Oikos

 
  • vergroot lettergrootte
  • Default font size
  • verklein lettergrootte

Share |

Home Schrijversgemeenschap
Schrijversgemeenschap
zondag 15 januari 2012 09:58

Besparen

door Jan Mertens

In de discussies over de uitweg uit de economische en financiële crisis lijkt het soms alsof er geen ecologische crisis meer is. Nochtans zou die wel eens een heel belangrijke verklaring kunnen zijn voor wat er nu gebeurt. Oplossingen die erop rekenen dat we wel uit de crisis zullen kunnen groeien, kunnen gevaarlijke gevolgen hebben. De ecologische dimensie hoort thuis in het hart van een rechtvaardigheidspolitiek.

donderdag 12 januari 2012 11:01

Vertragen voor een overvloedig leven

door Dirk Holemans

 We kunnen er niet naast kijken: we moeten met zijn allen langer en harder werken en de economische groei terug aanzwengelen. Anders kunnen we de pensioenen niet betalen, de staatsschuld niet afbetalen en verdampt de welvaartstaat. Zo luidt toch het dominante discours. Het lijkt wel of er geen andere weg uit de huidige crisis is: iedereen harder werken, de economische motor sneller doen draaien. Nochtans geven nu ook mainsteam economen als Geert Noels toe dat het verder zetten van het huidig economisch model onhoudbaar is. 

vrijdag 25 november 2011 19:47

Outside the box

door Jan Mertens

Als het over de ecologische crisis gaat, betekent 'outside the box' denken misschien ook wel 'inside the box' denken.

maandag 21 november 2011 12:09

Grenzen aan de groei, 40 jaar later

door Dirk Holemans

Deze week is Dennis Meadows, auteur van het befaamde rapport Limits to Growth uit 1972, te gast in België. Een unieke gelegenheid om, veertig jaar later, na te gaan wat de relevantie is van dit zogenaamde rapport aan de Club van Rome.

 

 

maandag 14 november 2011 11:12

Authority Inc.

door Karel Vanhaesebrouck

De onderwijs- en cultuursector ondergingen de voorbije decennia een verregaande metamorfose. In dat nieuwe regime is er steeds minder ruimte voor traagheid en tijdsverlies, nog steeds de humus van elke vorm van expertise en autoriteit.

Mijn grote intellectuele idool is de Britse historicus Simon Schama. Schama is professor aan de prestigieuze Columbia University en schreef een vijftiental historische studies, die stuk voor stuk uitgroeiden tot belangrijke referentiepunten: prachtige boeken over de Nederlandse Gouden Eeuw (The Embarrassment of Riches: An Interpretation of Dutch Culture in the Golden Age, 1987), over de Franse Revolutie (Citizens: A Chronicle of the French Revolution, 1989), over de geschiedenis van het landschap (Landscape and Memory, 1995), over het lot van de Afro-Amerikaanse slaven tijdens de Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog (Rough Crossings: Britain, the Slaves and the American Revolution, 2005) en ga zo maar door. Hij schrijft regelmatig over politiek, geschiedenis en kunst voor publicaties als The New Yorker en The Financial Times – niet meteen twee voddenblaadjes – en enthousiasmeerde met zijn BBC-documentaires verschillende generaties voor intellectuele reflectie. Schama is dus zonder twijfel een autoriteit: een intellectueel referentiepunt ver buiten zijn vakgebied.

En toch vraag ik me af of deze Schama vandaag, anno 2011, aan een Europese universiteit als hoogleraar aan de slag zou kunnen. Al worden zijn reflecties wereldwijd gewaardeerd, zijn track record zou hem in het huidige universitaire systeem weinig goede punten opleveren. Schama heeft nauwelijks artikelen gepubliceerd voor gespecialiseerde, wetenschappelijke tijdschriften. Hij had het immers te druk met dikke boeken schrijven. Ook zijn brede interesse zou hem zeker parten spelen. ‘Maar, waarde confrater, hoe kan je nu tegelijk werken en publiceren rond Amerikaanse, Britse, Franse en Nederlandse geschiedenis, en dan nog zonder je te focussen op een specifiek tijdperk? U moet toch een specialisatie hebben?’ Ook zijn maatschappelijke engagement als intellectueel – Schama spreekt zich geregeld uit over allerlei kwesties in doordachte opiniestukken – zal hem geen pluspunten opleveren: ‘tijdverlies, collega, slecht voor onze outputindicatoren’. En dan is er nog Schama’s ultieme doodzonde: vulgarisering. Zijn hele carrière is een poging om een breed publiek te enthousiasmeren voor wetenschappelijke kennis. Schama zelf is er niet armer van geworden (zijn contract met de BBC als tv-historicus bracht hem meer op dan een mooie veranda), maar zijn kijkers evenmin. Kortom: Schama is een intellectueel, geen vakspecialist, en in de huidige onderwijseconomie is dat geen voordeel, maar een nadeel. Onze geglobaliseerde kenniseconomie wil geen autoriteiten of intellectuele referentiepunten. Ze investeert enkel in wie output levert, op basis waarvan inkomsten toegekend worden. Intellectuele reflectie moet plaats ruimen voor return-on-investment. De ware autoriteit is niet Schama, maar de markt. Alleen is de markt een onzichtbare, schijnbaar neutrale autoriteit, een ideologie die ontkent ideologie te zijn: de markt is de enige mogelijke graadmeter van het leven dat we met zijn allen leven, zo wil de neoliberale logica ons laten geloven. Authority Inc: van vzw naar nv ...

EXPERTISE?

Expertise, autoriteit en vakmanschap zijn in het onderwijsbeleid verworden tot categorieën van ondergeschikt belang. Zeker in tijden van permanente onderwijsvernieuwing klinken ‘kennis’ en ‘metier’ vies: ze vragen traagheid en tijdsverlies, en dat spoort geenszins met de efficiëntieretoriek die vandaag het mooie weer maakt. Reeds in 1996 beschreef literatuurprof Bill Readings in The University in Ruins de teloorgang van ‘the university of culture’, die autonome ruimte waar het Bildung-ideaal de ruggengraat van het hoger onderwijs vormt. Vandaag is het toverwoord ‘excellentie’: elke opleiding moet excellent zijn. En die excellentie kan je meten, via kwantitatieve criteria: ‘outputindicatoren’ die aangeven hoeveel ‘output’ (diploma’s, doctoraten, publicaties) een instelling voor hoger onderwijs weet te genereren. Meer en meer worden die instellingen dus gerund als een bedrijf (inclusief een uitdijend managementkader, een steeds uitgekiender systeem van interne controle en dito schaalvergroting). En als er toch een directie aan het roer staat die – tegen de geest van de tijd in – die uitwassen tot een werkbaar minimum probeert te beperken, dan zijn er nog de studenten die hun universiteit of hogeschool steeds meer als een supermarkt beschouwen, waar je het winkelkarretje vol kan laden met bijeengesprokkelde credits. ‘Flexibilisering’, zo heet dat in Bologna-newspeak. Studenten shoppen competenties.

Het zijn maar een paar uitwassen van een onderwijsvisie waarin onderwijs moet bijdragen aan de zogeheten ‘kenniseconomie’, eerder dan aan de intellectuele en kritische vorming van jongvolwassenen. Precies dat is de onderliggende ideologie van de Bologna-hervorming: het onderwijs moet uniforme en dus schijnbaar inwisselbare competenties ‘leveren’ aan de toekomstige werknemers in die kenniseconomie. Kennis moet met andere woorden marktconform zijn. Onderwijs is een dienstverlenend bedrijf aan de klant genaamd ‘overheid’, en dat bedrijf wordt geacht ‘output’ te leveren. En dat alles onder het mom van de schijnbare ‘waarden-loze’ neutraliteit van Bologna, een neutraliteit die zweert bij duidelijkheid, overzichtelijkheid en eenduidigheid. Tijd voor twijfel of tijdsverlies is er niet, ruimte om spelenderwijs verloren te lopen al evenmin: iedereen en alles moet letterlijk ‘productief ’ en ‘doelgericht’ zijn. De student, geboren én groot geworden in dat impliciete markteconomische denken, is klant én zelfstandig ondernemer. ‘De nadruk op het leren beheersen en managen van kennis’, zo schrijft Frank Vandeveire in de bundel Welke universiteit willen we (niet), ‘wordt belangrijker dan het passionele engagement van een bepaalde inhoud.’ Passie ruimt plaats voor berekening.

Ook de kennis die universiteiten en hogescholen zelf genereren moet marktconform zijn, valoriseerbaar. Universiteiten en hogescholen zijn verworden tot Research&Development-departementen waar luid de trom van ‘innovatie’, ‘efficiency’ en ‘employability’ geroerd wordt. Een R&D-departement conformeert onderzoek aan de noden van een maatschappij, terwijl onderzoekers eigenlijk zouden moeten nadenken over die noden. In zijn laatste nota verkondigt het NWO, het belangrijkste Nederlandse financieringsorgaan voor ‘fundamenteel’ wetenschappelijk onderzoek, dat het gros van het geesteswetenschappelijke onderzoek dat het financiert, zich voortaan ten dienste zal moeten stellen van wat dan schijnbaar neutraal ‘creative industries’ heet. Onderzoek moet onmiddellijk valoriseerbare kennis opleveren en is niet langer een levensnoodzakelijke ‘langetermijninvestering in nutteloosheid’, zoals filosoof René Boomkens het treffend verwoordde in Topkitsch en slowscience, een striemende, maar nauwelijks opgepikte aanklacht tegen de vermarkting van de universiteit. Daarmee komt een definitief einde aan de noodzakelijke onafhankelijkheid van de onderzoeker, die nieuwsgierige geest die gedreven wordt door een knagend niet-weten. Onderzoek is dan niet langer fundamenteel, want geprogrammeerd door de noden van de markt: je weet reeds op voorhand waar je dient uit te komen. Het meest onrustwekkende is misschien niet die ontwikkeling zelf, maar wel de evidentie waarmee men die ontwikkeling aanvaardt: men beschouwt het als de enige mogelijke optie, sans plus.

VERBODEN MOEILIJK TE DOEN

Als gevolg van die ontwikkeling krijgt de intellectueel in elke student of docent steeds minder de kans zich aan een universiteit te ontplooien. Docenten zijn in de eerste plaats vakspecialisten en, misschien en met een beetje goede wil, intellectuelen ná hun uren. Een intellectueel is geen specialist in een specifiek vakgebied. Hij of zij heeft een bepaalde autoriteit (verworven) en engageert zich in het publieke debat, dus ook en vooral buiten de universiteitsmuren, om bepaalde waarden te verdedigen. Het is geen beroep, wel een engagement om bepaalde kwesties aan een permanent kritisch onderzoek te onderwerpen. Een intellectueel, zo stelde Sartre (die overigens zelf niet aan een universiteit werkte), is daarom ‘iemand die zich bemoeit met wat hem niet aangaat’, een dilettant die zich verantwoordelijk voelt voor iets waar hij niet schuldig aan is en zich genoodzaakt voelt buiten zijn vakgebied te treden. Hij is dus, aldus Frank Vande Veire, ‘aangestoken’ – hij maakt zich kwaad over wat hij niet langer wenst te begrijpen of te aanvaarden. Een intellectueel daagt zichzelf uit om buiten de lijnen van de bekende werkelijkheid te denken; hij wordt dus, net zoals de kunstenaar, gedreven door verbeelding. En net voor die verbeelding is er in tijden van pragmatisme en realisme steeds minder plaats. ‘Je gaat toch niet moeilijk doen, wees een beetje redelijk.’

Dezelfde ontwikkeling doet zich voor in de culturele sector. Cultuur en kunst moeten rendabel zijn en bijdragen aan de creatieve economie. Wie dus doet wat een kunstenaar moet doen, namelijk kunst maken zonder meer, is eigenlijk – al wordt dat voorlopig in Vlaanderen nog niet met zo veel woorden gesteld – een ‘behoeftige’. Steeds meer wordt ook cultuur, net als kennis, geïnstrumentaliseerd en gereduceerd tot economisch nut, tot rendabiliteit. En de cultuursector, meer nog in Nederland dan in Vlaanderen, trapt in de val door precies dezelfde logica ter verdediging aan te dragen, zoals Pascal Gielen stelde tijdens zijn State of the Union op het Theaterfestival. Met cijfers onder de arm wordt gezwaaid met termen als ‘goed bestuur’ en ‘efficiëntie’. Elke investering moet zo snel mogelijk tot zichtbare output leiden. De neutraliteit die die cijfermatige aanpak uitdraagt, is slechts schijn, zo benadrukt Gielen: die zogenaamde evidence-based policy, een pragmatische en kwantitatieve cultuurpolitiek, is ‘helemaal niet politiek neutraal, omdat ze meestapt met de neoliberale retoriek die de vrije markt als ethisch fundament van de samenleving verklaart’. Voor de traagheid, zo noodzakelijk om je eigen ambacht en artistieke universum te ontwikkelen, is er weinig tot geen ruimte. Ook artistiek onderzoek, dat zelfverklaarde nieuwe paradigma, moet efficiënt zijn en output genereren. In allerhande gremia in kunsthogescholen en universiteiten buigt men zich nu over de spannende vraag naar outputindicatoren, criteria en categorieën die diezelfde gremia moeten toelaten om de output van het geleverde onderzoek te meten. Praktijkontwikkeling en creativiteit moeten de creatieve industrie cateren, artistiek onderzoek is een economische investering die later op de een of andere manier terugbetaald moet worden.

En zo zijn artiesten, net als intellectuelen, niet langer autoriteiten op basis van hun verbeelding, van hun kracht om de werkelijkheid opnieuw te bedenken, maar worden ze steeds meer de boekhouders van hun eigen creatieve economie. Veel alternatieven zijn er op het eerste gezicht niet: wie niet meedoet, stelt zich buiten het systeem, is ‘onrealistisch’ en ‘naïef’. Misschien moeten we dat gebrek aan realisme net iets meer gaan koesteren. Moeten we durven dromen. Maar bovenal moeten we, Brecht indachtig, blijven benadrukken dat dat systeem níét het enige mogelijke is en dus níét neutraal is, dat er andere, denkbare kaders zijn. Kunstenaars en intellectuelen moeten de vrijzone die ze nodig hebben, zonder schaamte of excuses verdedigen. Ze moeten het recht opeisen nutteloos te zijn – want pas dan zullen ze écht maatschappelijk betekenisvol zijn, en de autoriteit kunnen opeisen die hun toekomt.

Misschien zou de jongere versie van Schama dan wel op basis van zijn autoriteit academicus, intellectueel én schrijver kunnen zijn, ooit, in een toekomstig Utopia waar wetenschap en kunst per definitie slow zijn, niet omdat dat trendy is, maar omdat het noodzakelijk is.


Karel Vanhaesebrouck is redacteur van rekto:verso

Het nieuwe beleveniscenter, of zeg maar shopping center Uplace dat de Vlaamse regering wil/wou bouwen in Machelen/Vilvoorde, zorgt recent voor heel wat discussie. Terecht wordt gewezen op milieu- en mobiliteitseffecten en op de negatieve weerslag voor de middenstand in Vilvoorde, Machelen, Leuven, zelfs Aalst.

Maar de vraag ten gronde is of grote shopping centra, type Wijnegem Shopping Center, nog wel van deze tijd zijn. Gaat het niet om de dinosaurussen van de retail? Is het model van de grote shopping centra buiten de stadskernen niet op sterven na dood? Als dat zo is, dan hinkt de Vlaamse Regering hopeloos achterop. De vorige en deze regering hebben dure contracten getekend met de projectontwikkelaars van Uplace. Zogezegd voor een creatief en vernieuwend project van de toekomst. Maar kiest men niet eerder voor een project dat hopeloos en nostalgisch blijft vast hangen in het verleden?

Om deze vragen te beantwoorden, is het wellicht nuttig even kort in de geschiedenis te duiken van de shopping malls.

 

vrijdag 28 oktober 2011 14:43

Het Vlaams Parlement doet het licht uit

door Dirk Holemans

Iets meer dan tien jaar geleden keurde alle politieke partijen in het Vlaams Parlement de oprichting goed van een onafhankelijk instituut over Technologie en Samenleving, het IST. Onder meer het debat in de jaren ’90 over de verbrandingsovens had duidelijk gemaakt dat de besluitvorming over complexe technologische dossiers een zo sterk mogelijke onderbouwing vereist. En dat het ontbreken van een deugdelijk maatschappelijk debat enkel maar leidt tot wantrouwen bij de burgers ten aanzien van de politici.

 

Het IST heeft een decennium lang die ondersteunende rol gespeeld bij besluitvorming over wetenschappelijk-technologische innovaties en controverses, door de verschillende aspecten van technologie op haar waarde te schatten (Technology Assessment of TA). Zo baseerde in 2004 het Vlaams Parlement haar houding over genetisch gewijzigd voedsel op onderzoek van het IST. Maar ook een nieuwe ontwikkeling als nanotechnologie werd onder de aandacht van politici en een breed publiek gebracht middels een meerdaags festival. Tevens realiseerde het IST vernieuwende vormen van dialoog tussen beleidsmakers, experts, stakeholders en burgers. Net in tijden waar alles snel-snel moet gaan zorgde het IST voor de nodige diepgang en antwoorden op trage vragen … voor wie er open voor stond. Ook de samenstelling van haar raad van bestuur, de helft politici en de helft academici, zorgde voor heel wat vruchtbare debatten in de schoot van de organisatie.

 

Het IST heeft op innovatieve wijze nieuwe vormen van burgerparticipatie in de praktijk omgezet: publieksfora, burgerjury’s, burgerconventies, theaterstukken, technologiefestivals … het scala is indrukwekkend. Het resulteerde onder meer in een standaardwerk over participatieve methoden. Vlaanderen wordt hiervoor geroemd in het buitenland.Maar ook voor haar werking in het algemeen scoort IST uitstekend: het staat bovenaan in een recente ranking van TA-instituten opgemaakt door EPTA, het netwerk van parlementaire TA-instituten.

 

Dat TA geen overbodige luxe is, wordt onder meer duidelijk uit een recent internationaal project van de Europese Commissie dat de invoering van TA in alle Europese lidstaten stimuleert. En ook de Waalse Regering heeft beslist om een TA instituut op te richten. Ondertussen toont het Nederlandse Rathenau Instituut, dat een pionier is op vlak van TA, dat het maatschappelijk debat het best gebaat is bij een onafhankelijk en sterk TA-instituut. Dit vormt ook de kracht van het IST: op basis van haar onafhankelijke positie als parlementaire instelling, brengt het op onpartijdige wijze verschillende actoren samen in leerrijke debatten. Een rol die een klassieke overheidsinstantie niet op zich kan nemen.

 

Maar Vlaanderen toont zich nu slimmer dan de rest. Tien jaar na de oprichting beslissen de politieke partijen, uitgezonder Groen!, om het IST doodleuk op te heffen. Het blijft een raadsel waarom. Zijn nu alle technologische controverses, zoals die over genetisch gemanipuleerde planten, helemaal uitgeklaard? Is de technologische ontwikkeling tot stilstand gekomen? Geven technologische praktijken zoals in de geneeskunde geen aanleiding meer tot ethische vragen? Verloopt communicatie via smartphone en sociale media op dezelfde wijze als toen ze nog niet technologisch bemiddeld was?

 

De vraag is ook wie hier beter van zal worden. Technologische innovaties gebeuren niet in een vacuüm. Steeds zijn er belangen bij betrokken, machtsverhoudingen in het geding, geld mee te verdienen.  Sommige bedrijven zullen nog steeds het beleid kunnen beïnvloeden, hun lobbymachines vallen niet stil. En het is niet omdat kennis over bepaalde risico’s bestaat, ze ook juist gehanteerd wordt.

 

De Amerikaanse techniekfilosoof Langdon Winner vatte het al in de jaren ’80 als volgt samen: ‘technologie is wetgeving’. Hiermee verwoordt hij dat technologie het leven van elk van ons, vaak op onzichtbare wijze, structureert en kansen genereert of onmogelijk maakt. Dat wetgevers in Vlaanderen het vanaf nu met veel minder kennis over technologie kunnen stellen, is een raadsel van formaat.

 

 

Dirk Holemans, initiatiefnemer tot de oprichting van het IST;

Paul Berckmans, voormalig bestuurder IST;

Jean-Jacques Cassiman, voormalig bestuurder IST;

Ilse Loots, Universiteit Antwerpen, voormalig bestuurder IST

Lieve Goorden, socioloog, Universiteit Antwerpen;

Freddy Mortier, decaan faculteit letteren en wijsbegeerte UGent, voormalig bestuurder IST;

Nik van Larebeke, professor UZ Gent, voormalig bestuurder IST;

Bernard Mazijn, professor UGent, voormalig bestuurder IST

 

Een verkorte versie van deze tekst verscheen als opiniestuk in De Morgen van 28 oktober 2011.

dinsdag 18 oktober 2011 20:43

Groei zonder welvaart, of omgekeerd?

door Dirk Holemans

 Hoe geraken we uit de crisis: proberen opnieuw te groeien zoals we al decennia proberen? Of is er een alternatief? Een artikel naar aanleiding van de lezing die Tim Jackson, auteur van "Welvaart zonder Groei", op 17 oktober in Gent hield.

 

Wie de klassieke media volgt over de economische crisis, krijgt de laatste tijd twee boodschappen te horen. De tweeling luidt als volgt: we moeten alles in het werk stellen om de economische groeimotor terug aan de praat te krijgen, en we gaan (dan nog) met zijn allen fors verarmen. Samengevat dus: groei zonder welvaart.  Een weinig inspirerend of hoopvol perspectief.

De vraag is echter of we deze twee boodschappen zomaar voor waarheid moeten aannemen. Zijn er dan echt geen alternatieven denkbaar? In Welvaart zonder Groei ontplooit Tim Jackson een alternatief economisch model dat toont dat het wel degelijk anders kan. Maar laat ons eerst de dominante boodschappen kritisch doorlichten.

zondag 09 oktober 2011 12:10

Inleveren maakt gelukkig?

door Johan Malcorps

In haar proefschrift “Living with Less. Prospects for Sustainability” (2010) maakt Jeanine Schreurs op basis van praktijkonderzoek duidelijk dat rond komen met minder geld kan leiden tot meer persoonlijk geluk en alleszins een meer duurzame levenswijze. Maar dat mag natuurlijk niet gebruikt worden om sociale inleveringen en koopkrachtverlies goed te praten.

Er was de laatste maanden veel te doen rond de veldproef met genetisch gemanipuleerde aardappelen te Wetteren. Onderzoekers, politici, jan en alleman nam standpunt in voor of tegen genetisch gemodificeerde organismen (GGO's.

Maar is genetische manipulatie nog wel top of the bill? Zijn GGO's niet achterhaald en is het niet hoog tijd om de keuze te makjen voor nieuwe en meer duurzame biotechnologieën?

 

<< Start < Vorige 1 2 3 4 5 6 7 Volgende > Einde >>
Pagina 1 van 7

Geschenktip

Op zoek naar een origineel geschenk?
Geef dan een Oikos-abonnement cadeau!

Nieuwsbrief

Ontvang HTML?

Doneer

Wil je Oikos steunen als onafhankelijk platform? Dan kan door een bijdrage –groot of klein- te storten op 523-0801757-30 van Oikos

Over Oikos

Oikos wil een toonaangevend forum zijn voor de sociaal-ecologische tegenstroom. Oikos vertrekt vanuit de analyse dat het gangbare economische model ecologisch niet duurzaam is, en dat de emancipatie van velen in onze samenleving en de wereld nog lang niet voltooid is. Oikos behandelt alle dimensies van dit streven naar verandering: de onderliggende ethiek, de analyse van de bestaande toestand, de ontwikkeling van alternatieven en de politieke strategie.

Gratis proefnummer

Wil je graag een gratis proefnummer ontvangen van Oikos? Dat kan! Vul op deze pagina je gegevens in en wij sturen een gratis proefnummer.