logo

When citizens take matters into their own hands: a closer look at citizen collectives established in 2015 and 2016

In order to find responses to current societal challenges, citizens increasingly take control, including in the form of citizen collectives that produce goods or services themselves, usually as a quest towards a more sustainable alternative. With the support of the King Baudouin Foundation and in the context of its Observatory of Associations and Foundations (Observatorium van Verenigingen en Stichtingen), Oikos think tank carried out the first research on these collectives throughout the country: who facilitates them, how important are they and how do they position themselves among other actors in society such as the classic civil society, governments and companies? With a desk study, a survey and in-depth interviews, Oikos mapped citizens' collectives established in 2015 and 2016.

Download the full report in Dutch or French

Increasing number of establishments

In 2015 and 2016, 249 citizen collectives in Belgium were launched spread over the entire country (map available). 127 among them answered the survey and 106 (48 from Flanders, 36 from Wallonia and 22 from Brussels) completed questionnaires were included in the analysis (21 respondents were found not to comply with the definition or were not established during the study period). Of those 106, most are active in areas such as food, agriculture, energy, social inclusion and the sharing economy; more than half classifies their activity under the label 'environment and sustainability' (graph available).

This is the first comprehensive investigation for the French-speaking citizen collectives. On the Dutch-speaking side, Oikos, on the other hand, has historical figures from 2004 onwards (graph available), indicating that 2009 was a turning point : the number of establishments has grown strongly ever since and nothing points to a stagnation of this growth.

 

What is a citizen collective? 

Not all activities that citizens organize together are citizen collectives. A neighborhood barbecue or a temporary action group against logging is not. Then what is? Some elements are necessary to be able to speak of a citizen collective:

·  to meet local needs, with the aim of long-term structural results;
·  the members take control of the production / execution of the goods or services themselves (although sometimes it is possible to call on paid (service) suppliers);
·  citizens are the promoters and determine who belongs to the group, and who can use or manage the resources, goods or services;
·  the members have a say in the form, the organization and the action lines for the future;

A few examples: energy or housing cooperatives, food teams, transition groups with a social grocery, cooperative library of things, or community supported agriculture where consumers are closely connected to a farmer and are committed to reducing production, or even participating in the harvest.

 

Pioneers: highly educated working M/F/X in their thirties and forties

Citizen collectives are largely the work of 25- to 45-year-olds, and the real pioneers are usually 36 to 45 years (graph available). Young people and seniors are hardly represented. There is a balance in the participation of women and men, and single people, cohabitants and married couples are fairly equal (graph available).

Among the pioneers in citizen collectives, highly educated people are strongly overrepresented: 86.3% have at least a Bachelor's degree (graph available- compared to 45.6% of the population aged between 30 and 34 years according to Statbel's figures). Most pioneers (84.8%) combine their engagement with a job (of whom four out of ten half-time).

53.7% of the respondents are politically engaged. Half of the respondents (48.6%) estimate that the political preference of the pioneers of their citizens' collective is left on the political spectrum (graph available).

 

Relationship with government and industry: a healthy distance

Most citizen collectives (58%) are self-sufficient. 78% came about without public participation. But they think a good relationship with the government is important (80%). Approximately 1 in 3 consults with the municipal authorities about the activities and services they offer. The relationship with the (local) government does not always go smoothly: some are satisfied ("the city made our operations possible"), others less ("we mainly got headwinds").

According to a minority (16.8%) of the citizen collectives, companies see them as competitors. They themselves see their own role in relation to the business sector as additional (in Wallonia), cooperative (in Brussels), or innovative (in the three regions). (graph available).

 

Little inclusive

The sectors in which they operate show that citizen collectives often strive for a more sustainable society. They inspire other actors from industry, government and civil society. Partly because of their urge for proximity and small scale in their approach, they still play a modest role as an alternative to production and / or consumption,  alongside those (more) dominant actors.

 

If citizen collectives really strive for a sustainable and inclusive society, then consideration must be given to ways of involving disadvantaged citizens in this citizens' movement.

Add a comment

Wanneer burgers samen het heft in handen nemen Burgercollectieven opgericht in 2015 en 2016 van naderbij bekeken

Om antwoorden te zoeken op actuele maatschappelijke uitdagingen nemen burgers steeds vaker het heft in handen en dit onder meer in de vorm van burgercollectieven die zelf goederen of diensten produceren, meestal vanuit een streven naar een duurzamer alternatief. Met steun van de Koning Boudewijnstichting en in het kader van haar Observatorium van Verenigingen en Stichtingen verrichte Oikos denktank het eerste onderzoek naar deze collectieven in heel het land: wie trekt ze, hoe belangrijk zijn ze en hoe positioneren ze zich tussen andere maatschappelijke spelers zoals klassieke middenveldactoren, overheden en bedrijven? Met een deskstudie, een enquête en diepte-interviews bracht Oikos burgercollectieven opgericht in 2015 en 2016 in kaart.

Download het volledige rapport via deze link

Stijgend aantal oprichtingen
In 2015 en 2016 zagen in België 249 burgercollectieven het licht, gespreid over heel het land (kaart beschikbaar). 127 onder hen beantwoordden de enquête en 106 (48 uit Vlaanderen, 36 uit Wallonië en 22 uit Brussel) ingevulde vragenlijsten werden opgenomen in de analyse (21 respondenten bleken niet te voldoen aan de definitie of werden niet in de bestudeerde periode opgericht). Van die 106 zijn de meeste actief in domeinen zoals voeding, landbouw, energie, sociale inclusie en deeleconomie; ruim de helft oordeelt dat zijn activiteit het label ‘milieu en duurzaamheid’ kan dragen (grafiek beschikbaar).
Voor de Franstalige burgercollectieven is dit het eerste omvattende onderzoek. Langs Nederlandstalige kant beschikt Oikos daarentegen over historische cijfers vanaf 2004 (grafiek beschikbaar), die aangeven dat 2009 een kantelpunt was en dat het aantal oprichtingen sindsdien sterk groeit. Het verloop suggereert dat de groei nog niet stagneert. 

Wat is een burgercollectief?
Niet alle activiteiten die burgers gezamenlijk organiseren, zijn burgercollectieven. Een buurtbarbecue of een tijdelijke actiegroep tegen bomenkap bijvoorbeeld is dat niet. Wat dan wel? Enkele elementen zijn noodzakelijk om van een burgercollectief te kunnen spreken:

  •  lokale behoefte invullen, met doel van structureel resultaat op de lange termijn;

  • de leden nemen de productie/uitvoering van de goederen of diensten zelf in handen (al kan soms een beroep worden gedaan op betaalde (diensten-leveranciers);

  • burgers zijn de initiatiefnemers en bepalen wie tot de groep behoort, en wie de goederen of diensten mag gebruiken of beheren;

  • de leden hebben inspraak in de vorm, de organisatie en de lijnen voor de toekomst;

Enkele voorbeelden: energie- of huisvestingscoöperaties, voedselteams, transitiegroepen met sociale kruidenier, coöperatieve spullenbib, of community supported agriculture waarbij consumenten zich nauw verbinden met een boer en zich engageren tot afname van de productie, of zelfs deelname aan de oogst. 

Trekkers: hoogopgeleide werkende dertigers en veertigers
Burgercollectieven zijn in grote mate het werk van 25- tot 45-jarigen, en de echte trekkers zijn veelal 36 tot 45 jaar (grafiek beschikbaar).Jongeren en senioren zijn nauwelijks vertegenwoordigd. Evenwicht is er wel in de deelname van vrouwen en mannen, en alleenstaanden, samenwonenden en gehuwden komen in vrij gelijke mate voor (grafiek beschikbaar).
Bij de trekkers in burgercollectieven zijn hooggeschoolden sterk oververtegenwoordigd: 86,3% heeft minstens een bachelordiploma (grafiek beschikbaar - tegenover 45,6% van de bevolking tussen 30 en 34 jaar volgens de cijfers van Statbel). De meeste trekkers (84,8%) combineren hun engagement met een baan (van wie vier op de tien halftijds). 
53,7% van de respondenten is politiek geëngageerd. De helft van de respondenten (48,6%) schat in dat de politieke voorkeur van de trekkers van hun burgercollectief zich links op het politieke spectrum bevindt (grafiek beschikbaar).

Relatie met overheid en bedrijfsleven: een gezonde afstand
De meeste burgercollectieven (58%) zijn zelfvoorzienend. 78% kwam tot stand zonder inspraak van de overheid. Maar een goede relatie met de overheid vinden ze wel belangrijk (80%). Ongeveer 1 op 3 overlegt met het gemeentebestuur over de activiteiten en diensten die ze aanbieden. De relatie met de (lokale) overheid loopt niet altijd van een leien dakje: sommigen zijn tevreden (“de stad maakte onze werking mee mogelijk”), andere minder (“wij kregen vooral tegenwind”).
Volgens een minderheid (16,8%) van de burgercollectieven zien bedrijven hen als concurrenten. Zelf vinden ze hun eigen rol ten opzichte van het bedrijfsleven aanvullend (in Wallonië), meewerkend (in Brussel), of vernieuwend (in de drie gewesten). (grafiek beschikbaar).

Weinig inclusief
De sectoren waarin ze actief zijn, tonen dat burgercollectieven vaak streven naar een meer duurzame samenleving. Ze inspireren daarmee andere actoren uit bedrijfsleven, overheid en middenveld. Mede door hun drang naar nabijheid en kleinschaligheid in hun aanpak, nemen ze als alternatief voor productie en/of consumptie vooralsnog echter een bescheiden rol op naast die dominante(re) actoren.
Willen burgercollectieven echt streven naar een duurzame en inclusieve samenleving, dan moet er nagedacht worden over manieren om ook minder kansrijke burgers te betrekken bij deze burgerbeweging.

Add a comment

Quand les citoyens prennent ensemble les choses en main: Focus sur les collectifs citoyens créés en 2015 et 2016

Les citoyens à la recherche d’un modèle de société plus durable prennent de plus en plus souvent les choses en main, entre autres sous la forme de collectifs citoyens, qui produisent eux-mêmes des biens ou des services. Avec le soutien de la Fondation Roi Baudouin et dans le cadre de son Observatoire des Associations et des Fondations, le think tank Oikos a étudié pour la première fois ces collectifs à l’échelle nationale : qui les anime, quelle est leur importance et comment se positionnent-ils parmi d’autres acteurs, comme les acteurs classiques du monde associatif, les pouvoirs publics et les entreprises ? L’étude réalisée par Okois a permis de cartographier les collectifs citoyens créés en Belgique en 2015 et 2016.

Cliquez ici pour télécharger le rapport complet. 

De plus en plus nombreux
En 2015 et 2016, 249 collectifs citoyens ont vu le jour en Belgique, répartis dans tout le pays (carte disponible). Parmi ceux-ci, 127 ont répondu à l’enquête. L’analyse a porté sur 106 questionnaires complétés (36 en Wallonie, 22 à Bruxelles et 48 en Flandre) - 21 organisations ne correspondaient en effet pas à la définition d’un collectif citoyen ou n’avaient pas été créées dans la période étudiée. La plupart de ces 106 collectifs sont actifs dans les domaines de l’alimentation, de l’agriculture, de l’énergie, de l’inclusion sociale et de l’économie collaborative. Plus de la moitié affirment que leurs activités relèvent de l’environnement et du développement durable (graphique disponible).
Pour les collectifs citoyens francophones, il s’agit de la toute première étude. Du côté néerlandophone par contre, Oikos dispose de données annuelles depuis 2004(graphique disponible), qui démontrent que  l’année 2009 a marqué un tournant : depuis lors, le nombre de collectifs citoyens créés augmente de manière considérable, et rien ne laisse entrevoir une stagnation de cette croissance. 

Qu’est-ce qu’un collectif citoyen ?
Toutes les activités que des citoyen.nes organisent ensemble ne sont pas des collectifs citoyens. N’entrent par exemple pas dans la définition un barbecue de quartier ou un groupe d’action temporaire contre un projet d’abattage d’arbres. Quelques critères sont indispensables pour pouvoir parler de collectif citoyen :

  • l’organisation vise à répondre à un besoin local tout en s’attaquant à un problème structurel;
  • les membres produisent ou fournissent eux-mêmes les biens ou les services (même s’ils peuvent parfois faire appel à des prestataires (de services) rémunérés);
  • les initiateurs sont des citoyens qui décident eux-mêmes qui fait partie du groupe et qui peut utiliser ou gérer les biens ou les services;
  • les membres ont leur mot à dire sur la forme du collectif, son organisationet ses lignes d’action pour le futur.

Quelques exemples : des coopératives d’énergie ou de logement, des initiatives alimentaires locales, des groupes de transition avec une épicerie sociale, une bibliothèque d’objets coopérative, des fermes communautaires dans lesquelles des consommateurs nouent un lien étroit avec un agriculteur et s’engagent à lui acheter sa production ou même à participer à la récolte. 

Les initiateurs : des personnes de 30-40 ans, actives, avec un haut niveau d’éducation 
Les collectifs citoyens sont dans une large mesure l’œuvre de personnes âgées de 25 à 45 ans et leurs initiateurs se situent surtout dans la catégorie des 36-45 ans(graphique disponible).Les jeunes et les seniors ne sont quant à eux pratiquement pas représentésIl y a un équilibre dans la participation des hommes et des femmes ainsi que dans celle des différents types de ménages : isolés, cohabitants et mariés(graphique disponible).
Les personnes avec un haut niveau d’éducation sont nettement surreprésentées parmi les initiateurs des collectifs citoyens : 86,3% de ceux-ci possèdent au moins un diplôme de ‘bachelor’ (graphique disponible)– contre une moyenne de 45,6% dans la population des 30-34 ans selon les chiffres de Statbel.La plupart de ces initiateurs (84,8%) combinent leur engagement avec un emploi(à mi-temps dans quatre cas sur dix). 
53,7% des répondants sont politiquement engagés. La moitié d’entre eux (48,6%) estiment que les préférences politiques des initiateurs de leur collectif citoyen se situent à gauche du spectre politique (graphique disponible). 

Relation avec les pouvoirs publics et les entreprises : une saine distance
La plupart des collectifs citoyens (58%) sont autosuffisants78% d’entre eux ont vu le jour sans la participation des pouvoirs publics. 80% jugent cependant important d’avoir une bonne relation avec ceux-ciEnviron un collectif sur trois se concerte avec l’administration communale au sujet des activités et des services qu’il propose. La relation avec les pouvoirs publics (locaux) ne va pas toujours de soi : certains collectifs sont satisfaits (“la Ville a contribué à rendre notre action possible”), d’autres moins (“on nous a surtout mis des bâtons dans les roues”).
Une minorité de collectifs citoyens (16,8%) estiment que les entreprises les voient comme des concurrents. Les collectifs trouvent que leur rôle vis-à-vis des entreprises est complémentaire (en Wallonie), collaboratif (à Bruxelles) ou innovant (dans les trois Régions). (graphique disponible).

Peu inclusifs
Les secteurs d’activités des collectifs citoyens démontrent qu’ils cherchent souvent à contribuer à une société plus durable. Ils inspirent ainsi d’autres acteurs du monde économique, public et associatif. Mais en raison entre autres de leur désir de proximité et d’action à petite échelle, la contribution de ces modes alternatifs de production et/ou de consommation reste modeste par rapport à celle des acteurs sociétaux (plus) dominants.
Si les collectifs citoyens veulent vraiment tendre vers une société durable et inclusive, il convient de réfléchir à des moyens d’impliquer aussi des personnes moins favorisées dans ce mouvement citoyen.

 

 

Add a comment

Op grond van samenwerking

Woningen, voedsel en trage wegen als heruitgevonden commons

Al meer dan twee eeuwen wordt grond geprivatiseerd, verkaveld en vermarkt. En al even lang zijn er schuchtere pogingen om dat proces te stoppen of om te keren – denk aan pacht, sociale woningbouw, natuurherstel of stadsvernieuwing. In dit boek tonen de auteurs praktijkvoorbeelden waarin mensen gezamenlijk optreden als de publieke overheid én de markt tekortschieten. De initiatieven verzachten effecten van vermarkting. Tegelijk botsen ze op het ‘absolute’, wettelijk verankerde recht op eigendom, of op nieuwe privatisering. Bij vragen over gedeeld eigenaarschap of gebruiksrecht beland je bij de commons: culturele en natuurlijke hulpbronnen gebruikt en beheerd door burgers. Op grond van samenwerking bundelt bijdragen van diverse Vlaamse experten inzake commons, en vertrekt vanuit het INDIGO-project. Dit boek richt zich tot een brede groep van praktijkmensen die op zoek zijn naar nieuwe, meer solidaire manieren om grond te beheren.

Met bijdrages van Dirk Holemans (red.), Pieter Van den Broeck (red.), Annette Kuhk (red.), Michel Bauwens, Jef Peeters, Bernard Hubeau, Lieven De Cauter, Pavlos Delladetsimas, Guy Vloebergh, Constanza Parra, Frank Moulaert, Nele Verdonck, Marie Mistiaen, Geert Depauw, Nele Aernouts, Michaël de Potter de ten Broeck, Steven Clays, Sofia Saavedra Bruno, Hans Leinfelder, Jose Luis Vivero-Pol, C.M. Deh-Tor, Annelies Beyens, Kaat Segers, Nico Moons, Griet Celen en Dries Elst.

Op grond van samenwerking kan je bestellen bij Oikos door overschrijving van €20,- + €4,- verzendingskosten op het rekeningnummer BE29 0015 9877 0164 (BIC: GEBA BE BB) van Oikos vzw met in de mededeling de titel van de publicatie (Commons congresteksten) en je adres (enkel binnenland).

 

Add a comment

PEER-TO-PEER Manifest voor een Commons Transitie

Peer- to- peer als basis van een transitie naar een op commons gebaseerde samenleving

Peer-to-Peer, afgekort P2P, staat voor een wijze van produceren waarin de producenten als gelijken een goed creëren dat gemeenschappelijk gebruikt kan worden. Denk bijvoorbeeld aan Wikipedia. Het gaat om een manier van produceren die in de lift zit en volgens de P2P Foundation mogelijkheden inhoudt voor het creëren van een economie die billijkheid, duurzaamheid en openheid combineert. Dat kan leiden tot een diepgaande verandering naar een samenleving die gecentreerd is rond commons. Michel Bauwens en Vasilis Kostakis beschrijven dat in dit beknopt boekje: Peer-to-Peer. Manifest voor een commons-transitie, waarvan de Nederlandse vertaling door Oikos verzorgd wordt.

Het boekje presenteert de inzichten over een commons-transitie die groeiden doorheen de debatten van de laatste jaren in de schoot van de P2P Foundation.

De auteurs ontwikkelen hun visie door vier aspecten van P2P samen te brengen: een type van sociale relaties in menselijke netwerken; eveneens een technologische infrastructuur die de veralgemening en opschaling van dergelijke relaties mogelijk maakt; daardoor een nieuwe wijze van produceren en verdelen mogelijk maakt; alsook het potentieel schept voor een transitie naar een economie die ‘generatief’ is voor mens en natuur (in tegenstelling tot het ‘extractief’ karakter van de huidige economie).

Peer-to-Peer. Manifest voor een commons-transitie kan je bestellen bij Oikos door overschrijving van €4,- + €2,- verzendingskosten op het rekeningnummer BE29 0015 9877 0164 (BIC: GEBA BE BB) van Oikos vzw met in de mededeling de titel van de publicatie en je adres (enkel binnenland).

Add a comment

Solidariteit in superdiversiteit

Vlaanderen is ondertussen superdivers geworden. In onze steden – zeker in bepaalde wijken ervan - is er amper nog sprake van een culturele meerderheid. Als leraar, leerling, werkgever, werknemer, buur, buurtwerker, vakbondsmilitant, vrijwilliger, sportbeoefenaar, trainer of jeugdwerker worden we daarom allemaal geconfronteerd met culturele verschillen.

In dit boek lees je hoe solidariteit in superdiversiteit vorm krijgt, op basis van het grootschalig DieGem-onderzoek. Dat bestudeerde 32 verschillende plaatsen waar mensen van diverse afkomst elkaar ontmoeten. Concreet gaat het om een brede waaier aan scholen, bedrijven, buurtpleintjes, sociale woonwijken, sportclubs, jeugdprojecten, enz.

Solidariteit in superdiversiteit laat op een toegankelijke manier zien dat de uitdaging van solidariteit verder reikt dan sociale cohesie. Het gaat ook over burgerschap, over verantwoordelijkheid opnemen voor de plaatsen die we delen en de educatieve processen waarin burgers solidariteit leren. We reiken ook praktische tools aan om solidariteit in een superdiverse samenleving te ontwikkelen en te versterken.

Solidariteit in superdiversiteit is dan ook een must read voor alle mensen die op één of andere manier, professioneel of op vrijwillige basis, aan solidariteit werken in een superdiverse samenleving.

 

Solidariteit in superdiversiteit van Nick Schuermans, Joke Vandenabeele, Stijn Oosterlynck, Marc Jans & Dirk Holemans, is een publicatie van Acco ism. Denktank Oikos.

 

Over de auteurs

NICK SCHUERMANS was wetenschappelijk coördinator van het DieGem-project. Tegenwoordig werkt hij als post-doctoraal onderzoeker aan Cosmopolis (Centrum voor Stadsonderzoek, VUB). Verder bouwend op zijn interesse voor de geografie van ontmoeting en solidariteit, coördineert hij er het interdisciplinair onderzoeksprogramma Cities and Newcomers. Hij geeft ook les over stedelijkheid, diversiteit en migratie.

JOKE VANDENABEELE werkt als hoofddocent aan het Laboratorium Educatie en Samenleving (KU Leuven). In nauwe samenspraak met professionals en geëngageerde burgers, doet ze onderzoek naar burgerschapseducatie, gemeenschapsvorming en sociale en culturele pedagogiek. Ze was één van de promotoren van het DieGem-project.

STIJN OOSTERLYNCK was hoofdpromotor van het DieGem-project. Hij is stadsocioloog aan de Universiteit Antwerpen. Hij coördineert het onderzoekscentrum OASeS en is voorzitter van het Antwerp Urban Studies Institute. Hij doceert over de stad, armoede en ongelijkheid. Zijn onderzoek richt zich ook op lokale innovatie, stadsontwikkeling, de welvaartsstaat en solidariteit.

MARC JANS is stafmedewerker Onderzoek bij Socius, het steunpunt voor sociaal-cultureel volwassenenwerk. Hij was valorisatiecoördinator van het DieGem-project bij het Laboratorium Educatie en Samenleving (KU Leuven).

DIRK HOLEMANS is coördinator van Oikos, de denktank voor sociaalecologische verandering, en hoofdredacteur van het gelijknamige tijdschrift. Hij publiceert over innoverende burgerinitiatieven, ecologische economie en stadsontwikkeling. Zijn laatste boek is Vrijheid & Zekerheid. Naar een sociaalecologische samenleving (EPO).

Bestellen:

Diversiteit in superdiversiteit kan je bestellen bij Oikos door overschrijving van €20,- + €4,- verzendingskosten op het rekeningnummer BE29 0015 9877 0164 (BIC: GEBA BE BB) van Oikos vzw met in de mededeling de titel van de publicatie (Commons congresteksten) en je adres (enkel binnenland).

 

 

 

Add a comment

Over #Tafel5

#Tafel5 | Wij schrijven de toekomst

Veel zaken wijzen in de richting van een onzekere toekomst. Denk aan de klimaatontwrichting of de groeiende ongelijkheid. Extreme politici pogen het maatschappelijk debat te domineren met een verhaal van uitsluiting en ieder voor zich.

Maar daar hebben we eigenlijk helemaal geen zin in. Dus schrijven we een ander verhaal!

Er zijn heel veel voorbeelden dat het anders kan, dat het anders gaat. Zou het dan kunnen dat die verandering die moet komen, die transitie waar zo velen het over hebben, eigenlijk al bezig is? 

Veel burgers en progressieve steden nemen al concrete stappen. Wist je al dat er elk jaar 10 keer meer initiatieven zoals stadslandbouw of deelinitiatieven bijkomen dan 10 jaar geleden? Bij ons en over de landsgrenzen heen zijn er in toenemende mate voorbeelden van mensen die, elk op hun eigen manier, de handen uit de mouwen steken om de toekomst te vrijwaren en vorm te geven. 

Voor deze reeks kruipen wij, een bende jonge gasten, goedgeluimd in onze pen om wekelijks constructieve analyses en inspirerende columns te verspreiden. Dat doen we via de schrijversgemeenschap van Oikos.

We willen positieve verhalen brengen over toekomstvaardige initiatieven en evenementen. Dit doen we niet omdat we naïef zijn. We weten ondertussen wel hoe het niet moet. Maar hoe het dan wel moet kan veel verschillende vormen aannemen. Door die op te zoeken en toe te lichten, gaan we die positieve verhalen niet enkel erkennen, maar ook de tendens waarvan ze deel uitmaken gaan voeden. Op deze manier willen we inspireren, bijleren en goesting geven om deel uit te maken van die beweging.

'The next big thing will be a lot of small things', schreef een artiest op een Gents gebouw. #Tafel 5 wil een van die betekenisvolle bescheiden initiatieven zijn die er toe doen. Begin elke week op maandag met een zinvol verhaal van één van ons.

 

OPROEP

Leef je op basis van afval die supermarkten en consumenten genereren?
Of zit je aan tafel met multinationals om hen een duurzaam geweten te schoppen? Zet je je in om onze samenleving toleranter te maken?
Heb je zin om je visie te delen? Vervoeg #Tafel 5!
We zijn op zoek naar een diverse groep jongeren die hun verhalen willen brengen en bruggen willen bouwen.
Stuur een mailtje naar Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

 

 

Add a comment

Schaf de keuken af

'En wat hebt u nu zelf deze middag gegeten, mevrouw?'
'Oh? Niets. Ik heb nog niets gegeten. Het kwam er niet van.'

Het ding met historische verschuivingen is dat je ze niet meteen herkent. Je ziet alleen iemand die een pak ouder of een pak jonger is dan jij, en die iets zegt of doet wat jij vreemd, schokkend of belachelijk vindt. Soms is het een hele groep mensen, die allemaal volharden in belachelijkheid, en nog zal het niet meteen dagen dat voor je neus geschiedenis geschreven wordt. 

Je verwacht bij geschiedenis natuurlijk ook iets groots, iets met wapens, uitvindingen, staatsleiders. Niet dat het over je middageten zal gaan. Maar daar stond ik, toen 34 jaar oud, voor een zaal in Leuven die gevuld was met een honderdtal zestigplussers. Ik had een uiteenzetting gehouden over duurzaam eten (omdat ik daar een boek over geschreven had). 'En wat hebt u nu zelf deze middag gegeten?' vroeg de moderator vol verwachting. Het was een uur of drie in de namiddag. Ik had een strak getimede, spannende werkdag met veel verplaatsingen. Eten was de laatste van mijn zorgen geweest, dat leek me logisch. 

Voor mijn publiek was het helemaal niet logisch. Ik zag hun vertrouwen wegzakken. Hoe kon ik voor voedingsexpert doorgaan, als ik zelf mijn maaltijden verwaarloosde? Mijn verhaal over klimaatverandering en minder vlees eten was redelijk nieuw voor hen, en niet zo aantrekkelijk. Zeker niet als het ermee gepaard ging dat je je middageten oversloeg. Ze zagen iets verloren gaan. 

De treurlunch

Vandaag ben ik daar meer mee bezig dan toen, met de dingen die verloren gaan. De kennis en vaardigheden die verloren gaan, de smaken, de betekenis van eten, de rituelen. De eetcultuur die afbrokkelt. En de nieuwe die in de plaats komt, natuurlijk. Daarover gaat deze tekst.

Ik zou dit niet hebben kunnen schrijven als ik mij tegelijk ook verantwoordelijk had moeten voelen voor drie goed georganiseerde maaltijden per dag, of, erger nog: elke dag rond halfzes 's avonds post zou moeten vatten achter een fornuis ('Wat hebt u gisterenavond klaargemaakt, mevrouw?' 'Ik heb soep opgewarmd van eergisteren'). Ik zou geen krantenjournalist kunnen zijn en waarschijnlijk geen boeken kunnen schrijven. Ik heb geen kinderen, mijn man is 's avonds vaak op zijn werk, ik kus mijn twee handen: niemand verwacht dat ik kook. Als ik kook, doe ik dat omdat het me past. Of omdat ik zoveel zin heb om tomaten in te maken, dat ik er mijn slaap voor laat. 

Er zijn steeds meer mensen zoals ik, die zich niets moeten aantrekken van vaste maaltijden en van wie niemand verwacht dat ze koken. Er zijn meer eenpersoonshuishoudens in ons land dan huishoudens met kinderen, en ook het aantal koppels zonder kinderen neemt toe, en het aantal mensen dat zich in een co-ouderschapsregeling slechts deeltijds over kinderen ontfermt. 

Hun veranderende eetgewoonten zijn razend interessant voor marktonderzoekers, die graag goochelen met termen als snackfast: een reeks tussendoortjes in de loop van de voormiddag, die het ontbijt vervangt. De sad desk lunch oftewel eenzame picknick aan de computer neemt de plaats in van de gedeelde middagpauze. De voedingsindustrie houdt er maar beter rekening mee dat we in toenemende mate secundair eten: eten terwijl onze hoofdactiviteit iets anders is. Amerikanen spenderen vandaag al meer tijd aan secundair eten dan aan maaltijden. 

Het keukenloze huis 

Waar wachten we nog op om huizen zonder keukens te bouwen? Voor de Barcelonese architecte Anna Puigjaner is het geen retorische vraag (ter zijde: haar naam spreek je ongeveer uit als pu-dzja-nèr, met de klemtoon op het eind). Ze heeft zelf nog geen enkel keukenloos huis gebouwd, maar schreef er wel een doctoraat over, en werd daarvoor bekroond met de Weelwright Prize van Harvard University, die haar 100.000 dollar schenkt zodat ze haar onderzoek kan uitbreiden. Het voorstel dat ze daarvoor indiende heet, provocerend, Kitchenless City: verlos onze steden van de keuken. Anna Puigjaner gelooft 'dat gebouwen mensen moeten helpen om hun leven efficiënter te maken', oordeelde de jury van de prijs enthousiast. 'Ze streeft naar een architectuur die de kracht heeft om de last van ons huishoudelijke leven te verlichten.' 

Anna Puigjaner provoceert graag. Ook op mij werkte haar verhaal – en de lof die ze ermee oogstte – aanvankelijk als een rode lap op een stier. Maar ik kan niemand noemen die zo'n interessant onderzoek doet naar eetcultuur. 

Het woningtype dat ze in haar doctoraatsthesis tegen het licht houdt, maakte opgang in New York in de late negentiende eeuw: appartementen zonder keuken, maar wel met een gedeelde keuken, eetruimte en kok (de formule werd later weer opgeborgen omdat ze werd geassocieerd met het communisme, zegt Puigjaner). Met het geld van de Weelwright Prize zal ze andere historische voorbeelden onderzoeken én eigentijdse experimenten zoals de Sargfabrik in Wenen, een cohousingcomplex waarin de 112 wooneenheden verbonden zijn met een gemeenschappelijke keuken en een restaurant. De Sargfabrik werd opgericht door burgers die het ideaalbeeld van het traditionele gezinnetje veel te dominant vonden, en de kwaliteitsvolle woningen in hun stad veel te duur. Maar Puigjaner reist ook naar de commerciëlere, hostel-achtige YOU+ International Youth Apartments in China: woonblokken met zeer kleine, keukenloze huurstudio's voor alleenstaanden onder de 45, die voor hun eten terechtkunnen in een cafetaria of een deelkeuken. 

'Houd voor ogen dat maar een minderheid van de bevolking in een conventioneel gezin leeft', zegt Puigjaner in een interview met de architectuurwebsite Archdaily. Waarom sporen onze huizen niet met die realiteit? 'We hebben vandaag veel grotere, mooiere, beter uitgeruste privékeukens dan honderd jaar geleden. Maar we zijn niet meer gaan koken.' En Puigjaner vindt dat gewoon logisch, zegt ze: 'Huishoudelijk werk moeten we overlaten aan betaalde professionals, die het veel beter kunnen dan wij.' (Daar is de rode lap weer.)

Hello! 

Kunnen gewone mensen niet goed genoeg koken? Of boodschappen doen? Tien jaar geleden zou het nog een vergezochte vraag geweest zijn, maar vandaag zie ik in mijn straat geregeld camionettes van het Duitse bedrijf Hello Fresh. Ze leveren maaltijdboxen: pakketten met precies de juiste ingrediënten voor drie of vijf maaltijden op maat van jouw huishouden, die je alleen nog te bereiden hebt volgens het bijgesloten recept. Klanten van Hello Fresh (of zijn concurrenten Smartmat en Marley Spoon) vertellen je mogelijk dat ze dankzij hun maaltijdboxabonnement geen boodschappen meer moeten doen, maar ze moeten natuurlijk nog altijd naar de winkel voor appels, thee of afwasproduct. Wat Hello Fresh echt voor hen doet, is beslissen. Het is er voor mensen die wel zelf willen koken en daar meer dan genoeg geld voor hebben, maar onvoldoende zelfvertrouwen.

Puigjaner en Hello Fresh doen niet hetzelfde. Hello Fresh doet alsof het normaal is dat a) je zelf niet genoeg verbeelding of kennis hebt om te koken en b) het wel eenieders droom is om dat koken dagelijks tot een goed eind te brengen. Ook Puigjaner stelt dat we zelf niet goed genoeg koken, en haar oplossing is: stop met proberen! Haar voorstel is op het eerste gezicht schokkender. 

Maar Puigjaner zegt niet dat we moeten stoppen met nadenken over ons eten. Ze suggereert dat uitbesteden tegelijk ook toe-eigenen kan zijn. Dat gemeenschappelijke keukens net kunnen samengaan met de hernieuwde belangstelling in de herkomst van eten, of met de gedachte dat je samen sterker staat. 'Uiteindelijk is een gemeenschappelijke keuken iets als een coöperatieve winkel, met als enige verschil dat je er gekookt eten koopt.' 

De fanfare van honger en dorst

Ik vraag mij af wat Anna Puigjaner doet in haar vrije tijd. Hoe ontspant ze? Hoe voedt ze haar zintuigen? Hoe houdt ze het leven speels en boeiend? Hoe verwent ze de mensen die ze graag ziet?

Doet ze alleen maar dingen waarin ze een professioneel niveau haalt? 

Vindt ze ook dat we bloembollen beter in de grond laten steken door geschoolde tuinaannemers? Dat we beter geld samenleggen voor een professionele fanfare dan dat we zelf trompet proberen te spelen? Dat mensen met kinderen het verhaaltje voor het slapengaan beter uitbesteden aan een jonge freelancer (met een letterkunde- of theaterdiploma uiteraard)? En heeft ze echt geen vrienden die lekker en weloverwogen koken hoewel ze eigenlijk geschoold zijn als graficus, kleuterleider of lasser?

Ik vraag me ook af hoe Anna Puigjaner de toekomst ziet. Een toekomst waarin we allemaal nog meer uren gespecialiseerd, betaald werk doen? Waarin thuis alleen maar een slaapplaats is, ingericht, verzorgd en van proviand voorzien door mensen die daar meer verstand van hebben dan wij? Waarin je alleen leert koken als je daar een beroepsopleiding voor volgt? 

Ik vraag me af wat Anna Puigjaner zou vinden van de woongemeenschap in Vinderhoute, die ik zelf leerde kennen toen ik er werd uitgenodigd voor een workshop. De bewoners hebben er ruime eengezinshuizen, elk met hun privékeuken, maar ook een professioneel uitgeruste gemeenschappelijke keuken met eetzaal. Daar wordt gemiddeld twee keer per week samen gekookt en gegeten. Het is bovendien een afhaalpunt voor het lokale voedselteam: een losse vereniging van burgers uit Vinderhoute die samen wekelijks seizoensgroenten bestellen bij een ecologische boer in eigen streek. 

Hoe kun je groentenoverschotten bewaren zonder dat je een gigantische koelkast en diepvriezer nodig hebt? Rond die vraag hadden het voedselteam en de cohousing samen een workshop georganiseerd. We maakten zuurkool, tomatenpassata en tafelzuur van courgettes met curry. 

Als het gaat over afbrokkelende eetcultuur en kookkunst die in vergetelheid raakt, wordt dat vaak geassocieerd met moeders die minder tijd doorbrengen in hun keuken, met de gezinsmaaltijd die onder druk staat. Maar hier was net ruimte en tijd voor nieuwe vaardigheden omdat een groep gezinnen hun eigen keuken en hun traditionele onderonsjes geregeld eens naar het tweede plan schoven.

Ik denk dat Anna Puigjaner er blij van geworden zou zijn. (En dat de Leuvense zestigplussers onder de indruk zouden zijn van mijn behendigheid met weckpotten!) 

We hébben tijd 

Dat we geen tijd meer hebben om te koken is tot dusver vooral een verhaaltje waarmee kant-en-klare sauzen worden verkocht. Het klinkt aannemelijk, maar het is niet waar, toch niet in Vlaanderen. Tussen 1999 en 2013 nam het aantal uren dat vrouwen wekelijks besteedden aan eten maken, af van 6 uur tot 5 uur en 3 minuten. Maar mannen gingen méér koken: wekelijks 3 uur en 11 minuten, terwijl dat in 1999 nog maar 2 uur en 34 minuten was. Tel mannen en vrouwen bij elkaar op, en in totaal is onze tijd voor de keuken slechts lichtjes afgenomen. 

De cijfers komen uit tijdsbestedingsonderzoek van de Vrije Universiteit Brussel en zijn gebaseerd op een steekproef bij 3.260 Vlamingen. Die toont meteen ook het addertje in het gras: de tijdsdrukervaring neemt toe, vooral bij ouders van jonge kinderen. Het gevoel van tijdgebrek is het sterkst bij de deeltijds werkende ouders, die het grootste deel van de huishoudelijke taken dragen en vaak ook de maaltijden voor hun rekening nemen. 

Het ideaalbeeld van het gezinnetje dat dagelijks aan de keukentafel zit rond de dampende ovenschotel (en de dampende ouder die die ovenschotel in een race tegen de tijd heeft bereid), zal steeds minder stimuleren. Er moet iets denkbaar zijn wat haalbaarder is voor mensen met, en aanstekelijker voor mensen zonder kinderen. Iets wat beter past bij wat we nodig hebben.

Samenkoken 

Die zoektocht is natuurlijk al begonnen. In mijn thuisstad Antwerpen richtten twee jonge vrouwen Amador, op, een 'deelkeuken' waar diners worden bijeengekookt voor telkens 24 mensen. Wie mee kookt, betaalt minder. Het doel is vooral gezelligheid, onder het motto 'kook en eet alsof je met velen op vakantie bent, maar dan om je hoek, zomaar een dag in de week'. Enkele wijken verder is de strijd tegen de sad desk lunch aangebonden: thuiswerkers die elkaar kennen als buren, hokken op informele basis samen in de lunchpauze. 

Zelf deel ik met vrienden uit de buurt een volkstuin. Het samen tuinieren gebeurt met wisselend succes, maar levert meer op dan groenten en frambozen. We eten soms bij elkaar thuis, brengen elkaar weleens maaltijden als we veel gekookt hebben (of als we denken dat het deugd kan doen), wisselen tips uit om elk stuk van onze groenten tot iets lekkers te verwerken – mijn favoriet is het prachtige donkerrode loof van onze bull's blood-bietjes. We leveren elkaar met de fiets oogst aan huis (hallo, vers!). Boven een zak sla en lente-uitjes delen we lief en leed. Er is een verwantschap uit voortgekomen. 

Soms groeit zo'n culinair verbond uit tot iets groters. De Beek, dat zichzelf een voedselbewegingscollectief noemt, werd zes jaar geleden uit de grond gestampt door een tiental jonge gezinnen, koppels en singles die wilden zoeken naar een alternatief voor ons spilzieke voedselsysteem. Ze huren samen een oud atelier waarin ze met bijeengesprokkeld materiaal een grote keuken installeerden, en legden contact met biotuinders en -handelaars uit de buurt en de streek, waar ze regelmatig overschotten mogen oogsten of oppikken. Met die overschotten koken ze ongeveer wekelijks samen. Iedereen mag mee komen koken (gratis kookles) en iedereen mag voor een vrije bijdrage mee eten. De Beek noemt zichzelf weleens een doe-tank. Behalve kooksessies, inmaaknamiddagen en gastentafels zijn er ook soms infoavonden (over permacultuur of fietsreizen), kleiateliers en kledingruildagen. 

Velt, de Vereniging voor Economisch Leven en Tuinieren, draagt de basisformule van De Beek sinds kort in heel Vlaanderen uit. Ze leidde dit voorjaar vijftien 'ecokoks' op tot coaches om samenkeukens op te richten en te begeleiden. Het resulteerde deze zomer en herfst in een lange reeks samenkooksessies, die plaatsvonden in parochiezalen en cultuurcentra, maar ook op bioboerderijen en in samentuinen. 

Mama Marta

Nieuwer dan De Beek is Marta, een maandelijkse markt op zaterdag. Marta noemt zichzelf gewoon 'de mart van 't Stad', wat een beetje verhult dat er een kritisch onderzoek achter zit. Wat is duurzame landbouw, hoe kan de stad zich daartoe verhouden, hoe kunnen afvalstoffen weer grondstoffen worden, is ecologisch per definitie biologisch? Zeven jonge Antwerpenaars, verenigd in twee vzw's, breken er onophoudelijk hun hoofd over en werken hard aan een netwerk van geëngageerde landbouwers en ambachtsmensen. Maar hun markten zijn ook bijzonder fijne ontmoetingsplekken, waar je kunt ontbijten, brunchen, koffie drinken, wijn proeven en uiteindelijk zelfs blijven hangen tot na het opkramen, wanneer met de onverkochte verswaren een overschottendiner wordt bereid. Het gemak waarmee je bij dat alles vertraagt, de vriendschappelijkheid, het ontbijtbuffet met eenvoudig maar verzorgd eten, de gesprekken over recepten en smaken, het getik van bestek op servies... doen denken aan een ongecompliceerde familiebijeenkomst. 

Enkele van de mensen achter Marta werken in de kunstensector en dat merk je: de markt is knap vormgegeven en heeft een zeker hipstergehalte. Maar het doel is onverholen educatief. Marta moet een 'voedsel-leerpunt' zijn, schrijft de vzw Ondergrond op haar website, waar Antwerpenaars informatie vinden 'over duurzame landbouw, voedselproductie en innovatie'.

Red de refter

Het indrukwekkende parcours van Alle Dagen Honger begon met twee jonge vrouwen die een tijdje een appartement deelden. Al snel deelden ze ook de tomaten die de ene meekreeg uit haar geboortestreek, en de natuurwijn die de andere leerde kennen via haar vriend. En ontdekten ze dat ze allebei ontevreden waren over de behandeling die eten doorgaans krijgt in de media: te oppervlakkig. Hun eerste wapenfeit was een blog, maar daar kwam verbazend snel Krachtvoer uit voort, een tweedaags kritisch-gastronomisch festival dat duizenden mensen samenbracht rond documentaires, lezingen, gesprekken, workshops en proeverijen. 

Alle Dagen Honger noemt zichzelf nu een culinair projectbureau, werkt mee aan diverse evenementen en onderzoekstrajecten, en spitst de volgende editie van Krachtvoer toe op onze grootkeukens. Hoe eten we vandaag in scholen, rusthuizen en ziekenhuizen? En hoe zouden we daar kunnen eten? Het wordt voor de gelegenheid geen breed publieksfestival, maar een symposium voor 'beleidsmakers, chefs, wetenschappers, ouders, ontwerpers en hongerige geesten'. Werktitel: Red de refter. 

En ja, daar ga ik Anna Puigjaner over mailen. Haar kitchenless city heeft doordachte gaarkeukens nodig. Maar ik wil haar ook zeggen hoe goed wij hier zelf kunnen koken.  

Het ding met historische verschuivingen is dat je ze niet meteen herkent. Je ziet alleen iemand die vaak een pak ouder of een pak jonger is dan jij, en die iets zegt of doet wat jij vreemd, schokkend of belachelijk vindt. Of onwaarschijnlijk ambitieus en geïnspireerd. Soms is het een hele groep mensen, die allemaal volharden in ambitie, en nog zal het niet meteen dagen dat voor je neus geschiedenis geschreven wordt. 

Meer weten & proeven 

* Het voedselbewegingscollectief De Beek heeft zijn keuken in de Van Diepenbeeckstraat in Antwerpen, dicht bij de wijk Zurenborg. Een agenda met activiteiten vind je op debeekblog.wordpress.com. Wie op de hoogte wil blijven, schrijft zich (ook via die website) het best in voor de nieuwsbrief, want veel activiteiten worden last-minute georganiseerd, bijvoorbeeld wanneer er plots oogstoverschotten zijn waarvan confituur of tomatenpassata gemaakt kunnen worden. 
* Marta houdt elke eerste zaterdag van de maand van 9 tot 16 uur markt aan het Kattendijkdok in Antwerpen. 
* De volgende editie van Krachtvoer vindt plaats in Antwerpen in het voorjaar van 2017.

Bio

Dorien Knockaert is foodwriter en correspondente 'De bacteriële revolutie' bij De Standaard. In 2012 verscheen van haar Goed Eten. Een jaar lang proeven, koken en zoeken naar een eerlijke keuken.

 

 

Add a comment

Grow, Eat, Share. 120 recepten van boer tot bord

avalon boek007 kopie 2Na het succesvolle en met een Vegan Award bekroonde kookboek Puur & Vegetarisch brengt Restaurant Avalon dit jaar een nieuw uniek kookboek uit: Grow Eat Share - 120 recepten van boer tot bord. Het bundelt de favoriete plantaardige recepten van vier chefs en zoomt in op de inspirerende lokale transitiepartners met wie Avalon samenwerkt.

Add a comment

Lees meer

Vrijheid & Zekerheid

Samenlevingen veranderen doorheen de tijd. Zo zorgde de welvaartsstaat vanaf de jaren 1950 dat burgers van toenemende vrijheid genoten terwijl de overheid voor zekerheid zorgde. Vanaf de jaren 1980 maakte de neoliberale markt van vrijheid en zekerheid dan weer individuele projecten.

Volgens Dirk Holemans ontwikkelt zich nog eens ruim dertig jaar later een derde tijdperk: de sociaal-ecologische samenleving. Die samenleving pakt de paradox van onze tijd aan. Want vrijheid en zekerheid hebben nog weinig te maken met het behoud van onze huidige wereld. Hoe we ons morgen verplaatsen, voedsel produceren of energie opwekken: alles zal anders zijn. Naïef, zegt u? Nochtans nemen steeds meer burgers concrete initiatieven in samenwerking met progressieve besturen. Denk aan lokale voedselsystemen, energiecoöperaties, duurzame mobiliteit, enzovoort.

In dit uitdagende boek toont Holemans aan hoe zo’n samenleving van de 21ste eeuw eruit kan zien en hoe we daar geraken.

Vrijheid & zekerheid. Naar een sociaal-ecologische samenleving is een uitgave van Uitgeverij EPO i.s.m. Denktank Oikos

 

Over het boek:

"Over wat soort ideeën en werkwijzen beschikken we voor de transitie naar een duurzame maatschappij? Weinige Belgische auteurs hebben hierover zo'n alomvattend perspectief als Dirk Holemans. Hij ontwikkelt een visie over de radicale evolutie naar een duurzame maatschappij die vrijheid en zekerheid in evenwicht kan houden. Voor eenieder die wil meewerken aan de transitie naar een sociaal-ecologisch maatschappijmodel is dit boek een must." - Michel Bauwens, cyberfilosoof en oprichter van de p2p foundation

"Voor mensen die geïnteresseerd zijn in kritische politieke ecologie en commons, in politisering en burgerinitiatief, in het partnerschap tussen geëngageerde burgers en een flankerende overheid, in ontmarkting en de strijd tegen neoliberalisme, en zich kunnen vinden in het motto "Transitie is oorlog" in het streven naar sociaal-ecologische rechtvaardigheid, raad ik dit boek nu al zéér warm aan. Ik heb écht genoten van dit boek. Dirk Holemans steekt David Bollier voorbij!" - Pascal Debruyn, Postdoc onderzoeker, Politieke wetenschappen UGent

Bestellen:

Vrijheid & zekerheid kan je bestellen bij Oikos door overschrijving van €19,- + €4,- verzendingskosten op het rekeningnummer BE29 0015 9877 0164 (BIC: GEBA BE BB) van Oikos vzw met in de mededeling de titel van de publicatie en je adres (enkel binnenland).

Add a comment

Doneer

Wil je Oikos steunen als onafhankelijk platform? Dan kan door een bijdrage – groot of klein - te storten op BE29 0015 9877 0164 (BIC: GEBA BE BB) van Oikos vzw.

Over Oikos

Oikos wil een toonaangevend forum zijn voor de sociaal-ecologische tegenstroom. Oikos vertrekt vanuit de analyse dat het gangbare economische model ecologisch niet duurzaam is, en dat de emancipatie van velen in onze samenleving en de wereld nog lang niet voltooid is. Oikos behandelt alle dimensies van dit streven naar verandering: de onderliggende ethiek, de analyse van de bestaande toestand, de ontwikkeling van alternatieven en de politieke strategie.

Gratis proefnummer

Wil je graag een gratis proefnummer ontvangen van Oikos? Dat kan! Vul op deze pagina jouw gegevens in en wij sturen jou het laatste Oikos nummer als gratis proefnummer op.