderdeel is van diezelfde natuur. En er niet buiten of boven staat.'

Hendrik Schoukens

Dit opiniestuk verscheen oorspronkelijk in Knack.

'Plagen zijn een zaak van iedereen, maar het is moeilijk om in plagen te geloven op het moment dat ze je overvallen', zo verzucht de verteller op de beginpagina's van La Peste (1947), Albert Camus' verrassend actuele meesterwerk. Een Algerijns stadje wordt midscheeps getroffen door een pestepidemie. Onzekerheid en verbazing maken zich meester van eenieder. Het leven van elke dag gaat aanvankelijk gewoon verder. 'Stompzinnigheid is een stugge volhouder. Op dat punt vormden onze stadsgenoten geen uitzondering; ze waren humanisten; ze vergaten bescheiden te zijn, ze gingen ervan uit dat plagen onmogelijk waren en dat alle wegen dus nog voor hen openstonden'. 'Humanisme' stond voor Camus hier vreemd genoeg synoniem voor 'menselijke overmoed'.

De mens als maat van alle dingen.

De Franse schrijver raakt hier een diepere snaar. Het vastgeroeste geloof in de menselijke superioriteit heeft ons in slaap gewiegd. We geloofden rotsvast dat we onkwetsbaar waren. Dat we de natuur konden domineren. Dat we de natuur straffeloos mochten exploiteren. Maar vergaten dat we door duizenden planten- en dierensoorten te laten uitsterven ook ons eigen voortbestaan in gevaar brachten.

Schubdieren

Hoe is het zover kunnen komen? Een eerste schuldige dient zich al snel aan: onze schijnbaar eindeloze appetijt naar bedreigde diersoorten in alle vormen en kleuren.

Het leidde tot een illegale handel waar miljarden euro's in omgaan.

Het is nochtans algemeen geweten dat er coronavirussen circuleren onder heel wat zoogdieren en vogels die worden verhandeld. Enkele wetenschappers opperden recent dat het coronavirus hoogstwaarschijnlijk afkomstig is van schubdieren of pangolins die massaal gestroopt worden. Het virus dook namelijk voor het eerst op in de Chinese stad Wuhan, waar pangolins in het zwart werden verkocht aan de hoogste bieder. Er valt namelijk veel geld mee te verdienen bij bijgelovige Chinezen. De schubben worden vermalen tot traditionele medicijnen. Maar ook het vlees is een gewilde delicatesse in menig Chinees restaurant.

Anderen menen dan weer dat dat het virus is overgesprongen van vleermuizen op schubdieren. Peu importe.

Het coronavirus vormt helaas géén uitzondering. Eerder onderzoek wees al uit dat het SARS-virus, dat in 2003 stevig huishield in China, via de civetkat tot bij de mens kwam. Ook het beruchte HIV-virus heeft dierlijke roots. Het dook begin vorige eeuw op in een chimpansee-kolonie in het zuiden van Kameroen. De herkenbare hypothese luidt dat jagers in contact zijn geweest met het bloed van chimpansees en zo het virus hebben opgelopen.

De wetenschap schat dat meer dan zes op tien van de gekende infectieziektes bij mensen door dieren kunnen worden verspreid. Het is in de gegeven omstandigheden dan ook licht ironisch te noemen dat pas nadat de impact van het coronavirus ten volle duidelijk werd, de Chinese autoriteiten alsnog bereid werden gevonden de consumptie in wilde dieren per direct te verbieden.

Too little, too late.

Ontbossing

Maar de handel in bedreigde soorten vormt slechts het topje van de spreekwoordelijke ijsberg. Dit is niet louter het probleem van bijgelovige Chinezen. Ook is het te gemakkelijk om te wijzen naar de wereldwijde handel, die virussen toestaat zich sneller te verspreiden. We moeten dieper durven graven. Het is namelijk onze als maar groter wordende honger naar meer land, ten koste van de natuur, die ons duur te staan komt. Want net door meer regenwoud te kappen, stijgen de kansen op overdracht van besmettelijke ziekten tussen dier en mens. We kennen ondertussen allemaal de onrustwekkende grafieken van het verdwijnende regenwoud.

Een deel ervan verdwijnt ook om voedsel te produceren voor onze industriële veeteelt. Voor onze welvaart. Uitdijende steden vestigen zich aan de rand van wilde natuur.

Maar we durven de grafieken van het stijgend aantal ziekten die van dier op mens worden overdragen niet onder ogen te zien.

Het is géén toeval dat een uiterst dodelijke ziekte als Ebola vooral zwaar uithaalt in tijden van massale ontbossing en wegenbouw in het krimpende West-Afrikaanse regenwoud.

 Men spreekt onder wetenschappers tegenwoordig over een ecology of disease. Een toename van de ontbossing met 4 percent in het Amazone-gebied resulteerde in een toename van malaria met 50%. Maar ook dichter bij huis ziet men eenzelfde patroon: het verlies van roofdieren ten gevolge van urbanisatie en jacht maakt dat de ziekte van Lyme de voorbije decennia aan een heuse opmars bezig is in onze streken. Herkenbaar patroon, niet?
 
Gezonde ecosystemen ... en mensen

Wat moeten we hieruit leren? Naast de no-brainer - een radicaal verbod op handel in bedreigde diersoorten - moeten we ook opnieuw durven inzetten op het massale herstel van robuuste en gezonde ecosystemen. Niet enkel om enkele geitenwollensokken-activisten ter wille te zijn. Maar tevens ter bescherming van onze eigen menselijke gezondheid.

In de eerste plaats in de tropen, waar Amerikaanse instituten al onderzoek verrichten naar de impact van urbanisatie op de verspreiding van infectieziekten, maar ook dichter bij huis.

Of vinden we het normaal dat we vorig weekend met zijn allen de auto in duiken om in grote troepen - als kuddes - te gaan wandelen in mooi omheinde bossen terwijl we recht zouden moeten hebben op uitgestrekte natuur op wandelafstand van ons huis?

Waarom vechten we niet voor het behoud van wilde natuur in onze eigen achtertuin in plaats van ons tevreden te stellen met lintbebouwing, saaie tuinen en akkers ontdaan van wilde bloemen?


Nederigheid

Maar het coronavirus noopt tevens tot een ruimere les in nederigheid. De mens is en blijft een nietig wezen. Ondanks onze wetenschappelijke evoluties, kunnen we de natuur niet helemaal domineren.

Daarom is het erg betekenisvol dat net in deze lockdown-tijden de natuur terug herleeft: er zwemt terug vis in de kanalen van Venetië, er zwerven kuddes everzwijnen doorheen Italiaanse bergdorpjes en men kan dolfijnen spotten vanop de kade in Triëste. Ook dichter bij huis valt het op hoe de natuur zijn zelfvertrouwen herwint. Was dat echt een ransuil die we gisteren hoorden voor het slapengaan?

Een les die we eerder ook al konden observeren in en rondom Tsjernobyl, waar wolven en beren nu de plak zwaaien.

Het lijkt wel alsof de natuur ons een belangrijke les wil herinneren. Alsof de natuur ons een tweede kans wil geven. 

Zo komen we weer bij die onvermijdelijke Camus uit.

Nadat de pestuitbraak in Oran overwonnen was, heerste er een uitgelaten feeststemming. Enkel dokter Rieux, die als een absurde held de pest had proberen in te dijken, deelde het enthousiasme niet.

Hij vreesde dat de mensen hun les niet hebben geleerd: 'De pestbacil kan tientallen jaren achtereen blijven sluimeren in de meubels en het linnengoed, hij wacht geduldig, in kamers, kelders, koffers, zakdoeken en paperassen'. Tot er een dag komt waarop, tot schade en lering van de mensheid, 'de pest zijn ratten wekt om ze te laten sterven in een gelukkige stad'. De pest zal vroeg of laat terugkomen, zo oppert Camus.

Vrij vertaald naar corona-tijden. Ja, de menselijke vindingrijkheid en wetenschap zal ook dit virus weer te baas kunnen. En op die manier 'de natuur' - ook virussen zijn daar namelijk een onderdeel van - weer in het gelid dwingen. Maar het betreft uiteindelijk slechts een Pyrrus-overwinning.

Begrijp me niet verkeerd. Dit is echter géén pleidooi om het coronavirus maar zijn gang te laten gaan. Dit is géén pleidooi om mensen te laten sterven. Als morele wezen zijn we verplicht dit menselijke lijden te vermijden.

De tegenstelling mens-natuur is echter slechts schijn. Net doordat we de natuur verder blijven vernielen, creëren we meer kansen op nieuwe dodelijke virussen. Op lange termijn ligt de èchte oplossing elders. In méér evenwicht tussen de natuur en mens. In de erkenning van de interdependentie tussen mens en natuur.

Als we Camus' onheilstijding willen voorkomen, zullen we niet alleen moeten investeren in meer wetenschappelijk onderzoek naar vaccins maar ook onze positie ten overstaan van de natuur moeten heroverwegen.

Anders wordt het gewoon bang wachten op een volgende pandemie. Het is nu of nooit.

 

 

Read more...

Opinie: waarom ggo-voorstanders uit de bocht gaan

De voordelen van ggo's worden nog te vaak erg rooskleurig voorgesteld', reageren bio-ingenieurs Wouter Vanhove en Patrick Van Damme op een opiniestuk van Jan Deschoolmeester en Thomas Rotthier over de Europese wetgeving omtrent ggo-gewassen.

Na de oproep van enkele jonge wetenschappers in De Standaard om ggo-wetgeving aan te passen, pleiten nu ook biotechnoloog Jan Deschoolmeester en filosoof Jan Rotthier in een opiniestuk op deze site om de kritiek op ggo's te laten varen. Ze hekelen daarbij de 'verstikkende' en 'archaïsche' regelgeving die de vele voordelen die ggo's bieden, zouden tegenhouden.

Dat is wel heel kort door de bocht. Het is goed om even terug te keren naar de basis van de regelgeving rond ggo's: een Europese richtlijn uit 2001 (2001/18/EG). Die wou met een veiligheidsprocedure mogelijke risico's bij de introductie van ggo's in het Europese milieu (versta: teelt en consumptie) voor de menselijke gezondheid en de leefomgeving inperken. Dat was een doortrekking van het in Europa gangbare voorzorgsprincipe dat later (2009) verankerd werd als leidraad voor de Europese milieupolitiek in het Verdrag van Lissabon (Art. 191(2)).

Het is logisch dat als gewassen resistent worden gemaakt tegen onkruidverdelgers (ggo-soja en -koolzaad), men evalueert wat de impact is op herbicidengebruik en het optreden van mogelijke resistentieproblemen. Zo is het ook billijk om een toxicologische evaluatie te maken van gewassen die niet-planteigen insecticiden produceren (ggo-maïs) en om na te gaan wat hun impact is op andere insecten dan de plaaginsecten waarvoor ze zijn bedoeld.

Jan Deschoolmeester en Thomas Rotthier benadrukken tot tweemaal toe de zogenaamde wetenschappelijke consensus rond de veiligheid van ggo's. Dat is om verschillende redenen misleidend. Eerst en vooral zijn alle wetenschappelijke studies die aan de basis van die conclusie liggen, beoordelingen van bestaande ggo's. Die zeggen uiteraard niks over de veiligheid van ggo's die nog moeten ontwikkeld worden.

Het is contradictorisch dat men enerzijds beweert dat er consensus is rond de veiligheid van ggo's, maar anderzijds ook vindt dat men ggo's case-by-case moet beoordelen. Een beoordeling geval per geval is nu namelijk net al voorzien in de Europese regelgeving. Er zijn goede redenen om daarbij een lijn te trekken tussen ggo's en klassiek veredelde gewassen. Pleidooien voor versoepeling van de ggo-wetgeving worden vaak ondersteund met de bewering dat de nieuwste biotechnologische ontwikkelingen (gene editing met CRISPR als meest bekende voorbeeld) heel precies een lettertje in de DNA code kunnen aanpassen. Dat is een vreemd argument, want precisie is uiteraard volstrekt niet hetzelfde als veiligheid. Studies hebben bovendien aangetoond dat CRISPR helemaal niet zo precies is als vaak wordt beweerd. De techniek kan leiden tot DNA-wijzigingen op onbedoelde plaatsen en zelfs accidenteel hele stukken uit het genoom wegknippen. Om die reden wordt in de menselijke genetica zeer behoedzaam omgesprongen met CRISPR. Waarom zouden we dat dan niet doen bij planten?

Ook mutagenese met bestraling (een techniek die al decennia lang in plantenveredeling wordt gebruikt) leidt tot een hele boel random veranderingen in het DNA. Het Europees Hof van Justitie heeft in 2018 echter geoordeeld dat op basis van een lange geschiedenis van veilig gebruik, die techniek niet aan ggo-wetgeving moet worden onderworpen. Dat is op het eerste zicht arbitrair. Het oordeel van het Europees Hof verwijst echter niet toevallig naar het voorzorgsprincipe. CRISPR en andere gentechnieken ontwikkelen zich razendsnel. In tegenstelling tot wat vaak wordt beweerd, heeft de wetenschap nog onvoldoende antwoorden op vragen zoals welke genen worden aan- en uitgeschakeld, welke proteïnes al dan niet meer of minder worden geproduceerd en welke metabolische processen juist door deze technieken worden beïnvloed. Die onzekerheid is de terechte logica achter het oordeel van het Europees Hof om ook producten die het resultaat zijn van nieuwe gentechnieken, aan de bestaande ggo-regulering te onderwerpen.

Wanneer men stelt dat er consensus is rond de veiligheid van ggo's (quod non) vergeet men vaak ook dat de Europese regels ook een milieubeoordeling vragen voor ggo's. Nieuwe gentechnieken zullen - anders dan bij klassieke veredeling - in de toekomst heel snel een heel brede waaier aan plantkenmerken kunnen voortbrengen die zullen interageren met de omgeving. Het is dan ook logisch en noodzakelijk om de mogelijke impact van nieuwe plantkenmerken op gezondheid en milieu, rigoureus te blijven testen.

Ook over de voordelen van ggo's gaan sommige opiniemakers bijzonder kort door de bocht. Voorstanders van de veelbesproken gouden rijst beweren dat die op korte termijn nachtblindheid en sterfte door vitamine A gebrek kan terugdringen. Dat is een bijzonder rooskleurige voorstelling van de complexe realiteit van landbouw- en voedselsystemen. Het International Rice Research Institute (IRRI) schat dat rijstboeren wereldwijd momenteel zo'n 130.000 traditionele rijstvariëteiten gebruiken. Die variëteiten zijn aangepast aan het lokale milieu en de voorkeuren van boeren en consumenten. De voorbije decennia werden enkele variëteiten ontwikkeld met een hoge opbrengst en goede kwaliteit. Die hebben ondertussen de traditionele variëteiten grotendeels verdrongen en bereiken vooral consumenten in de steden.

Een grote diversiteit is, net zoals bij elk gewas, broodnodig voor de veerkracht van rijstteeltsystemen die door klimaatverandering en milieudegradatie meer en meer onder druk komen te staan. De grote commerciële variëteiten worden dan bijzonder kwetsbaar. De strategie van de veredelaars van gouden rijst bestaat er echter in om het 'gouden rijst-kenmerk' net in die commerciële variëteiten in te kruisen. Voorlopig met bescheiden succes. Er werd al aangetoond dat het gouden rijst-kenmerk een impact kan hebben op de groei en ontwikkeling van normaal goed opbrengende variëteiten. Bovendien wordt het vitamine A-gehalte in gouden rijst afgebroken bij de opslag. Dat is problematisch is voor commerciële rijst die internationaal wordt verhandeld. Die problemen tonen aan dat gouden rijst helemaal niet klaar is om te worden ingepast in meeste rijstteeltsystemen.

Bovendien dreigen plattelandsgebieden - nog steeds goed voor de helft van de bevolking - die afhankelijk zijn van traditionele rijstvariëteiten, uit de boot te vallen. Om te slagen zou het beperkte aantal succesvolle gouden rijstvariëteiten zich snel moeten verspreiden, wat de traditionele rijstsystemen nog meer onder druk zou zetten en consumenten nog meer afhankelijk zou maken van (internationale) markten en kwetsbare, zogenaamde universele variëteiten die de naam en faam meekrijgen dat ze bepaalde problemen uit de wereld helpen (quod non bis).

Het cynische is dat vitamine A-gebrek net het gevolg is van de verschraling van de Aziatische landbouw. De voorbije decennia werd bijna uitsluitend ingezet op intensieve rijstteelt ten koste van lokale groenten. Leen Laenens en Anneleen Kenis hebben gelijk dat Aziatische boeren terug meer groenten op het bord moeten krijgen. Ook dat is niet met een vingerknip te realiseren. Landbouw- en voedselsystemen zijn bijzonder complex, de uitdagingen groot en de middelen schaars. Investeringen in een biotechnologische strategie gaan echter ten koste efficiëntere en meer holistische oplossingen, die daardoor op de lange baan worden geschoven.

Gelukkig slaan internationale onderzoeksinstellingen, boeren, NGO's en politieke actoren meer en meer de handen in elkaar om meer diverse en dus veerkrachtigere en voedzamere landbouwsystemen uit te bouwen, die rekening houden met lokale voorkeuren en milieufactoren. Veel meer dan gouden rijst is dat een efficiënte manier om vitamine A en andere micronutriëntentekorten wereldwijd in zijn totaliteit aan te pakken.

Wouter Vanhove en Patrick Van Damme zijn bio-ingenieur en onderzoeken tropische landbouw- en voedselsystemen aan de Universiteit Gent.

Read more...

Climate distress

18 december 2019 by Milieu en Natuur 604 Views
Maaike Afschrift

Written by

Ze trok deze zomer voor het eerst helemaal vrij en zelfstandig de wereld in, en dat brengt haar op dit moment in een historische Zuid-Franse grootstad. Heel af en toe laat ze ons een glimp zien van haar belevenissen en belevingen, via onze gezins-chat. Zoals vanmorgen.

Dat ze zo ongelooflijk triestig is om het Amazonewoud. Dat het zó slecht aan het gaan is met de aarde. Dat ze er echt niet níet meer kan aan denken. Dat ze merkt hoe ze rondloopt in de stad en bij alles stilstaat hoe vervuilend dat wel moet zijn. Zelfs bij elk f*ing restaurant. En dat zij daar zitten met hun bio sap en bio ontbijtgranen voor hun neus.
Dat ze woede en verdriet voelt, bij het besef dat hier iets voor altijd verwoest is, onherroepelijk aangetast, en dat het ‘nog onze eigen schuld is ook’. Dat ze bij alles waarbij ze zich gelukkig zou kunnen voelen, een stemmetje hoort: whatever, wat maakt het uit of ik bio kies, de wereld is toch om zeep; wat haar niet doet stoppen met ‘goed’ te doen, maar wel confronteert met haar grote gevoel van onmacht

Soms toont je kind je op de meest heldere manier de essentie van de werkelijkheid waarin je leeft en waarmee je probeert te leven.
Ik loop al weken, zeg maar maanden met een onderhuidse onrust, een gevoel van urgentie, van boosheid, woede en verdriet, dat ik niet kan omzetten in actie. Vanmorgen werd ik, niet voor het eerst, net als mijn dochter wakker met een slecht gevoel: dit komt niet goed.
Net als haar probeer ik zoveel mogelijk te doen wat in mijn macht ligt. Ondertussen moeten we met lede ogen toezien op hoe 
met grote halen maar evengoed met trage, subtiele evoluties onze aarde en onze leefomgeving verwoest wordt. En moet ik ondergaan dat de leiders van mijn eigen overheid niet bezig zijn met deze urgentie, maar integendeel ‘valse urgenties’ proberen te creëren of in stand te houden.

Ik wil het hier niet hebben over wie wat kan en moet en veel te weinig doet. Wat ik, mede vanuit mijn expertise als psycholoog en psychotherapeut wil belichten, is hoeveel emotionele, psychologische ‘distress’ de klimaat- en ecologische crisis veroorzaakt bij doodgewone mensen zoals u, ik en mijn dochter. Een aspect dat weinig publieke aandacht krijgt want zich vaak in stilte, onuitgesproken of enkel binnenskamers afspeelt.
We hebben pijn, verdriet, zijn ongerust, voelen ons wanhopig, gefrustreerd, moedeloos en schuldig. We worden radeloos, woedend, bang van zoveel destructie en onheil. De ene sluit zich af, zoekt verstrooiing, manieren om te vluchten in ontkenning. De ander deelt zijn verontwaardiging op sociale media, de klankkast voor alles wat ons emotioneert. Individuen en groepen piekeren zich moe – jawel, ook ’s nachts – over hoe ze verandering zouden kunnen teweegbrengen. Sommigen sluiten zich aan bij acties, anderen zuchten terwijl ze dan toch maar zoals elke dag hun taak opnemen. Zoals een goede collega me onlangs zei: je moet nog kunnen leven.
Maar wat mijn dochter toont en wat we allemaal gemeen hebben is dat we ons geraakt voelen in onze existentie: we kunnen niet zomaar verder leven zoals we deden. We ervaren een zingevingscrisis: waarom zou ik me nog inzetten voor studies, werk,...? Moet ik me niet wijden aan het redden van wat er te redden valt?
We zien en beleven situaties die ons uit evenwicht brengen, en die verstoring raakt ons in de kern van ons mens-zijn en brengt innerlijke processen teweeg die vergelijkbaar zijn met trauma. Het trauma en de psychische stress van leven in een omgeving die verwoest wordt, zoals leven in oorlogsgebied.
We leven hier in een regio waar de klimaatverandering (alsnog) relatief weinig gevolgen heeft. Maar nu al ondervinden we dat de impact van de klimaatverandering op onze geestelijke gezondheid enorm zal zijn.

We moeten rouwen én goed handelen én hoopvol én kritisch blijven, én leven én studeren, werken, zorgen, liefhebben… allemaal tegelijkertijd.
Zoals ik aan mijn dochter antwoordde: dat is teveel voor één mens, één hart, één hoofd. En wat me het meest pijn deed: ze is 18, ze wil de wereld ontdekken en is diep ongerust. En ik kan haar niet geruststellen. Ik hoef geen liefhebbende ouder uit te leggen wat dat doet met een mens.

Maaike Afschrift

Read more...

Verdwijnen van natuur gaat niet enkel over dieren en planten. Het is onze eigen toekomst die op het spel staat

08 augustus 2019 by Milieu en Natuur 1827 Views
Myriam Dumortier

Written by

'Natuurherstel in alle hoeken van de wereld, met lokale mensen op lokale maat, is een investering waarvan -als we snel genoeg zijn- niet alleen de biodiversiteit maar ook de hele mensheid de vruchten zal plukken', schrijft Myriam Dumortier van denktank Oikos in Knack (07/08/2019).Dat we in ijltempo naar koolstofneutraliteit moeten, en fossiele brandstoffen onder de grond moeten houden, dat kan geen zinnig mens nog betwisten. Met 'nog maar' 1°C mondiale temperatuurstijging slaan de hitte- en droogterecords ons om de oren, zelfs in ons relatief gespaarde West-Europa. 

Dat de urgentie om natuur te beschermen en te herstellen even groot is, dringt minder goed door. Het is een complexer verhaal dat zich, in tegenstelling tot de klimaatcrisis, niet zomaar in enkele cijferreeksen laat vatten. Natuurdegradatie gaat trouwens niet alleen over bedreigde plant- en diersoorten, het is onze eigen toekomst die op het spel staat. 

Het gebrek aan prioriteit voor natuurherstel wordt treffend geïllustreerd door de Vlaamse bosuitbreiding. Twintig jaar geleden koos een vooruitziend Vlaanderen voor 10.000 ha extra bos. Vandaag kan deze bosuitbreiding de tred van de ontbossing nog altijd niet bijbenen, vernietiging verloopt sneller dan herstel. Voor andere ecosystemen geldt hetzelfde.

Verdwijnen van natuur gaat niet enkel over dieren en planten. Het is onze eigen toekomst die op het spel staat.

Wanneer twee maand geleden Zuid-Limburg alweer modder moest scheppen, was nochtans niet alleen klimaatverandering, maar ook natuurdegradatie aan zet. Stortregen op gedegradeerd land betekent watererosie, alsook gebrekkige waterinfiltratie, gevolgd door droogte, en daarna winderosie, enzovoort. Klimaat- en natuurdegradatie versterken elkaar en sleuren ons, via de vicieuze cirkel van meer en meer degradatie, een woelig Antropoceen binnen.

Maar het omgekeerde kan ook, klimaat- en natuurherstel -zo lang ze nog mogelijk zijn- versterken elkaar ook. Mits enige inspanning kunnen we de virtueuze cirkel van het herstel op gang trekken, met een cascade aan voordelen.

Natuurherstel in het klimaatplan

Een recent artikel in Science geeft de aanzet: als we wereldwijd waar gepast streekeigen bomen zouden planten, kunnen we de volgende 50 à 100 jaar 200 miljard ton koolstof uit de atmosfeer halen, zijnde twee derde (!) van de 300 miljard ton koolstof die we sinds de industriële revolutie in de lucht pompten. Het lijkt een miraculeuze reddingsboei om toch nog -zoals in Parijs afgesproken- de mondiale temperatuurstijging binnen de 2°C en bij voorkeur binnen de 1,5°C te houden, en ons nageslacht een enigszins leefbaar Antropoceen na te laten. Maar er is haast bij, want schoorvoetend maakt klimaatverandering delen van deze planeet onleefbaar, ook voor bomen.

In Vlaanderen zouden we, uitgaande van een vastlegging van ruwweg 120 ton koolstof per hectare bebossing, met onze 10.000 ha extra bos 1,2 miljoen ton extra koolstof kunnen opslaan. Indien we daarnaast ook andere ecosystemen herstellen, zoals wetlands in riviervalleien, zou het cijfer verder oplopen.

In onze 110.000 ha Vlaamse tuinen zouden we, mits een meer natuurlijke inrichting, nog eens 0,9 miljoen ton extra koolstof kunnen opslaan. En als we onze meer dan 600.000 ha landbouwpercelen weer met hagen en houtkanten zouden omzomen, en die 5% van de oppervlakte zouden gunnen, dan kan dit nog eens 3,6 miljoen ton koolstof opleveren. Voeg daarbij de omslag naar een agro-ecologische landbouw, waarbij landbouwbodems veel meer koolstof vasthouden, alsook ontharding en veel meer beplanting in de stedelijke omgeving, aangevuld met groendaken, dan komen we aan een vastlegging van minstens 6 miljoen ton koolstof.

Als we dit dan combineren met een volledige bescherming van onze bestaande ecosystemen én een snelle transitie naar koolstofneutraliteit, dan zouden we pas een klimaatplan hebben.

En laat koolstofopslag nog maar één van de vele troeven van natuurherstel zijn. Ook voor de watercrisis is de winst meervoudig. Met al die extra bomen, struiken en kruiden, en bodems vol organisch materiaal en leven, zou regenwater veel beter insijpelen en onze grondwatervoorraad beter op peil blijven. Met natuurherstel krijgt het landschap zijn hydrologische functie terug. Als we snel genoeg handelen zouden we het vermaledijde afschakelplan tot een nare droom kunnen herleiden. Ondertussen zouden we ook modderstromen en wateroverlast vermijden, dit laatste mede dankzij de herstelde wetlands die rivieren extra ruimte geven.

In de stedelijke omgeving zouden ontharding en extra beplanting niet alleen de waterinfiltratie maar ook de leefbaarheid verbeteren, niet in het minst tijdens hittegolven, wanneer elke grote boom de verkoeling van 10 airco's biedt. Bovendien zou het groen de lucht zuiveren. Alles bijeen zou het onze gezondheidsuitgaven temperen en vroegtijdige sterfgevallen -zoals tijdens de hittegolf van 2003 wanneer in Europa 70.000 meer mensen stierven dan in vergelijkbare periodes- vermijden.

Op het platteland zouden hagen en houtkanten, naast het vasthouden van water en vruchtbare bodem, de gewassen tegen hitte en wind beschermen. De fauna in hagen en houtkanten zou ziekten en plagen helpen beheersen, en de bestuiving van gewassen verzekeren. Enkele maanden geleden nog beklemtoonde de Wereldvoedselorganisatie het vitale belang van de biodiversiteit voor de voedselproductie.

Naar een andere vooruitgang

Een herstelde natuur zou ons toelaten om meer samen met in plaats van tegen de natuur te werken, denk aan wetlands die neerslagpieken opvangen en dijkverhogingen overbodig maken. Of agro-ecologische landbouw, met diversiteit in plaats van monocultuur, natuurlijke evenwichten in plaats van chemische bestrijding, en daarmee ook kleinschaligheid in plaats van grootschaligheid, korte menselijke in plaats van lange schandaalgevoelige voedselketens, en veel minder energieverbruik en dus minder klimaatverandering (daar is de virtueuze cirkel weer). De boer zou autonomie en veerkracht terugwinnen en de kreet om rampenfondsen en weersverzekeringen zou vervagen.

Samenwerken met de natuur kan de veerkracht van de hele samenleving ten goede komen.

Het streven naar samenwerking met de natuur is geen nostalgie, in het verleden hebben we ons immers vooral tegen de natuur verweerd. Waar we nu voor staan is een compleet nieuwe zoektocht naar een andere vooruitgang binnen de evenwichten van de herstelde natuur, denk aan de ontwikkeling van slimme lichte werktuigen die het werk op het land vergemakkelijken zonder de bodem te beschadigen, dit in contrast met de huidige steeds zwaarder wordende landbouwmachines. Deze lichte werktuigen vergen wel meer mensen op het land, maar in onze hectische samenleving is er net groeiende behoefte aan eenvoudig werk in de natuur, en ook mensen uit onleefbaar geworden rurale streken elders in de wereld zouden er een plek kunnen vinden. Samenwerken met de natuur kan de veerkracht van de hele samenleving ten goede komen.

Of dit allemaal wel realistisch is? De wetlands zullen alvast veel langer standhouden dan de dijkverhogingen. En wat de agro-ecologische landbouw betreft, de Franse denktank IDDRI becijferde dat deze iedereen van voldoende en gezond voedsel kan voorzien, op voorwaarde dat we minder vlees eten. De vraag is eerder of het realistisch is om geen werk te maken van natuurherstel.

Natuurherstel in alle hoeken van de wereld, met lokale mensen op lokale maat, is een investering waarvan -als we snel genoeg zijn- niet alleen de biodiversiteit maar ook de hele mensheid de vruchten zal plukken. Volgens de Verenigde Naties is er nu al elke week ergens in de wereld een klimaatramp. Hoe sneller we de natuur herstellen, hoe meer rampen we kunnen vermijden. Waar wachten we op?

Dit artikel verscheen op 07/08/2019 in Knack.

Read more...
Pagina 1 van 2
Don't have an account yet? Register Now!

Sign in to your account