Oikos

 
  • vergroot lettergrootte
  • Default font size
  • verklein lettergrootte

Share |

Home Schrijversgemeenschap Schrijversgemeenschap
Schrijversgemeenschap

Schrijversgemeenschap (49)

vrijdag 27 april 2012 15:21

Heartland Institute Fakegate?

door Paul Everaert

Peter Tom Jones vestigde in Vlaanderen de aandacht op het verschijnsel van het klimaatscepticisme: twijfel zaaien over de consensus van de klimaatwetenschap. In Le Monde van 18 februari 20121 verscheen een bijdrage over uitgelekte documenten van de Amerikaanse denktank Heartland Institute. De documenten werden bekend gemaakt door de blog DeSmogBlog, opgericht in januari 2006 ter bestrijding van desinformatie omtrent de opwarming van het klimaat (www.desmogblog.com). Die documenten verschaffen informatie over het budget van het Heartland Institute, zijn actieplannen en financiers, en over de vergoede experts die als woordvoerder van het klimaatscepticisme optreden.


 

vrijdag 27 april 2012 09:20

Kleine beschouwing verpakt

door Dirk Holemans

 Na een vergadering in Antwerpen stap ik een café binnen, de volgende meeting is pas binnen een uur een eindje verder. Altijd fijn verpozen in een onbekende plek, even de sfeer opsnuiven. Ik bestel een groene thee. De kleur past bij mijn ideologie, maar heeft er verder niks mee te maken. Groene thee is nu eenmaal gezonder dan zwarte thee. Antioxydanten weet u wel.

dinsdag 13 maart 2012 15:11

Transitie :Woord van het jaar in 2012?

door Lina Avet

Vorige maand las ik in een tijdschrift een artikel van Matt Ridley (http://www.rationaloptimist.com/): 23 redenen waarom het leven nog nooit zo goed was en alleen maar beter wordt.

Nu hebben we allemaal wel eens behoefte aan een optimistische kijk op de wereld en ik begon dan ook met veel interesse te lezen. Hoe verder ik in het artikel las, hoe verbaasder ik werd en mijn verbaasdheid sloeg al snel om in ergernis, grote ergernis.

dinsdag 21 februari 2012 18:26

100% HERNIEUWBAAR NU !

door Johan Malcorps

In oktober 2010 overleed Hermann Scheer aan een hartaanval. Hij was Duits socialistisch parlementslid. Maar bovenal vurig pleitbezorger van hernieuwbare energie en vooral zonne-energie. Hij was voorzitter van EUROSOLAR en van de World Council for Renewable Energy. Hij schreef geschiedenis als grondlegger van de Hernieuwbare Energiewet (EEG) in Duitsland met het systeem van feed-in-tarieven (zie kader) dat inmiddels door zowat 40 landen is overgenomen. En hij was de drijvende kracht achter de totstandkoming van het internationaal agentschap voor hernieuwbare energie (IRENA) dat in 2009 van start ging.

Zijn publicaties vonden internationaal weerklank : “The Solar Economy “(2004), “Energy Autonomy” (2006) en postuum “The Energy Imperative” (2011). De laatste vier jaar van zijn leven werkte hij aan de documentairefilm ‘The  4th Revolution. Energy Autonomy – Free Energy for All” die maart 2010 uitkwam.

Geen compromissen

‘The Energy Imperative’ werd dus ongewild het testament van Scheer. Het is een indrukwekkend testament geworden. Typisch voor Scheer is dat hij een vlijmscherpe analyse brengt van de machtsgreep van de oude energiecorpo-raties en de wijze waarop ze NGO’s en politici, ook van zijn partij of van de Groenen, in de luren leggen. Scheer spaart geen heilige huisjes. En hij is niet bereid toegevingen te doen.  Hij gaat voor een 100% hernieuwbare toekomst, wereldwijd,  en dat binnen de 25 jaar. Al wie daar tegen in gaat, speelt met de toekomst.

De overgang naar 100% hernieuwbaar =  OORLOG

Scheer gelooft niet in een conflictloze overgang naar de zonne-economie van de toekomst. Bij de energie- transitie zullen er duidelijke winnaars en ver-liezers zijn. De hernieuwbare energieën die decentraal kunnen instaan voor autonome productie van  stroom en warmte, vormen een bedreiging voor de bestaande centralistische energiemaatschappijen. En die hebben dat maar al te goed begrepen. Zij stellen alles in het werk om de doorbraak van de hernieuwbare technologieën te vertragen. Ook (Vooral)  als ze schijnbaar meesurfen op de groene golf.  Het zogenaamde “coëxistentie”- of  “consensus-denken” berust op een illusie en is bovendien dodelijk. Hernieuwbare energie kan niet vreedzaam samen leven met fossiele energie en kernenergie. De systeemvereisten voor beide vormen van energie zijn tegengesteld (infrastruc-tureel, organisatorisch, financieel). De grote energiebedrijven moeten hun grote kostelijke installaties afschrijven. En door elke nieuwe investering die ze doen zetten ze zich zelf weer voor tientallen jaren vast en trachten ze ook ons mee te gijzelen. Terwijl investeren in hernieuwbare energie op enkele jaren tijd rendeert. Het bereiken van eensgezindheid rond lange termijn- energieplannen waarin fossiele brandstoffen, opslag van CO2 en kernenergie nog  decennia lang  een toonaangevende rol spelen, is uit den boze.  Veel conservatieve maar ook progressieve politici, maar ook grote milieuverenigingen zijn in die val getrapt.

Quota zijn schadelijk

Meer zelfs, het denken in quota voor hernieuwbare energie, remt juist de stormachtige ontwikkeling van de nieuwe groene technologieën af en dringt hen een rol op in de marge van het bestaande energiesysteem. Ook al gaat het om 10 of zelfs 20 % groene energie. Scheer gelooft in een “creatieve destructie” naar het model van Joseph Schumpeter. Zoals de auto op korte termijn kar en  paard van de weg ruimde, of de PC  de oude schrijfmachines, zo zal ook de hernieuwbare energieproductie binnen de kortste keren de fossiele en nucleaire energie-installaties naar de schroothoop verwijzen. Fossiele en nucleaire installaties moeten verdwijnen. Zo vlug mogelijk. Hierover kan of mag  niet gemarchandeerd worden. Hoogstens kan aanvaard worden dat in de overgang “hybride fasen” optreden. Maar de richting van de evolutie moet steeds duidelijk zijn  :  de toekomst is voor 100% hernieuwbaar.

Wat kernenergie betreft gaat Scheer nog een stap verder : er zal maar een toekomst zijn voor hernieuwbare energie als snel en onvoorwaardelijk werk gemaakt wordt van de ontmanteling van alle kernwapens. Zo lang landen hun status van kernmogendheid willen handhaven (en dat geldt even zeer voor Iran, Noord-Korea als de klassieke kernmachten) zullen ze ook  blijven kiezen voor ‘vreedzame’ kernenergie. En zullen ze DUS blijven ageren tegen hernieuwbare energie.

Stop de éénzijdige campagnes voor minder CO2

Scheer verwerpt noties als ‘CO2-neutraal’ of ‘low carbon’ : die zijn op maat gesneden van de grote energiemaatschappijen. Die willen kun kerncentrales verkopen als ‘zero emissie’-centrales en hun kolencentrales als schone centrales omdat ze hun uitstoot van CO2 kunnen opvangen en opslaan (“Carbon Capture and Storage” of CCS).

Alles omrekenen in CO2-emissies is bijzonder bedrieglijk en misleidend. 

Eerst en vooral omdat de oude energiecentrales zorgen voor veel meer en veel gevaarlijker vervuiling dan enkel CO2. Zo bijv. fijn stof, NOX, SO2, CO, radio-actieve straling, olielozingen op zee. Daarom mogen we ook niet meegaan in valse pleidooien voor energieheffingen die vooral neerkomen op CO2-heffingen. Laat ons alle energieheffingen omvormen tot “vervuilingsheffingen”. 

En door te focussen op CO2 en klimaat, verdwijnen ook andere levens-belangrijke aspecten uit het zicht. Het nijpend bevoorradingsprobleem bijv. :  olie en uranium worden schaars en straks onbetaalbaar.  Zon en wind zijn er in overvloed. De veiligheidsproblemen voor huidige en toekomstige generaties. Daarover wordt in alle talen gezwegen. Maar ook de kansen die groene energie biedt voor economie en tewerkstelling worden weg gemoffeld. Olie en kernenergie laten alleen grootschalige productie en distributie toe en versperren de weg naar een groene lokale economie met duizenden groene jobs en veel meer energievrijheid.

Grote klimaatconferenties zijn tot mislukken gedoemd

Hermann Scheer gelooft in het belang van de Rio-conferentie van 1992 en looft de rapporten van het IPCC. Internationale bewustwording is meer dan ooit nodig. Maar in bindende internationale afspraken gelooft hij niet. Integendeel de grote verworvenheden van Kyoto zoals de quota, de emissiehandel, de flexibele mechanismen brachten ons van de regen in de drop. In het Duits parlement stemde Scheer als enige (samen met Hans-Jozef Fell van de Groenen) tegen de wet die Europese CO2-emissiehandel omzette in Duits recht. Met Eurosolar voerde hij campagne tegen de emissiehandel  onder het motto ‘onze lucht is niet te koop’. De CO2-emissiehandel heeft als enige bedoeling de bestaande energiestructuren te betonneren en hernieuwbare energie tegen te houden. Het feit dat de hele operatie begon met het gratis uitdelen van uitstootrechten aan grote vervuilers, zegt genoeg.

Zelfs de befaamde maximum opwarming van 2°C is voor Scheer  een valstrik. Want een verdere opwarming toestaan is in feite onverantwoord. We zouden de opwarming onmiddellijk moeten bevriezen en beginnen aan projecten om de hoeveelheid CO2 in de atmosfeer terug te dringen.

Een nieuwe Agenda 21

Decennia van grote milieuconferenties hebben nauwelijks iets opgeleverd. Voor hem was de mislukking van de Kopenhagen-conferentie geen verrassing. Hij  gelooft meer in een nieuw elan voor Agenda 21, voor de participatieve projecten die het adagio ‘Think globally, act locally’ in het vaandel  dragen. De invoering van het feed-in-tarief in Duitsland en andere landen om hernieuw-bare energie te bevorderen, heeft veel meer CO2 uitgespaard dan het hele Kyoto-proces. En zonder eindeloze onderhandelingen en bureaucratie. Zijn oplossing voor het falen van de grote klimaatconferenties is radicaal gaan voor ‘coalitions of the willing’ : groepen van landen, regio’s, steden die zonder dralen de weg op gaan van 100% hernieuwbare energie of die kiezen voor grote herbebossingsprogramma’s en de aanmaak van CO2-rijke humus om woestijngronden te heroveren. Dat zal heel wat meer opleveren dan complexe  procedures om schone lucht te verkopen of te laten betalen voor het niet omhakken van bossen.

DESERTEC, SEATEC, SUPERGRID : grootheidswaanzin

Grote zonnecentrales in Zuid-Europa of in de Sahara met super-zonnespiegels (‘Centralized Solar Power’ of CSP) die massa’s zonne-energie opwekken en dan via lange HVDC-kabels (HVDC staat voor 'High Voltage Direct Current', ofwel gelijkstroom met hoge spanning)  en een Supergrid (elektriciteitsnet) al die groene stroom vervoeren over de bodem van de Middellandse Zee, doorheen de Pyreneeën en Alpen en dwars doorheen heel Europa. Scheer ziet het als een ‘fata morgana’, maar tegelijk als één van de laatste maar gevaarlijkste kunstgrepen om hernieuwbare energie alsnog af te stoppen. Een dergelijk project is op maat gesneden van de grote energie-multinationals. Hun wijze van denken, energie produceren en verdelen, wordt klakkeloos gekopieerd. Dergelijke projecten  vergen per definitie een grootschalige aanpak en stromen vol geld. En wat voor de grote producenten het belangrijkst is : dergelijke projecten vragen veel tijd, zijn niet op korte termijn realiseerbaar.  Denk maar eens aan het aantal vergunningen dat je moet binnenhalen om zo’n supergrid van de ene tot de andere kant van Europa aan te leggen. Over een afstand van 5.000 kilometer. Terwijl nu al voor elke kilometer hoogspanningslijn die wordt aangelegd een actiecomité wordt opgericht. En als klap op de vuurpijl  citeert Scheer het groen Europees parlementslid Claude Turmes die vreest voor een geheime nucleaire agenda. Frankrijk zou wat graag kerncentrales bouwen in Noord Afrika en die stroom via dezelfde kabels in Europa aan land brengen.

Zonnespiegels in Noord-Afrika, het is alleen maar een goed idee als de groene stroom die zo opgewekt wordt ten goede komt aan de landen zelf (bv. de straatarme landen van de Sahel) en de mensen die er wonen. We hebben eerder nood aan stimuli voor een ‘Desert Economy’. De plaatselijke bevolking heeft die energie veel meer nodig dan wij. Zij kunnen de groene stroom  aanwenden om hun milieu terug leefbaar te maken (bijv. via bevloeiings-projecten of als alternatief voor peperdure olie).

Dezelfde redenering geldt voor SEATEC, de prestigeplannen voor mega windturbine-eilanden ver op de Noordzee of de Baltische Zee. Hier is Scheer voorzichtiger : het gaat allicht niet over de bestaande turbineparken, eerder over de nog veel straffere plannen voor bijv. een ‘Windring’ op de Noordzee of zelfs de Atlantische Oceaan. Windmolens op land zijn stukken goedkoper en bieden veel meer mogelijkheden voor autonome productie bijv. met bewonerscoöperatieven. Hoe groter de windmolenprojecten op zee, hoe verder weg van de kust, hoe meer ze het model overnemen van de grote olieboorplatforms en hoe meer ze in de kaart spelen van de grote energie-multinationals.

Scheer is hier bijzonder scherp, omdat hij door deze megalomane plannen, die overal grote bijval krijgen, de belangrijkste troeven van hernieuwbare energie ziet verloren gaan. De mogelijkheid van decentrale productie van stroom en warmte, dus vlak bij de consument. Het verwerven van energie-autonomie, dus los van de grote multinationals. Het uitbouwen van slimme energienetten die hernieuwbare energie in al zijn verscheiden vormen lokaal of regionaal op mekaar laat aantakken. En dat zonder dat hiervoor een supergrid nodig is dat enkel door  machtige concerns en kapitaalgroepen gecontroleerd wordt. Scheer droomt eerder van een internet, een los weefsel van regionale slimme netten, die wel alle verbonden zijn, maar die niet afhangen van heuse energie-autostrades.

Hernieuwbare energie als nieuw paradigma

Hernieuwbare energie is te lang beschouwd als een technisch snufje in de marge. Een parkeermeter die nu werkt op een zonnepaneeltje.  En voor de rest blijft alles gelijk. Niets is minder waar. De overgang naar 100% hernieuwbaar verandert alles.

Het gaat om te beginnen om veel meer dan enkel zonne- en windenergie. Het gaat ook om andere energiebronnen : biogas, biomassa, waterkracht, getijden – en golfslag-energie, geothermie, nieuwe technieken zoals warmte-kracht-koppeling, warmtepompen, isolatietechnieken, enz.

In feite gaat het om een totaal nieuwe gebruik van de energie die we rechtstreeks cadeau krijgen van de zon en die we direct (zonnestralen) of via fotosynthese (planten) gebruiken om landbouw te bedrijven, maar nu ook om een groene industrie aan te drijven.

Het gaat ook om hernieuwbare grondstoffen. Biomassa als alternatief voor petroleum) in de chemie bijv. Of hernieuwbare bouwstoffen (hout). Of het gaat om hernieuwbare producten (producten uit biomaterialen die 100% afbreekbaar en herbruikbaar zijn).

Het gaat om transport op basis van hernieuwbare energie : wagens op groene stroom, energie- autonome schepen, vliegtuigen op biobrandstoffen.

Het gaat vooral ook om totaal nieuwe ontwikkelingskansen voor landen in het Zuiden die veel kostelijke investeringen in grootschalige infrastructuur kunnen overslaan en meteen de sprong kunnen maken naar de zonne-economie. 

Hernieuwbare energie en -productie is een nieuw paradigma, een nieuwe manier van produceren, van verplaatsen, van leven. Hernieuwbare energie wordt letterlijk en figuurlijk de motor van een ander soort technologie en een ander soort maatschappij. Dat is de vierde industriële revolutie. En die zal nog veel ingrijpender zijn dan de derde industriële revolutie op basis van ICT.

Hernieuwbaar is goedkoper

De zon stuurt ons geen rekening. Hernieuwbare energie is spotgoedkoop in vergelijking met fossiele of nucleaire energie. In feite zelfs gratis. Als de initiële investeringen zijn afgeschreven. Dus we mogen ons niets laten wijs maken. Zeker niet door de grote energiemaatschappijen die ons al jaren gepeperde rekeningen sturen en die nu geen weg weten met de steeds grilliger prijsschommelingen voor  brand- en grondstoffen. Scheer beschrijft hoe de fossiele en nucleaire energie altijd kon rekenen (tot vandaag) op enorme onderzoeksbudgetten en subsidiestromen. Zij kunnen maar overleven door constante manipulatie van de markt. Zij hebben per definitie een staatsgeleide economie nodig en kunnen maar overleven door een groot stuk van de politiek aan zich te binden. Een vrije energiemarkt gebaseerd op conventionele niet-hernieuwbare energie en op massale energie-invoer, is een illusie.
Dat hernieuwbare energie in de opstartfase ook steun nodig heeft, is niet meer dan normaal En dus helemaal geen schande. Zeker omdat ze de competitie moeten aangaan met de “overgesubsidieerde” traditionele energietechnolo-gieën. Maar hernieuwbare energie wordt in ijltempo goedkoper en slagkrachtiger. Binnen de kortste keren zullen zij zonder steun verder open bloeien, als echt vrije spelers op de markt. En de andere wegdrukken. Tenzij men de markt blijft vervalsen.

In die zin is het bijzonder cynisch dat de tegenstanders van hernieuwbare energie nu vooral op het kostenaspect inhakken. Het gaat immers om een zeer tijdelijk gegeven. En bovendien om een erg éénzijdig verhaal.  Alle andere voordelen van hernieuwbare energie worden terzijde gelaten. En vooral het feit dat er geen alternatief is voor de transitie naar hernieuwbare energie. Tenzij we echt willen afwachten tot olie en uranium compleet onbetaalbaar zijn geworden.

Werk voor de politiek

In het licht van de klimaatcrisis en andere crises kan politiek niet langer simpel weg gezien worden als ‘de kunst van het mogelijke’. We moeten politiek omzetten in ‘de’ kunst van het noodzakelijke’. De politiek kan en moet veel meer doen om hernieuwbare energie te bevorderen dan vandaag. In plaats van de steun overhaast af te bouwen.

Naast feed-in-tarieven ziet Scheer nog andere politieke instrumenten die kunnen ingezet worden :

•    Wettelijke verankering van de voorrang voor hernieuwbare energie op het net
•    Voorrang voor hernieuwbare energieprojecten als projecten van algemeen belang in de ruimtelijke planning
•    Meer rechten voor lokale besturen : die moeten bijv. zonnepanelen voor nieuwbouw kunnen verplichten, of het gebruik van bepaalde fossiele brandstoffen kunnen verbieden op hun grondgebied
•    Het creatief gebruik van infrastructuur (bv. om de 900 meter windmolens plaatsen langs alle Duitse autostrades : een project dat minder kost dan DESERTEC, veel sneller kan gerealiseerd worden en niet in strijd is met het streven naar meer energie- autonomie)
•    het instellen van een vervuilingstaks op alle energie

Louter spelen op technische argumentatie (CO2 – kostprijs) zal niet volstaan. Hernieuwbare energie heeft vooral een veel grotere morele legitimiteit. Hernieuwbare energie uitbouwen is zoveel als een ethische imperatief.

Eenzijdig, maar bijzonder confronterend

Het betoog van Hermann Scheer is bijzonder gedreven, soms bijna fanatiek of zelfgenoegzaam. Hernieuwbare energie is het antwoord op alle problemen, zijn hernieuwbare energiewet is het enige goede model om hernieuwbare energie aan te drijven. Alle anderen dwalen.

Het minimaliseren van het belang van internationale akkoorden  is niet zonder risico. Want ongewild kom je zo in het kamp terecht van staten en lobby’s die tegen verregaande klimaatinspanningen ageren. Hij komt daar zeer dicht bij als hij het model van Obama van  ‘pledge and review’1  verdedigt dat werd opgenomen in het Kopenhagen Akkoord (2009). (1Alternatief voor bindende internationale doelstellingen (zoals het Kyoto Protocol) – alle landen geven eigen doelstellingen op die nadien kunnen geëvalueerd worden)

Ook de discussie over de oplopende kosten van de overheidssteun voor hernieuwbare energie kan niet langer ontweken worden. Oversubsidiëring kan wel degelijk het draagvlak voor hernieuwbare energie aantasten. Dat is de laatste tijd ten overvloede bewezen.

Tegelijk is het pleidooi van Scheer bijzonder confronterend. Ontluisterend bijna. Als hij gelijk heeft zit een groot deel van het energie- en klimaatbeleid in ons land, in Europa, wereldwijd, op een doodlopend spoor. In eigen land vertelt iemand als Aviel Verbruggen ook al jaren eenzelfde verhaal. Lees zijn boek ‘De Ware Energiefactuur’ er maar op na. Scheer geeft genadeloos aan welke belangen spelen. Daaraan voorbij gaan, zou bijzonde naïef zijn.  Hij maakt ook duidelijk dat er een immense politiek opdracht rest voor wie echt werk wil maken van een energie- transitie.

Ook in Vlaanderen en België beleefde de sector van de hernieuwbare energie de voorbije jaren een echte boom. Maar dat is relatief. Wereldwijd gingen de ontwikkelingen nog veel harder. Ons land blijft achteraan bengelen. We zijn dus bijzonder slecht geplaatst om de kritiek van Scheer hautain naast ons neer te leggen. Hieronder een grafiek voor de productie van windenergie. België moet 15 Europese landen laten voorgaan.  

grafiek
(< Europese Vereniging voor Windenergie – “Wind in Power 2011” – Europese statistieken)

Epiloog

Hermann Scheer heeft de kernramp van Fukushima (maart 2011) niet meer mee gemaakt noch de beslissing van de Duitse regering om voor goed te breken met kernenenergie. De geschiedenis geeft hem steeds meer gelijk. Maar tegelijk blijven zijn recepten omstreden. In zijn Duitsland woedt opnieuw een debat over de zinvolheid van de hernieuwbare energiewet. Bondsminister Rösler wil de wet nu zelfs helemaal afschaffen. Tot grote ontsteltenis van groenen en socialisten. De strijd is nog lang niet gestreden. In heel Europa wordt de steun voor hernieuwbare energie afgebouwd. Veel te vroeg, waardoor de sector een zware duik dreigt te maken. Maar om Scheer een laatste keer te citeren : de uiteindelijke winnaars zijn al lang bekend. De zonne-economie komt er. Daar is geen weg naast.

donderdag 12 januari 2012 11:01

Vertragen voor een overvloedig leven

door Dirk Holemans

 We kunnen er niet naast kijken: we moeten met zijn allen langer en harder werken en de economische groei terug aanzwengelen. Anders kunnen we de pensioenen niet betalen, de staatsschuld niet afbetalen en verdampt de welvaartstaat. Zo luidt toch het dominante discours. Het lijkt wel of er geen andere weg uit de huidige crisis is: iedereen harder werken, de economische motor sneller doen draaien. Nochtans geven nu ook mainsteam economen als Geert Noels toe dat het verder zetten van het huidig economisch model onhoudbaar is. 

maandag 21 november 2011 12:09

Grenzen aan de groei, 40 jaar later

door Dirk Holemans

Deze week is Dennis Meadows, auteur van het befaamde rapport Limits to Growth uit 1972, te gast in België. Een unieke gelegenheid om, veertig jaar later, na te gaan wat de relevantie is van dit zogenaamde rapport aan de Club van Rome.

 

 

maandag 14 november 2011 11:12

Authority Inc.

door Karel Vanhaesebrouck

De onderwijs- en cultuursector ondergingen de voorbije decennia een verregaande metamorfose. In dat nieuwe regime is er steeds minder ruimte voor traagheid en tijdsverlies, nog steeds de humus van elke vorm van expertise en autoriteit.

Mijn grote intellectuele idool is de Britse historicus Simon Schama. Schama is professor aan de prestigieuze Columbia University en schreef een vijftiental historische studies, die stuk voor stuk uitgroeiden tot belangrijke referentiepunten: prachtige boeken over de Nederlandse Gouden Eeuw (The Embarrassment of Riches: An Interpretation of Dutch Culture in the Golden Age, 1987), over de Franse Revolutie (Citizens: A Chronicle of the French Revolution, 1989), over de geschiedenis van het landschap (Landscape and Memory, 1995), over het lot van de Afro-Amerikaanse slaven tijdens de Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog (Rough Crossings: Britain, the Slaves and the American Revolution, 2005) en ga zo maar door. Hij schrijft regelmatig over politiek, geschiedenis en kunst voor publicaties als The New Yorker en The Financial Times – niet meteen twee voddenblaadjes – en enthousiasmeerde met zijn BBC-documentaires verschillende generaties voor intellectuele reflectie. Schama is dus zonder twijfel een autoriteit: een intellectueel referentiepunt ver buiten zijn vakgebied.

En toch vraag ik me af of deze Schama vandaag, anno 2011, aan een Europese universiteit als hoogleraar aan de slag zou kunnen. Al worden zijn reflecties wereldwijd gewaardeerd, zijn track record zou hem in het huidige universitaire systeem weinig goede punten opleveren. Schama heeft nauwelijks artikelen gepubliceerd voor gespecialiseerde, wetenschappelijke tijdschriften. Hij had het immers te druk met dikke boeken schrijven. Ook zijn brede interesse zou hem zeker parten spelen. ‘Maar, waarde confrater, hoe kan je nu tegelijk werken en publiceren rond Amerikaanse, Britse, Franse en Nederlandse geschiedenis, en dan nog zonder je te focussen op een specifiek tijdperk? U moet toch een specialisatie hebben?’ Ook zijn maatschappelijke engagement als intellectueel – Schama spreekt zich geregeld uit over allerlei kwesties in doordachte opiniestukken – zal hem geen pluspunten opleveren: ‘tijdverlies, collega, slecht voor onze outputindicatoren’. En dan is er nog Schama’s ultieme doodzonde: vulgarisering. Zijn hele carrière is een poging om een breed publiek te enthousiasmeren voor wetenschappelijke kennis. Schama zelf is er niet armer van geworden (zijn contract met de BBC als tv-historicus bracht hem meer op dan een mooie veranda), maar zijn kijkers evenmin. Kortom: Schama is een intellectueel, geen vakspecialist, en in de huidige onderwijseconomie is dat geen voordeel, maar een nadeel. Onze geglobaliseerde kenniseconomie wil geen autoriteiten of intellectuele referentiepunten. Ze investeert enkel in wie output levert, op basis waarvan inkomsten toegekend worden. Intellectuele reflectie moet plaats ruimen voor return-on-investment. De ware autoriteit is niet Schama, maar de markt. Alleen is de markt een onzichtbare, schijnbaar neutrale autoriteit, een ideologie die ontkent ideologie te zijn: de markt is de enige mogelijke graadmeter van het leven dat we met zijn allen leven, zo wil de neoliberale logica ons laten geloven. Authority Inc: van vzw naar nv ...

EXPERTISE?

Expertise, autoriteit en vakmanschap zijn in het onderwijsbeleid verworden tot categorieën van ondergeschikt belang. Zeker in tijden van permanente onderwijsvernieuwing klinken ‘kennis’ en ‘metier’ vies: ze vragen traagheid en tijdsverlies, en dat spoort geenszins met de efficiëntieretoriek die vandaag het mooie weer maakt. Reeds in 1996 beschreef literatuurprof Bill Readings in The University in Ruins de teloorgang van ‘the university of culture’, die autonome ruimte waar het Bildung-ideaal de ruggengraat van het hoger onderwijs vormt. Vandaag is het toverwoord ‘excellentie’: elke opleiding moet excellent zijn. En die excellentie kan je meten, via kwantitatieve criteria: ‘outputindicatoren’ die aangeven hoeveel ‘output’ (diploma’s, doctoraten, publicaties) een instelling voor hoger onderwijs weet te genereren. Meer en meer worden die instellingen dus gerund als een bedrijf (inclusief een uitdijend managementkader, een steeds uitgekiender systeem van interne controle en dito schaalvergroting). En als er toch een directie aan het roer staat die – tegen de geest van de tijd in – die uitwassen tot een werkbaar minimum probeert te beperken, dan zijn er nog de studenten die hun universiteit of hogeschool steeds meer als een supermarkt beschouwen, waar je het winkelkarretje vol kan laden met bijeengesprokkelde credits. ‘Flexibilisering’, zo heet dat in Bologna-newspeak. Studenten shoppen competenties.

Het zijn maar een paar uitwassen van een onderwijsvisie waarin onderwijs moet bijdragen aan de zogeheten ‘kenniseconomie’, eerder dan aan de intellectuele en kritische vorming van jongvolwassenen. Precies dat is de onderliggende ideologie van de Bologna-hervorming: het onderwijs moet uniforme en dus schijnbaar inwisselbare competenties ‘leveren’ aan de toekomstige werknemers in die kenniseconomie. Kennis moet met andere woorden marktconform zijn. Onderwijs is een dienstverlenend bedrijf aan de klant genaamd ‘overheid’, en dat bedrijf wordt geacht ‘output’ te leveren. En dat alles onder het mom van de schijnbare ‘waarden-loze’ neutraliteit van Bologna, een neutraliteit die zweert bij duidelijkheid, overzichtelijkheid en eenduidigheid. Tijd voor twijfel of tijdsverlies is er niet, ruimte om spelenderwijs verloren te lopen al evenmin: iedereen en alles moet letterlijk ‘productief ’ en ‘doelgericht’ zijn. De student, geboren én groot geworden in dat impliciete markteconomische denken, is klant én zelfstandig ondernemer. ‘De nadruk op het leren beheersen en managen van kennis’, zo schrijft Frank Vandeveire in de bundel Welke universiteit willen we (niet), ‘wordt belangrijker dan het passionele engagement van een bepaalde inhoud.’ Passie ruimt plaats voor berekening.

Ook de kennis die universiteiten en hogescholen zelf genereren moet marktconform zijn, valoriseerbaar. Universiteiten en hogescholen zijn verworden tot Research&Development-departementen waar luid de trom van ‘innovatie’, ‘efficiency’ en ‘employability’ geroerd wordt. Een R&D-departement conformeert onderzoek aan de noden van een maatschappij, terwijl onderzoekers eigenlijk zouden moeten nadenken over die noden. In zijn laatste nota verkondigt het NWO, het belangrijkste Nederlandse financieringsorgaan voor ‘fundamenteel’ wetenschappelijk onderzoek, dat het gros van het geesteswetenschappelijke onderzoek dat het financiert, zich voortaan ten dienste zal moeten stellen van wat dan schijnbaar neutraal ‘creative industries’ heet. Onderzoek moet onmiddellijk valoriseerbare kennis opleveren en is niet langer een levensnoodzakelijke ‘langetermijninvestering in nutteloosheid’, zoals filosoof René Boomkens het treffend verwoordde in Topkitsch en slowscience, een striemende, maar nauwelijks opgepikte aanklacht tegen de vermarkting van de universiteit. Daarmee komt een definitief einde aan de noodzakelijke onafhankelijkheid van de onderzoeker, die nieuwsgierige geest die gedreven wordt door een knagend niet-weten. Onderzoek is dan niet langer fundamenteel, want geprogrammeerd door de noden van de markt: je weet reeds op voorhand waar je dient uit te komen. Het meest onrustwekkende is misschien niet die ontwikkeling zelf, maar wel de evidentie waarmee men die ontwikkeling aanvaardt: men beschouwt het als de enige mogelijke optie, sans plus.

VERBODEN MOEILIJK TE DOEN

Als gevolg van die ontwikkeling krijgt de intellectueel in elke student of docent steeds minder de kans zich aan een universiteit te ontplooien. Docenten zijn in de eerste plaats vakspecialisten en, misschien en met een beetje goede wil, intellectuelen ná hun uren. Een intellectueel is geen specialist in een specifiek vakgebied. Hij of zij heeft een bepaalde autoriteit (verworven) en engageert zich in het publieke debat, dus ook en vooral buiten de universiteitsmuren, om bepaalde waarden te verdedigen. Het is geen beroep, wel een engagement om bepaalde kwesties aan een permanent kritisch onderzoek te onderwerpen. Een intellectueel, zo stelde Sartre (die overigens zelf niet aan een universiteit werkte), is daarom ‘iemand die zich bemoeit met wat hem niet aangaat’, een dilettant die zich verantwoordelijk voelt voor iets waar hij niet schuldig aan is en zich genoodzaakt voelt buiten zijn vakgebied te treden. Hij is dus, aldus Frank Vande Veire, ‘aangestoken’ – hij maakt zich kwaad over wat hij niet langer wenst te begrijpen of te aanvaarden. Een intellectueel daagt zichzelf uit om buiten de lijnen van de bekende werkelijkheid te denken; hij wordt dus, net zoals de kunstenaar, gedreven door verbeelding. En net voor die verbeelding is er in tijden van pragmatisme en realisme steeds minder plaats. ‘Je gaat toch niet moeilijk doen, wees een beetje redelijk.’

Dezelfde ontwikkeling doet zich voor in de culturele sector. Cultuur en kunst moeten rendabel zijn en bijdragen aan de creatieve economie. Wie dus doet wat een kunstenaar moet doen, namelijk kunst maken zonder meer, is eigenlijk – al wordt dat voorlopig in Vlaanderen nog niet met zo veel woorden gesteld – een ‘behoeftige’. Steeds meer wordt ook cultuur, net als kennis, geïnstrumentaliseerd en gereduceerd tot economisch nut, tot rendabiliteit. En de cultuursector, meer nog in Nederland dan in Vlaanderen, trapt in de val door precies dezelfde logica ter verdediging aan te dragen, zoals Pascal Gielen stelde tijdens zijn State of the Union op het Theaterfestival. Met cijfers onder de arm wordt gezwaaid met termen als ‘goed bestuur’ en ‘efficiëntie’. Elke investering moet zo snel mogelijk tot zichtbare output leiden. De neutraliteit die die cijfermatige aanpak uitdraagt, is slechts schijn, zo benadrukt Gielen: die zogenaamde evidence-based policy, een pragmatische en kwantitatieve cultuurpolitiek, is ‘helemaal niet politiek neutraal, omdat ze meestapt met de neoliberale retoriek die de vrije markt als ethisch fundament van de samenleving verklaart’. Voor de traagheid, zo noodzakelijk om je eigen ambacht en artistieke universum te ontwikkelen, is er weinig tot geen ruimte. Ook artistiek onderzoek, dat zelfverklaarde nieuwe paradigma, moet efficiënt zijn en output genereren. In allerhande gremia in kunsthogescholen en universiteiten buigt men zich nu over de spannende vraag naar outputindicatoren, criteria en categorieën die diezelfde gremia moeten toelaten om de output van het geleverde onderzoek te meten. Praktijkontwikkeling en creativiteit moeten de creatieve industrie cateren, artistiek onderzoek is een economische investering die later op de een of andere manier terugbetaald moet worden.

En zo zijn artiesten, net als intellectuelen, niet langer autoriteiten op basis van hun verbeelding, van hun kracht om de werkelijkheid opnieuw te bedenken, maar worden ze steeds meer de boekhouders van hun eigen creatieve economie. Veel alternatieven zijn er op het eerste gezicht niet: wie niet meedoet, stelt zich buiten het systeem, is ‘onrealistisch’ en ‘naïef’. Misschien moeten we dat gebrek aan realisme net iets meer gaan koesteren. Moeten we durven dromen. Maar bovenal moeten we, Brecht indachtig, blijven benadrukken dat dat systeem níét het enige mogelijke is en dus níét neutraal is, dat er andere, denkbare kaders zijn. Kunstenaars en intellectuelen moeten de vrijzone die ze nodig hebben, zonder schaamte of excuses verdedigen. Ze moeten het recht opeisen nutteloos te zijn – want pas dan zullen ze écht maatschappelijk betekenisvol zijn, en de autoriteit kunnen opeisen die hun toekomt.

Misschien zou de jongere versie van Schama dan wel op basis van zijn autoriteit academicus, intellectueel én schrijver kunnen zijn, ooit, in een toekomstig Utopia waar wetenschap en kunst per definitie slow zijn, niet omdat dat trendy is, maar omdat het noodzakelijk is.


Karel Vanhaesebrouck is redacteur van rekto:verso

Het nieuwe beleveniscenter, of zeg maar shopping center Uplace dat de Vlaamse regering wil/wou bouwen in Machelen/Vilvoorde, zorgt recent voor heel wat discussie. Terecht wordt gewezen op milieu- en mobiliteitseffecten en op de negatieve weerslag voor de middenstand in Vilvoorde, Machelen, Leuven, zelfs Aalst.

Maar de vraag ten gronde is of grote shopping centra, type Wijnegem Shopping Center, nog wel van deze tijd zijn. Gaat het niet om de dinosaurussen van de retail? Is het model van de grote shopping centra buiten de stadskernen niet op sterven na dood? Als dat zo is, dan hinkt de Vlaamse Regering hopeloos achterop. De vorige en deze regering hebben dure contracten getekend met de projectontwikkelaars van Uplace. Zogezegd voor een creatief en vernieuwend project van de toekomst. Maar kiest men niet eerder voor een project dat hopeloos en nostalgisch blijft vast hangen in het verleden?

Om deze vragen te beantwoorden, is het wellicht nuttig even kort in de geschiedenis te duiken van de shopping malls.

 

vrijdag 28 oktober 2011 14:43

Het Vlaams Parlement doet het licht uit

door Dirk Holemans

Iets meer dan tien jaar geleden keurde alle politieke partijen in het Vlaams Parlement de oprichting goed van een onafhankelijk instituut over Technologie en Samenleving, het IST. Onder meer het debat in de jaren ’90 over de verbrandingsovens had duidelijk gemaakt dat de besluitvorming over complexe technologische dossiers een zo sterk mogelijke onderbouwing vereist. En dat het ontbreken van een deugdelijk maatschappelijk debat enkel maar leidt tot wantrouwen bij de burgers ten aanzien van de politici.

 

Het IST heeft een decennium lang die ondersteunende rol gespeeld bij besluitvorming over wetenschappelijk-technologische innovaties en controverses, door de verschillende aspecten van technologie op haar waarde te schatten (Technology Assessment of TA). Zo baseerde in 2004 het Vlaams Parlement haar houding over genetisch gewijzigd voedsel op onderzoek van het IST. Maar ook een nieuwe ontwikkeling als nanotechnologie werd onder de aandacht van politici en een breed publiek gebracht middels een meerdaags festival. Tevens realiseerde het IST vernieuwende vormen van dialoog tussen beleidsmakers, experts, stakeholders en burgers. Net in tijden waar alles snel-snel moet gaan zorgde het IST voor de nodige diepgang en antwoorden op trage vragen … voor wie er open voor stond. Ook de samenstelling van haar raad van bestuur, de helft politici en de helft academici, zorgde voor heel wat vruchtbare debatten in de schoot van de organisatie.

 

Het IST heeft op innovatieve wijze nieuwe vormen van burgerparticipatie in de praktijk omgezet: publieksfora, burgerjury’s, burgerconventies, theaterstukken, technologiefestivals … het scala is indrukwekkend. Het resulteerde onder meer in een standaardwerk over participatieve methoden. Vlaanderen wordt hiervoor geroemd in het buitenland.Maar ook voor haar werking in het algemeen scoort IST uitstekend: het staat bovenaan in een recente ranking van TA-instituten opgemaakt door EPTA, het netwerk van parlementaire TA-instituten.

 

Dat TA geen overbodige luxe is, wordt onder meer duidelijk uit een recent internationaal project van de Europese Commissie dat de invoering van TA in alle Europese lidstaten stimuleert. En ook de Waalse Regering heeft beslist om een TA instituut op te richten. Ondertussen toont het Nederlandse Rathenau Instituut, dat een pionier is op vlak van TA, dat het maatschappelijk debat het best gebaat is bij een onafhankelijk en sterk TA-instituut. Dit vormt ook de kracht van het IST: op basis van haar onafhankelijke positie als parlementaire instelling, brengt het op onpartijdige wijze verschillende actoren samen in leerrijke debatten. Een rol die een klassieke overheidsinstantie niet op zich kan nemen.

 

Maar Vlaanderen toont zich nu slimmer dan de rest. Tien jaar na de oprichting beslissen de politieke partijen, uitgezonder Groen!, om het IST doodleuk op te heffen. Het blijft een raadsel waarom. Zijn nu alle technologische controverses, zoals die over genetisch gemanipuleerde planten, helemaal uitgeklaard? Is de technologische ontwikkeling tot stilstand gekomen? Geven technologische praktijken zoals in de geneeskunde geen aanleiding meer tot ethische vragen? Verloopt communicatie via smartphone en sociale media op dezelfde wijze als toen ze nog niet technologisch bemiddeld was?

 

De vraag is ook wie hier beter van zal worden. Technologische innovaties gebeuren niet in een vacuüm. Steeds zijn er belangen bij betrokken, machtsverhoudingen in het geding, geld mee te verdienen.  Sommige bedrijven zullen nog steeds het beleid kunnen beïnvloeden, hun lobbymachines vallen niet stil. En het is niet omdat kennis over bepaalde risico’s bestaat, ze ook juist gehanteerd wordt.

 

De Amerikaanse techniekfilosoof Langdon Winner vatte het al in de jaren ’80 als volgt samen: ‘technologie is wetgeving’. Hiermee verwoordt hij dat technologie het leven van elk van ons, vaak op onzichtbare wijze, structureert en kansen genereert of onmogelijk maakt. Dat wetgevers in Vlaanderen het vanaf nu met veel minder kennis over technologie kunnen stellen, is een raadsel van formaat.

 

 

Dirk Holemans, initiatiefnemer tot de oprichting van het IST;

Paul Berckmans, voormalig bestuurder IST;

Jean-Jacques Cassiman, voormalig bestuurder IST;

Ilse Loots, Universiteit Antwerpen, voormalig bestuurder IST

Lieve Goorden, socioloog, Universiteit Antwerpen;

Freddy Mortier, decaan faculteit letteren en wijsbegeerte UGent, voormalig bestuurder IST;

Nik van Larebeke, professor UZ Gent, voormalig bestuurder IST;

Bernard Mazijn, professor UGent, voormalig bestuurder IST

 

Een verkorte versie van deze tekst verscheen als opiniestuk in De Morgen van 28 oktober 2011.

dinsdag 18 oktober 2011 20:43

Groei zonder welvaart, of omgekeerd?

door Dirk Holemans

 Hoe geraken we uit de crisis: proberen opnieuw te groeien zoals we al decennia proberen? Of is er een alternatief? Een artikel naar aanleiding van de lezing die Tim Jackson, auteur van "Welvaart zonder Groei", op 17 oktober in Gent hield.

 

Wie de klassieke media volgt over de economische crisis, krijgt de laatste tijd twee boodschappen te horen. De tweeling luidt als volgt: we moeten alles in het werk stellen om de economische groeimotor terug aan de praat te krijgen, en we gaan (dan nog) met zijn allen fors verarmen. Samengevat dus: groei zonder welvaart.  Een weinig inspirerend of hoopvol perspectief.

De vraag is echter of we deze twee boodschappen zomaar voor waarheid moeten aannemen. Zijn er dan echt geen alternatieven denkbaar? In Welvaart zonder Groei ontplooit Tim Jackson een alternatief economisch model dat toont dat het wel degelijk anders kan. Maar laat ons eerst de dominante boodschappen kritisch doorlichten.

<< Start < Vorige 1 2 3 4 Volgende > Einde >>
Pagina 1 van 4

Geschenktip

Op zoek naar een origineel geschenk?
Geef dan een Oikos-abonnement cadeau!

Nieuwsbrief

Ontvang HTML?

Doneer

Wil je Oikos steunen als onafhankelijk platform? Dan kan door een bijdrage –groot of klein- te storten op 523-0801757-30 van Oikos

Over Oikos

Oikos wil een toonaangevend forum zijn voor de sociaal-ecologische tegenstroom. Oikos vertrekt vanuit de analyse dat het gangbare economische model ecologisch niet duurzaam is, en dat de emancipatie van velen in onze samenleving en de wereld nog lang niet voltooid is. Oikos behandelt alle dimensies van dit streven naar verandering: de onderliggende ethiek, de analyse van de bestaande toestand, de ontwikkeling van alternatieven en de politieke strategie.

Gratis proefnummer

Wil je graag een gratis proefnummer ontvangen van Oikos? Dat kan! Vul op deze pagina je gegevens in en wij sturen een gratis proefnummer.