en

Winkelwagen leeg

Denktank voor Sociaal-Ecologische Verandering

Milieu en Natuur

Milieu en Natuur (25)

Oikos tijdschrift - Lees nu: dossier agroecologie

05 mei 2022 by Milieu en Natuur 98 Views
Administrator

Written by

 

Het maatschappelijk bewustzijn groeit dat het dominante voedsel- en landbouwsysteem onhoudbaar is. Megastallen beschadigen de natuur door hun stikstofuitstoot, waterslurpende exportgewassen staan haaks op drogere zomers, insecten en weidevogels verdwijnen, en in het Globale Zuiden maken leefgebieden van inheemse volkeren vol biodiversiteit plaats voor de productie van veevoeder. Het is een pijnlijke paradox dat terwijl dit landbouwsysteem veel broeikasgassen uitstoot, het net het minst bestand is tegen klimaatontwrichting. Bovendien zijn zowel boeren als consumenten de dupe van dit industrieel model in handen van een kleine groep grote bedrijven. Boeren moeten steeds meer produceren tegen lagere prijzen, consumenten zien hun keuze beperkt tot wat supermarkten willen aanbieden, met rekken vol processed food, terwijl gezonde, lokale voeding niet voor iedereen betaalbaar is.

Gelukkig is er een groeiende groep mensen - boeren, activisten en wetenschappers in binnen- en buitenland - die al geruime tijd het hoopvolle model van agroecologie ontwikkelen en uitbouwen. Agroecologie is een vorm van landbouw die ecologische kennis en praktijk samenbrengt, een gebalanceerde en holistische manier om voedsel te produceren. Het vertrekt van het inzicht dat alles samenhangt en we allemaal deel uitmaken van het web van het leven. Dit besef van lotsverbondenheid gaat hand in hand met zorgzaam in de wereld staan. Vanuit het agroecologisch denken en handelen is het logisch dat je zowel zorg draagt voor het bodemleven als investeert in een verbindend sociaal netwerk rond de boerderij. Het welzijn van de mens, bodem, natuur en sociale leefomgeving zijn afhankelijk van en beïnvloeden elkaar. 

Om al deze redenen besloten we Oikos n°98 en n°99 te wijden aan agroecologie en het volledige dossier openbaar te zetten. Dit vind je terug via deze link

Veel leesplezier!

Read more...

Het is genoeg geweest

07 april 2022 by Milieu en Natuur 272 Views
Dirk Holemans

Written by

 

 

Het nieuwste, alweer dramatische klimaatrapport vestigt de aandacht op wat we (misschien graag) dreigen te vergeten: het ligt ook bij ons. Als de mens sneller zegt dat hij genoeg heeft, schrijft Dirk Holemans, kan dat een wezenlijk verschil maken.

 

Het eerste klimaatverdrag van Kyoto is intussen een jonge dertiger. Alle ­beloftes ten spijt is sindsdien de jaarlijkse CO2-uitstoot met maar liefst 60 procent gestegen. Bent u al ongerust?

Maandag verscheen het nieuwste rapport van het klimaatpanel IPCC, toegespitst op deze ene vraag: hoe kunnen we de uitstoot van broeikasgassen snel en drastisch terugdringen, om een onherbergzame klimaattoekomst te vermijden? Die opdracht is niet evident. De mondiale uitstoot van broeikasgassen was in het afgelopen decennium groter dan ooit. Die uitstoot is ongeveer even groot als het koolstofbudget dat overblijft om de opwarming tot anderhalve graad ­Celsius te beperken. Dus als we dit ­decennium nog eens evenveel uit­stoten, is ons koolstofbudget op.

Wat dat betekent na 26 klimaat­toppen, vatte VN-secretaris António ­Guterres gevat samen bij de lancering van het rapport: ‘Het is een tekst vol schaamte, die de lege beloftes catalogeert die ons fors op weg zetten naar een onleefbare aarde.’

Van Somalië tot Pepinster

Het rapport onderstreept nog eens hoe urgent de situatie is. Als we ons niet heel snel massaal inzetten om ­onze samen­leving klimaatneutraal te maken, missen we de steeds kleiner wordende window of opportunity om … en meestal volgt hier dan de zins­nede: een leefbare ­wereld achter te ­laten. Maar dat zou een neokoloniale redenering zijn. Alleen al in Somalië heeft het door de klimaatverandering op veel plaatsen al vier jaar niet geregend. Zeker een half miljoen ­bewoners zijn ontheemd. De klimaat­ellende ís er al, dat weten ze ook in Pepinster en omstreken.

Het probleem is ook alomvattend. Het gaat niet over specifieke reducties aan broeikasgassen in bepaalde sectoren. We komen er alleen als we een snelle én forse daling realiseren in alle sectoren van de globale economie. En dat is de verantwoordelijkheid van ­alle beleidsniveaus: elke gemeente, elke ­regio, elk land moet alles op alles zetten, willen we nog een kans maken om de wereldwijde opwarming te ­beperken tot anderhalve of 2 graden Celsius. Dat betekent meer dan ‘een tandje bijsteken’. Als de landen ­gewoon hun klimaatbeloften voor 2030 uitvoeren – en zelfs dat is lang niet zeker – is het gewoon onmogelijk om de opwarming te beperken tot ­anderhalve graad.

Vlees eten, snel rijden

Het rapport benadrukt ook dat ongelijkheid er wezenlijk toe doet. Zogenoemde ‘ontwikkelde’ landen ­hebben een veel hogere uitstoot per inwoner, terwijl de ‘minst ontwikkelde’ landen een verwaarloosbaar deel van de historische uitstoot hebben ­geproduceerd. Maar ook in de landen zelf zijn de inkomensverschillen relevant. De rijkste 10 procent is er verantwoordelijk voor 34 tot 45 procent van de consumptiegebaseerde uitstoot van huishoudens. Ongelijkheid bestrijden maakt het dus makkelijker om de klimaattransitie te realiseren. Expliciete aandacht voor rechtvaardigheid komt volgens het rapport ­zowel de maatschappelijke aanvaarding als een fair en effectief klimaatbeleid ten goede.

Voor de eerste keer besteedt een IPCC-rapport ook aandacht aan sufficiëntie, zeg maar: een economie van het genoeg. Dat betekent dat we ­moeten ‘de vraag vermijden naar energie, materialen, land en water, om zo ­menselijk welzijn voor iedereen binnen planetaire grenzen te realiseren’. Het rapport besteedt vanuit deze ­focus een hoofdstuk aan hoe je via het ­gedrag van mensen en de ­keuzes die hun worden aangeboden, emissies kan terugdringen.

Wie de discussie over vlees eten of snel rijden een non-debat vindt, moet het rapport daar misschien eens openslaan. Gedrags- en culturele wijzigingen vertegenwoordigen een ­‘wezenlijk vergeten strategie’ die in heel wat scenario’s is weggelaten in het verleden. Nochtans bevatten ­dergelijke wijzigingen het potentieel tot ‘gigantische CO2-reductie’, zegt het IPCC. Tegen 2050 kunnen strategieën die de vraag beperken, globale broeikasgassen met 40 tot 70 procent doen dalen. Dus ja, wat we eten, hoe we ons verplaatsen en wat we doen met onze huizen, het doet er absoluut wel toe.

Dat betekent niet dat we de klimaatverantwoordelijkheid moeten individualiseren. ­Integendeel, de uitdaging voor de ­beleids­verant­woordelijkheden is net de keuze voor duurzame levenswijzen actief ondersteunen en mogelijk ­maken. Vaker de fiets en het openbaar vervoer gebruiken? Dan hebben we veilige fietsinfrastructuur en een goed openbaar vervoer nodig. De steden dragen een verantwoordelijkheid, stelt het rapport, en een goede ruimtelijke ordening is cruciaal.

Als samenleving het debat voeren over bijvoorbeeld vlees eten, zoals ­deze krant ook doet in de reeks ‘Vlees of vegan’, is dus geen luxe, maar heeft alles te maken met een doortastend klimaatbeleid. Wie weet komt er ooit betaalbaar en energiezuinig kweekvlees, maar dat zal niet voor de eerste tien jaar zijn. Daarom moeten we het hebben over wat we eten. De klimaaturgentie keert namelijk om wie elitair is: dat zijn niet degenen die oproepen tot een duur­zame ­levensstijl, wel zij die zich daartegen verzetten en hun persoonlijke vrijheid denken aan­getast te zien en blind zijn voor de veroorzaakte ellende.

Mijn vrijheid, jouw vrijheid

Dit is de kernvraag die het nieuwe ­klimaatrapport stelt: hoe vullen we in het rijke Westen ons vrijheidsbegrip in? Dominant in onze samenleving is de liberale invulling ervan: mijn ­vrijheid stopt waar die van jou begint. Laten we die eens echt toepassen. Als we vrijheid van (over)leven in streken die nu al hard lijden onder klimaatverandering ter harte nemen, is onze consumptievrijheid inderdaad begrensd. Maar is dat niet een te een­zijdige kijk? Dirk Kurbjuweit haalde het al aan in de krant (DS 1 april): de focus op consumptievrijheid heeft ons de poli­tieke vrijheid en haar aandacht voor veiligheid en zekerheid doen vergeten. Maar hij ziet een afruil tussen vrijheid en zekerheid: we moeten nu het eerste inperken voor het tweede. Zoals ik uiteenzette in mijn boek Vrijheid & zekerheid, is de echte uitdaging beide te combineren. Dat vergt een rijkere invulling van vrijheid, namelijk die om niet ten koste te leven van anderen.

Wat we daartoe nodig hebben, is een systeemverandering, zodat ook mensen met weinig koopkracht zich de meest duurzame opties kunnen veroorloven. En die optie moet ­natuurlijk ook bestaan – denk aan Europese snelle treinverbindingen die vliegreizen vervangen.

Dus ja, we zullen in de toekomst anders eten, reizen, ­wonen en energie opwekken. Dat kan alleen door gecoördineerd overheidsbeleid dat bestaat uit robuuste ‘beleidspakketten’ en overheidsinvesteringen. En uiteraard speelt techno­logische innovatie een heel ­belangrijke rol. Maar daar had ik het even niet over – dat doen de duizenden lobbyisten in Brussel al elke dag. Dat de prijs van hernieuwbare energie onwaarschijnlijk is gedaald, biedt alvast een no-brainer voor wie in actie wil schieten.

 

 

Verschenen in De Standaard op woensdag 6 april 2022.
 
Read more...

De vergeten crisis van onze biodiversiteit

 

Nu de coronapandemie terug in het centrum van de aandacht staat, verdwijnt de klimaatcrisis naar de achtergrond. En achter die klimaatcrisis verschuilt zich nog een andere, grotere crisis: die van de biodiversiteit. Waar er terecht veel aandacht is voor de vernietiging van regenwouden, is ook in onze streken het verdwijnen van biodiversiteit zeer zichtbaar. We zien het allemaal: open ruimte, met weiden, hagen en bomen, wijkt elke dag voor wegen en gebouwen. En op de resterende landbouwvelden zie je amper nog een akkervogel.

In 2019 publiceerde het IPBES (International Panel for Biodiversity and Ecosystem Services) het ‘Global Assessment Report on Biodiversity and Ecosystem Services’. Dit werd gepubliceerd in aanloop naar de COP15 (Conference of Parties) van het Biodiversiteitsverdrag, het minder bekende broertje van de COP26 over klimaat, die meerdere keren werd uitgesteld. In april 2022 zal deze hopelijk eindelijk kunnen afronden met ambitieuze doelstellingen én maatregelen. Want de bevindingen in het IPBES-rapport laten geen twijfel bestaan over de urgentie.

Volgens wetenschappers stevenen we af op een ‘Zesde Massale Uitstervingsgolf’ in de geschiedenis van de planeet. Meer nog; we verliezen soorten aan een veel sneller tempo dan voorheen: wel honderd tot duizenden keren sneller dan het natuurlijke tempo. Dierenpopulaties gaan pijlsnel achteruit. Om een voorbeeld te geven: tussen 2008 en 2017 verminderde het aantal insecten in Duitse graslanden met 78 procent. In tegenstelling tot de vorige golven, is deze keer de mens de oorzaak. En dat kan ook goed nieuws zijn: het plaatst ons als mensen in de positie om er iets aan te doen en het tij te keren.

En dat is broodnodig. Een gezonde biodiversiteit is essentieel voor het behoud van de ecosystemen die zorgen voor een leefbare Aarde. Vreemd genoeg wordt er nog altijd naar de mensheid gekeken als losstaand van de natuur; alsof we met de verdwijnende biodiversiteit, jammer maar helaas, een paar bossen minder zullen hebben, een pak minder dieren op het land en in de lucht, … en wij als mens nog steeds naar ons werk zullen gaan, Netflix-documentaires zullen kijken over lang vervlogen natuur en bij het avondeten onze dag zullen overlopen.

Die idee, een vorm van dissociatie van de werkelijkheid, klopt absoluut niet. Drievierde van ons voedsel is afhankelijk van bestuivers zoals bijen, bestanddelen van medicijnen vinden we in de natuur, onze luchtkwaliteit hebben we aan planten te danken, …  Beschadigen we zonder omzien de natuur? Dan doen we onszelf pijn en zetten we onze bestaansvoorwaarden op de helling. Als we zo verdergaan, zullen steeds meer gebieden van de Aarde voor de mens onherbergzaam worden.

Ook de meest zichtbare crisis van vandaag – de pandemie – is onlosmakelijk verbonden met de biodiversiteitscrisis, zoals experte Myriam Dumortier (INBO) uitvoerig beschreef. Als we bijvoorbeeld tropische bossen kappen voor plantages, stijgt de kans op ziekten en pandemieën door zoönosen (ziektes overdraagbaar van gewervelde dieren op mensen). Dit kunnen we doortrekken naar industriële landbouw: monoculturen zijn veel kwetsbaarder voor ziektes en klimaatverandering dan bijvoorbeeld agro-ecologische landbouw. Terwijl een enorm aantal soorten achteruitgaat en uitsterft, gedijen enkele andere soorten zeer goed, waaronder ziektekiemen zoals coronavirussen en de dragers hiervan.

Toch leeft nog steeds het idee dat er van ons, mensen, een opoffering wordt gevraagd om voor de planeet te zorgen. En ja, een radicale verandering in levenswijze is noodzakelijk: het opnieuw handelen vanuit erkenning en respect voor onze onderlinge verbondenheid met alle elementen in de levende natuur. Voor overconsumptie van grondstoffen en van vlees is hier geen plaats. Deze ommezwaai is echter geen opoffering, maar net een manier om weer in relatie te treden met de natuur en onze plek hierin weer op te nemen. Dit is een manier om onze kinderen en kleinkinderen, onze buren en mensen op andere continenten, en ook onze planten- en dierenverwanten een goed leven te bieden.

Het helpt ons daarbij niet om elkaar met de vinger te wijzen. Het is noodzakelijk om samen te werken. Allemaal willen we een goed leven, voor onszelf, onze kinderen en kleinkinderen. De definitie van wat een goed leven is mag dan verschillen, maar dat dit propere lucht en schoon water, vervulling van basisbehoeftes, gemeenschap en verbinding omvat, lijkt de essentie. Meer en meer onderzoek wijst trouwens ook op het belang van natuur in je omgeving voor psychisch welzijn.

Om biodiversiteit te koesteren, moeten we ruimte geven aan de natuur. Het is nodig om natuurgebieden te beschermen, maar als dit eilanden blijven omringd door monoculturen en beton, lost dat weinig op. In Vlaanderen kreunt ongeveer elk natuurgebied onder de neerslag van stikstof, wat leidt tot het verdwijnen van veel soorten. We hebben dus gezonde landbouwsystemen nodig die zonder fossiele brandstoffen kunnen en ook zelf biodivers zijn. Daarbij hoort een meer plantaardig dieet en dus minder vis, vlees en zuivel, en ons waar mogelijk lokaal en seizoensgebonden te voeden. Dit is niet enkel een technologische uitdaging of een louter economisch vraagstuk. Het gaat om het herstel van onze relatie met de natuur. Door zorg te dragen voor onze omgeving, zorgen we voor onszelf en voor elkaar. Hier kunnen we veel leren van inheemse volkeren. Wetenschappers schatten dat ongeveer tachtig procent van de biodiversiteit op aarde zich bevindt op gebieden waar inheemse volken zorg voor dragen. Daarom is het verstandig om met open blik te kijken naar de wijze waarop deze volken in de wereld staan, hun concrete praktijken en wereldbeeld, nu maar ook vroeger. Wat kunnen we bijvoorbeeld leren van de Iroquois die zich bij elke belangrijke beslissing de vraag stellen hoe deze de zeven volgende generaties beïnvloedt?

Om de cirkel te sluiten: er wordt veel gepraat – hoewel er te weinig gedaan wordt – over de klimaatverandering. Daarbij lijkt het misschien alsof de biodiversiteitscrisis minder belangrijk is. Niets is minder waar. Beide cruciale uitdagingen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Klimaatverandering – denk aan hittegolven en droogtes – is een immense bedreiging voor tal van ecosystemen en biodiversiteit. Andersom biedt ruimte geven aan de natuur en investeren in biodiversiteit grote kansen voor koolstofopslag en het tegengaan van de verdere opwarming van onze Aarde. En nog ruimer: we hebben ons leven te danken aan deze bio-diverse wereld; is het zo een gek idee om er een respectvolle relatie mee op te bouwen?

Om meer aandacht te brengen naar deze belangrijke kwestie, organiseert de Green European Foundation in samenwerking met Oikos Denktank een reeks Green Post-Corona Talks rond biodiversiteit. Schrijf je hier in voor deze gratis webinar-reeks.

 

_____

 

Dit opiniestuk verscheen ook in De Wereldmorgen

 

Read more...

We hebben weer meer boeren nodig. Over de wedloop tussen voedselproductie en biodiversiteit

Door de eeuwen heen produceerden steeds minder boeren voedsel voor steeds meer mensen. Het gaf ons de ruimte om rijke culturen op te bouwen. Deze trend heeft zijn limieten overschreden. Ons geglobaliseerde voedselsysteem heeft rampzalige gevolgen voor de biodiversiteit, terwijl biodiversiteit net essentieel is voor de voedselproductie. Willen we voedselproductie en biodiversiteit verzoenen, dan hebben we weer meer boeren nodig.

Lees het volledige artikel van Myriam Dumortier en Wouter Vanhove hier.

Read more...

Herbekijk - Webinar - Landschap en natuur: scheiden of verweven?

25 mei 2021 by Milieu en Natuur 1148 Views
Administrator

Written by

Hoe moeten we onze schaarse ruimte inzetten indien we tegelijkertijd de wereld willen voeden en onze biodiversiteit willen beschermen?  Dat dit niet mogelijk is via industriële landbouw met monoculturen en hoge afhankelijkheid van chemische pesticiden, kunstmeststoffen en antibiotica, is intussen voor velen vanzelfsprekend. Toch blijven sommigen dat hardnekkig in vraag stellen: het argument luidt dan dat het beter is te streven naar opbrengstmaximalisatie op zo weinig mogelijk grond, waardoor er meer ruimte vrijkomt voor de natuur. 

Tijdens deze webinar analyseert Esmeralda Borgo (beleidsverantwoordelijke BioForum) deze argumenten. Myriam Dumortier (Landbouw- en Biodiversiteitsdeskundige INBO) en Hubert Gulinck, (emeritus hoofddocent Aard- en Omgevingswetenschappen KU Leuven) reageren.

Herbekijk de volledige webinar via deze link.

Read more...

Eentje meer kan geen kwaad? Dat gaat niet meer op

15 maart 2021 by Milieu en Natuur 1091 Views

De stikstofcrisis stond in de sterren geschreven, zegt Dirk Holemans. Collectieve problemen pak je beter niet geval per geval aan, maar dat is precies wat Vlaanderen gedaan heeft met de megastallen.

De Duitse socioloog Ulrich Beck schreef in 1989 zijn baanbrekende werk De risicomaatschappij. Daarin toonde hij hoe de naoorlogse welvaartsstaat zich had bekwaamd in de verdeling van de ‘goods’, en niet in het beheer van de ‘bads’. Ja, de industriële samenleving produceerde veel welvaart, maar tegelijk ongeziene milieuvervuiling. Zijn analyse past naadloos bij de tot nu toe hopeloze aanpak van de stikstofcrisis: zolang we collectieve problemen geval per geval aanpakken, zullen we die nooit oplossen.

In het ethische denken omschrijven ze die kwestie als het probleem van de vele handen. Stel, een groep van vijf stampt iemand in elkaar, en die is daardoor gewond geraakt. Voor de rechter is het een heikele kwestie om de verantwoordelijkheid per persoon vast te stellen. Beck geeft het voorbeeld van de impact van luchtvervuiling door bedrijven. Als er naast een dorp één bedrijf ligt dat vergif de lucht in pompt, waardoor kinderen in het dorp ziek worden, lukt het in de meeste gevallen om een oorzakelijk verband te leggen en het bedrijf aansprakelijk te stellen. Maar als er naast dat dorp een industrieterrein ligt met tien bedrijven die allemaal giftige stoffen uitstoten, valt er met die aanpak nauwelijks iets te doen aan de veel zwaardere impact op de gezondheid.

Alles hangt samen

Voor Beck was dat een voorbeeld van de georganiseerde onverantwoordelijkheid die onze samenleving kenmerkt. Gelukkig hebben we op sommige vlakken lessen getrokken, en hebben we bijvoorbeeld algemene milieukwaliteitsnormen ingevoerd. Op een aantal vlakken vervuilen we ons leefmilieu in de 21ste eeuw minder. Ook het klimaatbeleid vertrekt van het totaal aan broeikasgassen per land, om van daaruit te discussiëren over de bijdrage van ‘elke hand’, zeg maar elke sector.

Dat het Vlaamse stikstofbeleid zou falen, stond in de sterren geschreven. In plaats van het probleem collectief aan te pakken, werd het geval per geval bekeken. Elke nieuwe megastal mocht er komen, zolang die niet te veel extra stikstof uitstootte. Die extra ‘bads’ zouden geen kwaad kunnen, ze blijven nodig om onze welvaart als overkoepelend ‘good’ te versterken. Wat ontbreekt, is systeemdenken. Nochtans is die holistische benadering onontbeerlijk voor een adequate aanpak van collectieve problemen.

Systeemdenken is de wetenschap die vertrekt van het basisgegeven dat alles samenhangt en op elkaar inspeelt. Een van de grondleggers ervan is de Amerikaanse Donella Meadows, de coauteur van het befaamde rapport Grenzen aan de groei aan de Club van Rome. Dat rapport was de eerste poging om vanuit systeemdenken grote wereldfenomenen in hun onderlinge samenhang te analyseren, zoals de groei van de wereldbevolking, industrialisering en de uitputting van natuurlijke grondstoffen.

Volgelopen stikstofbad

Meadows wijst in haar postuum verschenen boek Thinking in systems op het belang van stromen van bepaalde stoffen of goederen, of het nu stikstof of water is, naast de voorraad ervan. Dat illustreerde Hendrik Schoukens, ­expert milieurecht, in zijn stuk (DS 3 maart) met het beeld van de badkuip: ‘Onze natuur is de voorbije eeuw met stikstof overladen door landbouw en industrie, zoals een badkuip die met water wordt gevuld.’ Als het bad vol zit, moet je kijken naar de afvoer- en afvoerstroom. De stikstof in het bad kan alleen dalen door de kraan dicht te draaien en de afvoer te verbeteren.

De analogie met de waterproblematiek, waar Pano zich deze week over boog, ligt voor de hand. Is bij stikstof het bad vol, dan is het in het geval van water leeg in de zomer. De belangrijkste toevoerkraan, regen, hebben we niet in de hand. En doordat we steeds meer verharden, raakt het water moeilijker in het bad. Zoals we bij stikstof denken dat die extra stal erbij mag, denken we bij water dat die extra boorput geen kwaad kan. Maar wie het systemisch opvat, ziet een bad met steeds meer afvoerleidingen dat steeds sneller leegloopt. Als we daar niets aan doen, blijft het dweilen met de afvoerkraan open.

Van systeemdenken valt nog meer te leren. Meadows komt, in een essay waarin ze terugkijkt op wat ze zelf geleerd heeft, tot een verrassend inzicht. Als we systeemverandering willen bereiken, in ons geval de transitie naar een sociaalecologische samen­leving, kijken we jammer genoeg meestal naar zaken met het kleinste hefboomeffect. Mensen met subsidies stimuleren om voor elektrische auto’s te kiezen, draagt maar beperkt bij tot systeemverandering. Je zit nog altijd met hetzelfde systeem. Redesign – zeg maar make better things, don’t make things better – heeft al veel meer impact. Denk in de stikstofkwestie aan andere landbouwmodellen. Maar de allergrootste hefboom heb je als je de mindset van mensen, het heersende paradigma in de samenleving kan veranderen. Daarover doen we volgens Meadows veel te weinig onderzoek.

Daar wringt het schoentje bij de stikstofcrisis. Kranten staan vol met artikels over hoe die een bedreiging vormt voor de aanleg van de Oosterweel-verbinding (nog meer auto’s en vrachtwagens), extra megastallen (nog meer industriële kweek van dieren) of Ineos-fabrieken (nog meer olie- en gasindustrie). De realiteit, vanuit systeemdenken, is net het omgekeerde. De uitbreiding van wegen, olie- en gasindustrie en industriële landbouw bedreigt op structurele wijze de natuur en onze gezondheid. We zagen de tak af waarop we zitten.

Praat over wat je ziet

Je kunt onze biosfeer niet blijven beschadigen zonder dat die finaal de functies verliest die essentieel zijn voor ons voortbestaan. De kuip met stikstof loopt over, die met water in de zomer leeg, maar het bad van de natuur is stilaan aan het barsten.

Meadows heeft deze fundamentele kwestie goed omschreven: ‘We praten eigenlijk niet over wat we zien, we zien maar datgene waarover we kunnen praten.’ Laten we vaker het gesprek voeren over hoe belangrijk we volksgezondheid en biodiversiteit vinden, over de noodzaak en weldaad van een gezonde natuur, ook voor onze gezondheid. En over landbouwmodellen zoals agro-ecologie, die daarin passen. Dat betekent een politiek die het lef heeft om de oorzaken van de ‘bads’ radicaal aan te pakken zodat we opnieuw kunnen focussen op de versterking en verdeling van de ‘goods’. Je kunt het ook omschrijven als op geor­ganiseerde wijze je verantwoordelijkheid nemen.

 

Dit opiniestuk verscheen oorspronkelijk in De Standaard.

Read more...

'De nertsencrisis is de zoveelste crisis van de industriële dierlijke productie'

19 november 2020 by Milieu en Natuur 1622 Views
Myriam Dumortier

Written by

'De nertsencrisis is de zoveelste crisis van de industriële dierlijke productie'


'De verspreiding van ziekten via verwilderde pelsdieren is niet nieuw', schrijft Myriam Dumortier (UGent) nu op verschillende plaatsen in de wereld nertsen opgeruimd moeten worden na problemen met het coronavirus.


Denemarken heeft het leger ingezet om meer dan 15 miljoen nertsen op te ruimen. De alarmbel ging af na de ontdekking van een gemuteerd SARS-CoV-2-virus, met eigenschappen die de werking van een toekomstig vaccin zouden kunnen schaden. In Denemarken is in ruim 200 van de 1500 pelsdierfokkerijen Covid-19 uitgebroken. In zeker vijf fokkerijen is het gemuteerde virus aangetroffen en minstens 12 mensen werden ermee besmet.

 Denemarken is de tweede grootste bontproducent ter wereld, gekend om de exclusieve kwaliteit van zijn pelzen. Er worden jaarlijks meer dan 17 miljoen pelsdieren gevild, de grote meerderheid daarvan nertsen. Het huidige risico wordt dermate ernstig ingeschat, dat het land overging tot de draconische maatregel om al zijn nertsen te vernietigen. De ravage is enorm.

Covid-19 uitbraken in pelsdierfokkerijen zijn niet nieuw

Dat pelsdierfokkerijen met Covid-19 worstelen is niet nieuw. Sinds de eerste besmettingen in Nederlandse fokkerijen in april van dit jaar, werden ook daar al ruim twee miljoen nertsen opgeruimd. Nederland leverde de eerste bevestiging dat het virus niet alleen van mensen op nertsen, maar ook van nertsen op mensen wordt overgedragen. De Nederlandse overheid, die eerder al om ethische redenen besliste zijn pelsdierfokkerijen tegen 2024 te sluiten, vervroegde deze einddatum ondertussen naar 1 maart 2021. Dit wil zeggen dat de huidige dieren nog gevild worden en daarna de productie wordt stilgelegd.

Ook andere landen werden getroffen. In juli leidde een Covid-19 uitbraak in een Spaanse fokkerij tot de vernietiging van 100.000 nertsen. In augustus kregen ook fokkerijen in de Verenigde Staten met Covid-19 af te rekenen. Later volgden ook Italiaanse en Zweedse bedrijven. De acht Vlaamse pelsdierfokkerijen blijven voorlopig buiten schot. Ook bij ons werd twee jaar geleden om ethische redenen een uitdoofscenario tegen 2024 afgekondigd. Ook hier zou een vervroegde einddatum ons leed kunnen besparen.

De nummer één producent én consument van bont in de wereld is China. China zou wel 50 miljoen pelzen per jaar produceren, en daar bovenop de bulk van de Europese pelzen importeren. Om de verstrengende beperkingen in de handel van wilde dieren te ontwijken, wil China zijn pelsdieren het statuut van vee geven. Afbouw is daar duidelijk niet aan de orde. Er is voorlopig geen informatie over Covid-19 uitbraken in Chinese fokkerijen. In die fokkerijen worden ook meer dan 14 miljoen wasbeerhonden gehouden. Daarvan werd aangetoond dat ze SARS-CoV-2 kunnen overdragen zonder zelf symptomen te vertonen. Laten we hopen dat de Chinese autoriteiten dit zeer nauw opvolgen.


De verspreiding van ziekten via verwilderde pelsdieren is niet nieuw

Nertsen in fokkerijen zijn altijd Amerikaanse nertsen. Zowel de Amerikaanse nerts, de wasbeerhond, de beverrat als de muskusrat zijn naar Europa gebracht voor hun pels. Hier en daar ontsnapten exemplaren (of werden ze vrijgelaten door dierenrechtenactivisten), waarna ze verwilderden. De roofzuchtige Amerikaanse nertsen bedreigen de laatste populaties Europese nerts, die met uitsterven bedreigd is, alsook tal van kleine zoogdieren, vogels, amfibieën en vissen. Idem voor de andere ontsnapte uitheemse pelsdiersoorten. Omwille van hun negatieve impact op de biodiversiteit werden de wasbeerhond, de beverrat en de muskusrat opgenomen op de Europese lijst van verboden invasieve exoten. Ook de Amerikaanse nerts hoort thuis op deze lijst.

Ontsnapte pelsdieren zijn al langer gekend als verspreider van ziekten en parasieten. De Amerikaanse nerts verspreidt de Aleoetse nertsziekte, de wasbeerhond de rondworm Trichinella spiralis, de wasbeerhond en de muskusrat verspreiden de vossenlintworm, en de beverrat is berucht omwille van Leptospirose.

Het is zeer aannemelijk dat binnenkort SARS-CoV-2 zal opduiken bij verwilderde nertsen. De soort heeft zich bijna overal in Europa in het wild gevestigd en blijft zijn territorium uitbreiden. Op veel plaatsen, onder meer in Denemarken, worden verwilderde nertsen bejaagd of verdelgd. In Vlaanderen is de aanwezigheid van de soort voorlopig beperkt.


Het ontstaan van gevaarlijke pathogenen in industriële stallen is niet nieuw

Bioveiligheid is het toverwoord waarmee de industriële veehouderij haar superioriteit tegenover de kleinschalige veehouderij in de verf zet. De Deense pelsdiersector gaat bij uitstek prat op zijn strenge veiligheidsmaatregelen. Hoewel deze inderdaad een wereld van verschil maken, kunnen ze nooit sluitend zijn. SARS-CoV-2 maakt dit overduidelijk. Het virus tart de verbeelding door zich schijnbaar moeiteloos tussen sterk beveiligde kooien, stallen en fokkerijen te laten vervoeren. Hoe dit mogelijk is, blijft voorlopig onzeker. Besmette druppels, stofdeeltjes, veevoeder en stro behoren tot de verdachten.

 Als bij industriële veehouderij, ondanks de bioveiligheid, toch een pathogeen binnenraakt, en de besmetting kan zich verspreiden, dan is het hek van de dam. De grote aantallen, de hoge dichtheden, de geringe genetische variatie en de suboptimale gezondheid van de dieren vormen de perfecte voedingsbodem voor een supersnelle verspreiding. Hoe meer verspreiding, hoe meer mutaties, hoe reëler het risico op conversie naar risicovolle varianten. Onderzoek toonde aan dat bijna alle zeer pathogene varianten van vogelgriep in grote stallen in het globale noorden ontstonden. Bij kleinschalige veehouderij is het risico op besmetting dan wel groter, maar blijven de omvang van de uitbraak en het risico op het ontstaan van zeer pathogene varianten, beperkter.

Een vermindering van de dierlijke productie is de enige uitweg

Ook al behoren nertsen niet tot het klassieke vee, deze crisis dikt de lijst van crisissen in de industriële dierlijke productie verder aan. Industriële dierlijke productie botst op tal van limieten. De sanitaire crisissen, met momenteel naast de covid-19 uitbraken ook een zeer pathogene vogelgriep die vervaarlijk rondwaart, vormen niet het enige probleem. Alle inspanningen ten spijt raakt de mestproblematiek maar niet opgelost. En onze veestapel is dermate groot dat Zuid-Amerikaanse wouden branden om er soja voor te kunnen produceren.

 De oplossing voor al deze problemen is de vermindering van de dierlijke productie. Minder vee betekent minder consumptie van dierlijk eiwit, hetgeen ook de volksgezondheid ten goede komt. De productie van plantaardig eiwit is veel efficiënter dan de productie van dierlijk eiwit. Een verschuiving van dierlijk naar plantaardig eiwit zal helpen om de natuur meer ruimte te geven (en daarmee het risico op nieuwe zoönoses te verkleinen). Het zal ook helpen om de wereldbevolking te kunnen blijven voeden.

Let wel, dit is geen pleidooi tegen dierlijke productie an sich. Gedomesticeerd vee vormt een essentieel onderdeel van het landbouwsysteem, met mest als waardevolle grondstof. Op ecologisch vlak zijn grazende dieren van belang voor het behoud van open ecosystemen. En dierlijke eiwitten leveren een waardevolle bijdrage aan de wereldvoedselvoorziening.

De vermindering van de dierlijke productie wordt geen gemakkelijke opgave. Een cruciale voorwaarde zal zijn de boer een eerlijke prijs te betalen, zodat hij ook uit een meer kleinschalige productie een waardig inkomen kan putten. Een tweede voorwaarde zal zijn de ongelijkheid in de samenleving aan te pakken, zodat iedereen die eerlijke prijs kan betalen.

 

Dit opiniestuk verscheen eerder in Knack.

 
Read more...

Als de klimaatrealiteit de moderne verbeelding tart

21 oktober 2020 by Milieu en Natuur 1695 Views
Dirk Holemans

Written by

Als de klimaatrealiteit de moderne verbeelding tart

De hittegolven, vuurhaarden, orkanen, droogtes volgen elkaar in een verbluffend tempo op. En toch raken wij met cijfers over de opwarming van de aarde niet overtuigd om er iets aan te doen. Het zijn kunst en cultuur die ons inzicht moeten geven in onze denkpatronen, zo kunnen we ze overstijgen. 

Beeld je in: je bent student, je wandelt van bij een vriend naar je kot als de lucht ineens heel donker kleurt, de wind krachtig opsteekt. Als de eerste dikke druppels vallen, kan je nog snel schuilen door over de leuning van een gelijkvloers terras te kruipen.

Wat dan gebeurt is te gek voor woorden. De lucht kleurt zwart, de wind rukt aan je kleren. Fietsen, lampenkappen, brommers en zelfs hele theekraampjes vliegen door de lucht, de straat verandert in een kolkende stroom. En even snel als het onheil opkwam, is het terug weg. Je opent je ogen terwijl het ijzig stil is en je overziet een slagveld. Bussen liggen op hun zij, brommers hangen in boomtoppen, glazen wanden liggen in splinters op de grond.

Zoveelste nieuwsberichten

We schrijven 17 maart 1978 in het noorden van de Indiase stad Delhi. Het was niet alleen de eerste keer dat een tornado deze stad trof, met meer dan dertig doden tot gevolg, maar een geheel nieuw verschijnsel voor heel de regio, voor zover de meteorologische metingen historisch aangeven.

Het was deze levensechte ervaring die de schrijver Amitav Ghosh voor het leven tekende. Want als succesvol romanschrijver - hij geraakte in ons land bekend met zijn bestseller Het Glazen Paleis - lukte het hem maar niet om deze jeugdervaring in zijn verhalen te verwerken. Want welke lezer zou nu zo’n onwaarschijnlijk verhaal appreciëren? Het is toch eigenlijk te gek voor woorden. Zelfs al is het fictie.

Is dit ook niet de verklaring waarom we enigszins vermoeid achteruit leunen bij het zoveelste nieuwsbericht over een nieuwe hittegolf, die alle metingen overtreft ‘sinds het begin van de metingen’? Of we gewoon akte nemen van het recente nieuws dat op een kwart eeuw de helft van de koralen van de Great Barrier, het grootste koraalrif ter wereld, zijn afgestorven?

En deze berichten stapelen zich op, zoals het beeldverhaal op de VRT-nieuwssite over de ‘onherstelbare schade in Siberië’: “de ondergrond, de permafrost, die miljoenen jaren bevroren was, is snel aan het smelten…. 2020 was het warmste jaar ooit in deze regio”. Misschien toch de moeite waard om het herlezen: een gebied immens groter dan België, was al bevroren toen we als mensheid nog niet bestonden, en nu gaat het snel, heel snel. Uiteraard geeft de reactie van onze de samenleving op de covid-19 golven al een inkijk in hoe slecht we op evoluties reageren die niet verlopen volgens ons normale verwachtinspatroon. Een exponentiële curve, zodat iets wat vandaag nog klein is morgen heel groot kan zijn, dat valt moeilijk te bevatten. Laat staan dat we onze drastische impact op de planeet - David Attenborough getuigt in zijn recent boek en film hoe we in de tijd van zijn leven met onze hongerige roofbouweconomie de wildernis op aarde vernietigden - juist inschatten en er voldoende snel en krachtig op reageren.

Maar net als Attenborough of Ghosh aangeven, betekent dit niet dat we bij de pakken moeten blijven zitten. Inzicht krijgen in onze dominante denkpatronen kan toelaten ze te overstijgen. In zijn non-fictiewerk The Great Derangement biedt Ghosh een heldere analyse. Hij geeft aan dat in onze moderne tijden, epische verhalen en mythes plaats moesten ruimen voor romans die geschreven werden vanuit een specifiek kader.

Het gaat nu niet om de toekomst van collectieven, maar om de levensgebeurtenissen van enkele hoofdpersonages, op een welbepaalde plek en in een welbepaalde periode, die met geuren en kleuren worden omschreven. Ze focussen op persoonlijke ontwikkelingen in relatief stabiele omgevingen.

Die romans passen binnen een omslag die verbonden is met het moderne vooruitgangsgeloof die ook tot uiting komt in geschiedenis en politiek. In plaats van uit te gaan dat er ongelooflijke veranderingen kunnen optreden, wint de opvatting sterk aan kracht dat we alles meer onder controle hebben en we het met het vooruitschrijden van de tijd bijna per definitie steeds beter zullen hebben. Een naïeve gedachte die vandaag nog altijd verkondigd wordt door schrijvers als Steven Pinker die blijven vasthouden aan een blind optimistisch vooruitgangsgeloof. En ook wetenschappelijke modellen die zich baseren op de gebeurtenissen van de voorbije periode, kunnen uiteraard moeilijk het ineenstorten van bijvoorbeeld de biodiversiteit voorspellen.

Voor Ghosh is het helder: de reden waarom we klimaatverandering eigenlijk nog steeds als ondenkbaar benaderen, is verbonden met een culturele crisis, en dus een crisis van onze verbeelding. Onze cultuur produceert specifieke verlangens, voor hippe apparaten en grote auto’s, voor alleenstaande woningen in het groen, die zo mee de natuurverslindende koolstofeconomie aandrijven.

Een snelle cabrio vinden we niet opwindend omdat we rondrijden in een metalen doos, maar omdat het in ons hoofd het beeld oproept van vrijheid, het geeft ons de illusie dat we als filmsterren met ons hoofd in de wind door een ongerept landschap zoeven.

Zoals Attenborough op het einde van zijn film en boek stelt: we hebben de wildernis vernietigd, nu moeten we ons kunnen voorstellen dat we die ook terug herstellen. En moeten we dus geen vijftien miljard bomen meer per jaar omhakken, maar gigantisch veel bossen bij creëren. Daarvoor moeten we andere verhalen vertellen, hebben we nieuwe romans, novellen en stripverhalen nodig, andere helden in langspeelfims en tv-series die andere verlangens opwekken.

Dat is net wat het culturele event Ecopolis ook dit jaar betracht, in de woorden van Ghosh: we hebben niet langer cultuur, inclusief fictie, nodig die de wereld verbeeldt zoals hij is. De verbeelding die we nodig hebben is net die over een wereld hoe hij zou kunnen zijn. Het is nu onontbeerlijk dat we ons kunnen inbeelden dat alles anders kan zijn en dat we dit ook inbrengen in het publieke debat.

Zo komen we tot de paradoxale opdracht van kunst en cultuur in onze tijd: wat we gangbaar vinden als onwaarschijnlijk voorstellen, het onwaarschijnlijke dat zich in de realiteit voltrekt presenteren als het realistische, en buiten alle kaders om nieuwe voorstellingen van het goede leven verbeelden die de huidige realiteit ombuigt in een leefbare toekomst.

 

Deze opinie verscheen op vrt.be

 

 
Read more...

Covid-19 zal opvolgers krijgen en die moeten we mijden als de pest

10 september 2020 by Milieu en Natuur 2031 Views
Myriam Dumortier

Written by

Covid-19 zal opvolgers krijgen en die moeten we mijden als de pest

Willen we voorkomen dat nieuwe virussen van dier op mens overgedragen worden, dan moeten we onze manier van leven indringend aanpassen, schrijft Myriam Dumortier.

Dit opiniestuk verscheen eerder in Knack

Zoönoses zijn infectieziekten die van dier op mens worden overgedragen, zoals Covid-19. De overdracht is het resultaat van de nabijheid tussen dier en mens. Het aantal zoönoses blijft toenemen en daar is één soort voor verantwoordelijk: de mens. We zijn met steeds meer mensen, houden steeds meer vee en laten steeds minder natuur over. Van de biomassa zoogdieren op aarde is vandaag 60% vee, 36% mens en 4% wild zoogdier. Ook 's werelds vogels bestaan voor bijna drie kwart uit pluimvee. Deze hallucinante scheefgroei vergroot de nabijheid tussen mens en dier. Volgens het Global Virome Project dragen zoogdieren en vogels wel 1,7 miljoen ongeïdentificeerde virussen die een risico vormen voor de mens. De opvolging van Covid-19 dus is verzekerd.

Tijdens de tweede helft van de 20ste eeuw verdubbelde de wereldbevolking en vervijfvoudigde de consumptie van vlees. Vorig jaar overschreden we de kaap van 7,7 miljard mensen, op weg naar 10 miljard mensen tegen 2050. De toename van de per capita consumptie van dierlijk eiwit verschoof ondertussen naar Oost-Azië en in mindere mate naar Zuid-Azië en Sub-Sahara Afrika. In West-Europa groeit alleen nog de productie, om aan de groeiende vraag in Oost-Azië te voldoen. Die productie blijft groeien dankzij de 'grondloze' varkens- en kippenkweek op basis van soja uit Zuid-Amerika. Het is één van de redenen van de gigantische bosbranden aldaar. Vooral Brazilië koos resoluut voor grootschalige productie van genetisch gemanipuleerde soja, inclusief overvloedig herbicidengebruik. West-Europa blijft achter in de mest. Daarmee evolueert de wereld naar nog meer mensen, nog veel meer vee en -onvermijdelijk- nog minder wilde dieren. Er is overigens steeds meer bewijsmateriaal dat de wilde dieren die standhouden in een gedegradeerde omgeving de meeste pathogenen dragen, met ratten als schoolvoorbeeld.

De veeteelt vervult een aparte rol. Bij kleinschalige veehouderij is het risico op overdracht van pathogenen van wilde dieren naar vee groot, maar blijven uitbraken beperkt. Een pathogeen raakt pas na een aantal mutaties aangepast aan zijn nieuwe gastheer en bij een gering aantal dieren is de kans daartoe klein. Bij industriële veehouderij, met zijn strenge veiligheidsnormen, geldt net het omgekeerde. De kans op overdracht is daar klein maar kan nooit 100% worden uitgesloten. Denk aan de transporten, de ventilatie, het onderhoud, het afvalbeheer,... Indien overdracht toch plaatsvindt en het pathogeen zich kan verspreiden, dan vormen de grote aantallen, de hoge dichtheden, de geringe genetische variatie en de suboptimale gezondheid van de dieren de perfecte omgeving voor een razendsnelle verspreiding. Hoe meer verspreiding, hoe meer mutaties, hoe reëler het risico op conversie naar hoog pathogene varianten. Dergelijke conversies gebeuren vooral in grote stallen in het globale noorden. Vooral pathogenen die zich via de luchtwegen verspreiden, in het bijzonder de snel muterende RNA virussen, vormen er een risico, onder hen onder meer Influenza- en Coronavirussen.

Hoe kunnen we de risico's verkleinen?

1. Plantaardiger eten

Het is een absurde gedachte dat 60% van de zoogdieren en bijna 75% van de vogels op aarde gekweekt zijn om de mens van dierlijk eiwit te voorzien. Daarnaast dient een derde van 's werelds akkerland om er veevoeder voor te produceren. In Europa gaan 58% van het verbruikte graan en 67% van de verbruikte olie- en eiwitrijke gewassen (vooral soja) naar veevoeder. Voedselproductie via dierlijk eiwit is een weinig efficiënt proces. Het is meer dan zes keer efficiënter om plantaardige eiwitten te produceren, bijvoorbeeld via peulvruchten of quinoa, dan om dierlijke eiwitten te produceren op basis van krachtvoer.

Dit inzicht opent gigantische mogelijkheden. Mochten we de teelt van graan en olie- en eiwitrijke zaden voor veevoeder vervangen door eiwitrijke gewassen voor menselijke consumptie, dan zouden we met minder grond meer eiwitten kunnen produceren. Door de vermindering van de veestapel zou niet alleen het risico op zoönoses verkleinen, het zou ook de biodiversiteit en het klimaat ten goede komen, het zou de mestproblematiek helpen oplossen en zelfs beter zijn voor de menselijke gezondheid. Als dat geen knoert van een win-win is!

 Dit voorstel heeft uiteraard implicaties voor ons dieet. Het betekent dat we onze consumptie van dierlijke eiwitten drastisch verminderen, en in plaats daarvan veel meer plantaardige eiwitten eten. Het wil evenwel geenszins zeggen dat we met zijn allen veganist moeten worden. Er is heel veel grasland op aarde waar veeteelt de meest efficiënte en duurzame vorm van voedselproductie blijft, en ook lokale oogstresten en groen- en ruwvoer kunnen hun rol blijven spelen. Het is een hoopgevende gedachte dat we gewoon door anders te gaan eten zoveel positieve impact kunnen hebben.

2. Consuminderen

Dan is er nog de bevolkingsgroei. Het zijn vooral mensen die in extreme armoede en in grote onzekerheid leven, die veel kinderen hebben. Het klinkt paradoxaal, maar hoe minder kindersterfte, hoe geringer de bevolkingsgroei. Mensen die een goed leven leiden hebben nu eenmaal minder behoefte aan een grote kroost. We zullen de bevolkingsgroei alleen kunnen stabiliseren door ons het lot van de armsten aan te trekken. Gezien de grenzen van de planeet is dat alleen op duurzame wijze mogelijk als we in het globale noorden consuminderen.

Tijdens de Coivid-19-crisis zijn we voor het eerst op grotere schaal gaan consuminderen. Verre vliegreizen werden noodgedwongen vervangen door wandel- en fietstochten in de buurt. Steeds meer mensen zijn zich beginnen realiseren dat deze vertraging deugd doet. Dit is een belangrijk inzicht en hopelijk blijft het hangen. We zijn het geluk gaan zoeken bij veel te veel en veel te ver. Een economie van het genoeg zou zowel het globale noorden als het globale zuiden ten goede komen.

3. Samenwerken met de natuur

 Door plantaardiger te eten en te consuminderen komt er weer ruimte vrij voor de natuur. Om het risico op nieuwe zoönoses te verkleinen moeten we ook zorg dragen voor die natuur. Dit kunnen we nastreven door in alles wat we doen onze negatieve impact op de natuur te minimaliseren. De code daarvoor is samenwerken met de natuur, in plaats van vechten tegen de natuur. Dit is een grotendeels nieuwe benadering voor de mensheid, waarin kennis en inzicht een belangrijke rol spelen. De agro-ecologische landbouw was een van de eersten om dit toe te passen. In plaats van tegen de natuur te vechten met bijvoorbeeld pesticiden, draagt de agro-ecologische landbouwer zorg voor de natuur. Het leidt tot een rijkere en meer evenwichtige biodiversiteit en ten slotte tot minder plagen. De agro-ecologische landbouwer draagt ook zorg voor de bodem, waardoor water goed infiltreert en er minder uitdroging en erosie optreden. Een dergelijke samenwerking met de natuur zou in alle maatschappelijke geledingen ingang moeten vinden. Dat het mogelijk is bewijst bijvoorbeeld het Vlaamse Sigmaplan, dat het bekken van de Schelde tegen overstromingen beschermt. In plaats van tegen de natuur te vechten door hogere dijken te bouwen koos de Vlaamse overheid om met de natuur samen te werken via overstromingsgebieden. Dit brengt ons veerkracht. Dat is wat we nodig hebben.
 
 
Read more...

In alle stilte ontvouwt zich een tweede pandemie: antimicrobiële resistentie

12 augustus 2020 by Milieu en Natuur 2393 Views
Myriam Dumortier

Written by

In alle stilte ontvouwt zich een tweede pandemie: antimicrobiële resistentie

Myriam Dumortier

Dit opiniestuk verscheen eerder in Knack

Alle meercellige organismen op aarde evolueren in samenhang met micro-organismen. Macro- en micro-organismen kunnen niet zonder elkaar. Een mens bestaat uit meer micro-organismen dan eigen cellen. En hoewel virussen geen volwaardige organismen zijn, rekenen we ze hier voor het gemak even bij de micro-organismen.

Het Global Assessment Report van het International Panel on Biodiversity and Ecosystem Services (IPBES) rapporteert over de wereldwijde biodiversiteitscrisis, inclusief de achteruitgang van de diversiteit aan micro-organismen in het menselijk lichaam. Oorzaken van deze achteruitgang zijn onder meer de aanwezigheid van antibiotica en chemische stoffen, industrieel geproduceerd voedsel en te weinig contact met micro-organismen tijdens de kindertijd. Een vermindering van die diversiteit draagt bij tot tal van niet-overdraagbare aandoeningen zoals astma, allergieën, inflammatoire darmziekten, diabetes, cardiovasculaire ziekten, obesitas, bepaalde kankers, neurologische aandoeningen, autisme en depressies.

Naast dit verlies van nuttige micro-organismen kampen we met een toename aan ziekteverwekkende micro-organismen, pathogenen dus. Zij leiden tot nieuwe infectieziekten. De oorzaken van die toename zijn divers, maar de achteruitgang van de biodiversiteit, de escalatie aan wereldwijde transporten en de klimaatverandering spelen een belangrijke rol. Niet-overdraagbare aandoeningen verzwakken onze weerstand tegenover die infectieziekten.

Wedloop tussen pathogenen en antimicrobiële middelen

Sinds Alexander Fleming in 1928 penicilline ontdekte, nota bene dankzij een micro-organisme, gooiden we ons in de strijd tegen pathogenen (en andere micro-organismen). Antimicrobiële middelen, zoals antibiotica, helpen ons om infectieziekten te voorkomen of te genezen. Bij chirurgische interventies verkleinen ze het risico op complicaties. De moderne geneeskunde kreeg een enorme boost en honderden miljoenen levens werden gered.

Maar micro-organismen evolueren. Door mutaties passen ze hun eigenschappen aan hun omgeving aan, inclusief aan antimicrobiële middelen. De ontwikkeling van antimicrobiële resistentie is dan ook onafwendbaar. Wie besmet wordt door resistente pathogenen kan niet langer op antimicrobiële middelen rekenen.

Door de overconsumptie van antimicrobiële middelen versnelt de opbouw van antimicrobiële resistentie en winnen niet-overdraagbare aandoeningen aan belang. Ook de strijd tegen nieuwe infectieziekten drijft het gebruik van antimicrobiële middelen op. Veel covid-19-patiënten krijgen deze middelen toegediend om microbiële complicaties te voorkomen of te behandelen. De strijd wordt nu al bemoeilijkt door antimicrobiële resistentie. En dit terwijl niet-overdraagbare aandoeningen, zoals diabetes en obesitas, ons verzwakken tegenover covid-19.

Er is een constante wedloop aan de gang tussen pathogenen en antimicrobiële middelen, waarbij die laatsten aan de verliezende hand lijken. Hoe meer resistentie een pathogeen opbouwt, hoe moeilijker het wordt om nog nieuwe antimicrobiële middelen te vinden. Bovendien vallen de investeringen in dit soort onderzoek terug, onder meer omdat andere farmaceutica lucratiever blijken. Het resultaat is dat, bovenop de toename aan infectieziekten en niet-overdraagbare aandoeningen, onschuldig geworden infecties weer aan slagkracht winnen.

De situatie baart de Wereldgezondheidsorganisatie grote zorgen. Antimicrobiële resistentie verspreidt zich als een tsunami over de wereld en dreigt de vooruitgang in de geneeskunde drastisch terug te schroeven. In 2016 worstelden 490.000 mensen met antibioticaresistente tuberculose. Ook de strijd tegen onder meer aids en malaria krijgt klappen. De Europese Commissie schat het aantal doden door antimicrobiële resistentie in Europa op 25.000 à 33.000 per jaar. Volgens een Britse review leidt antimicrobiële resistentie wereldwijd tot 700.000 doden per jaar (hetzelfde aantal als Covid-19 tegen begin augustus 2020). Tegen 2050 zou het aantal dodelijke slachtoffers van antimicrobiële resistentie kunnen oplopen tot 10 miljoen per jaar. Over de rol die niet-overdraagbare aandoeningen hierin spelen is weinig geweten. Om meerdere redenen dreigt het globale zuiden alweer de grootste dupe te worden.

Intensieve veeteelt en goedkope massaproductie

De huidige overconsumptie van antimicrobiële middelen is een gevolg van overbodige of onjuiste toediening, soms in combinatie met een gebrek aan hygiëne. De bulk van de antimicrobiële middelen wordt evenwel niet bij mensen, maar bij dieren gebruikt. Daar dienen ze niet alleen voor de behandeling en preventie van infectieziekten, maar ook voor het verbeteren van de groei van gezonde dieren. Ze worden daartoe in lage dosissen in veevoeders gemengd. In de EU is hun gebruik als groeistimulator ondertussen verboden. In de VS is de veeteeltsector verantwoordelijk voor 70 à 80% van de jaarlijkse consumptie van antimicrobiële middelen.

Hoewel de gegevens onvolledig zijn, schat de Wereldvoedselorganisatie het wereldwijde verbruik in de veeteeltsector op meer dan 60,000 ton per jaar. Met de toenemende vraag naar dierlijk eiwit dreigt dit volume enkel toe te nemen. Het zijn vooral industriële veehouderijen, vooral van varkens en rundvee, die grootverbruikers zijn. Ook in de visteelt leidt intensivering tot toenemend gebruik van antimicrobiële middelen en de ontwikkeling van resistentie. Deze resistente pathogenen bedreigen onze voedselproductie. Ze kunnen ook mensen besmetten, of resistentiegenen doorgeven aan pathogenen die mensen treffen.

 75 à 90% van de aan vee toegediende antibiotica komt via excreties in het afvalwater of in de omgeving terecht. 70 à 80 % van de in de visteelt toegediende antibiotica eindigt in het water. Ook de mens draagt rechtstreeks bij aan deze verontreiniging. Niet alleen antimicrobiële middelen, maar ook resistente pathogenen komen in de omgeving terecht. Zelfs de productie van antimicrobiële middelen leidt tot lozingen in de omgeving. Die productie gebeurt vooral in China en Indië, waar men het niet zo nauw neemt met afvalwater. Antimicrobiële middelen komen er in grote hoeveelheden in de omgeving terecht waar ze nog meer opbouw van resistentie veroorzaken. In een Indisch meer vond men resistentiegenen tegen ongeveer alle belangrijke groepen antibiotica.

Resistente pathogenen verspreiden zich, onder meer via vlees, vis, mest, water, gewassen, dieren en mensen, als een pandemie over de wereld. Voor de goedkope massaproductie van antimicrobiële middelen dreigen we een zware tol te betalen.

Onze verhouding met micro-organismen herstellen

Met onze wetenschap en technologie hebben we als mensheid indrukwekkende prestaties neergezet, niet het minst in de geneeskunde. Dit leidde echter tot overmoed. In plaats van antimicrobiële middelen zorgvuldig en gericht in te zetten in functie van volksgezondheid en dierengezondheid, werden ze speelbal van economische wetmatigheden. We waanden ons meester over de natuur, maar dat was buiten de complexiteit van de natuur gerekend. De toename aan pathogenen, antimicrobiële resistentie en niet-overdraagbare aandoeningen slaat ons als een boemerang in het gezicht. 

Om de moderne geneeskunde door deze crisis te krijgen, zullen we niet alleen meer moeten investeren in de ontwikkeling van antimicrobiële middelen, we zullen vooral veel zuiniger en gerichter moeten omgaan met die middelen (en ook met andere technologische verwezenlijkingen). We moeten die sparen om ons te beschermen wanneer dat nodig is. Heel wat bioveehouders dragen grote zorg voor hun dieren en hun omgeving en maken nauwelijks gebruik van antimicrobiële middelen. Indien ze dit toch doen is het enkel curatief. Het is perfect mogelijk om het gebruik van antimicrobiële middelen drastisch terug te schroeven. 

We moeten onze verhouding met micro-organismen herstellen, door veel voorzichtiger te zijn met alle chemische stoffen, door industrieel voedsel te mijden en door kinderen veel meer in de natuur te laten spelen. Het zal onze weerstand tegen pathogenen ten goede komen en de nood aan antimicrobiële middelen verkleinen. We kunnen ook pathogenen vermijden door hen geen voedingsbodem te geven, onder meer door wereldwijd de toegang tot proper water te garanderen en afvalwater te saneren. Maar om ons te bevrijden uit deze vicieuze cirkel van meer pathogenen, meer antimicrobiële stoffen, meer resistente pathogenen en minder weerstand tegen pathogenen zal het bovenal nodig zijn om als samenleving tot rust te komen, minder dierlijke eiwitten te consumeren en veel zorgzamer om te gaan met de natuur.

 
Read more...
Pagina 1 van 2
Don't have an account yet? Register Now!

Sign in to your account