logo

Jan Mertens

Jan Mertens

Jan Mertens is beleidsmedewerker. Hij studeerde Germaanse Filologie en woont in Leuven.

zondag, 30 oktober 2016 07:51

De subcultuur van de analoge kussers

Op een transitieconferentie. Een erg dynamische werkgroep, met burgercommissies die nadenken over de circulaire stad Reburg, in 2036. Boeiende discussies. De zaal is als een teletijdmachine, we zijn samen in 2036.

2036. Het lijkt misschien wel de ideale circulaire stad. Niets gaat verloren. Materialen worden opnieuw gebruikt. Gebouwen zijn modulair. Bedrijven in verticale industriegebouwen gebruiken elkaars reststoffen om nieuwe dingen mee te doen. Het hele plaatje. De focus is wel erg technologisch. Alleszins in het beeld dat je als buitenstaander krijgt.

De digitale ontwikkelingen hebben de wereld erg grondig veranderd. Heel veel dingen gebeuren nu virtueel. Mensen zitten soms met van die (ook in 2036 nog steeds onnozele) brillen op of krijgen allerlei dingen rechtstreeks in hun ogen of waar dan ook geprojecteerd. Virtuele gesprekken, virtuele ontmoetingen, virtuele aanrakingen, virtuele seks, alles is mogelijk. Virtueel is voor velen ‘normaal’ geworden.

Op de foto ziet Reburg er erg mooi en clean en afgelikt uit. Dat beeld wil Reburg eigenlijk ook graag van zichzelf geven. Sommige mensen die de voorbije jaren erg wegliepen met het verhaal van de ‘smart cities’ hielden stiekem eigenlijk wel van het idee van controle van alles wat er in die stad gebeurt. Ze namen hun dromen voor werkelijkheid.

Een stad kan alleen maar een stad zijn als er ook dwarsigheid is, als er dissidentie is, als er rafelige plekken zijn, als er lagen zijn in het weefsel van de stad, als er onvoorspelbaarheid is, als er lege plekken zijn  waar je kunt dromen, als waarheden tegen elkaar aanschuren, als er nog een leeg plein is in het hart van de stad waar de ideeën kunnen botsen en waar de politici erop gewezen worden dat in een democratie de stoel van de macht altijd leeg is.

En wie niet goed kijkt, en enkel Reburg ziet zoals het er op de foto uitziet, ziet niet waar de stad schuurt, waar ze niet clean is, waar de scheuren zijn die ook plekken van verzet zijn. Wie wel een beetje moeite doet, komt die andere plekken al snel op het spoor. Want ook in Reburg geldt: als je wilt vinden, zoek dan niet. Het hoort bij de essentie van wat een stad is, dwalen en verdwalen. Jezelf loslaten (een beetje toch) en vinden wat je niet zocht, omdat je niet zocht.

En in die kieren van het stedelijk ecosysteem kun je onder meer de subcultuur van de analoge kussers ontdekken. Het is een groeiende groep van mensen, van alle leeftijden. Ze bewegen voorlopig nog een beetje in de schaduw. Het dwingend geloof in een techno-optimisme dat ondertussen alle domeinen van het leven heeft ingenomen weegt soms te zwaar. De analoge kussers zijn helemaal niet tegen technologie. Ze willen alleen hun autonomie behouden, ze willen een vrijplaats in een soms te overweldigend virtuele wereld. En misschien willen ze dat wel letterlijk.

Ze ontmoeten elkaar op overschotplekken. In andere tijden waren dat nog dingen als ‘de bosjes’, waar je je kon verstoppen en klungelig kon doen met wezens van het andere geslacht. Of hopen zand, waar je met je fietsje op en af kon rijden of waar je naar beneden kon rollen. Of verlaten gebouwen, waar je op ontdekkingstocht kon gaan. In Reburg zijn er nog enkele overschotplekken. Ze zijn trouwens ook wifi- en nog van alles anders vrij gemaakt. Wie daar komt zal geen enkele vorm van data van zichzelf verspreiden. Intelligente telefoons en andere slimme elektronische communicatiemiddelen werken er niet. Je kunt er geen berichtjes krijgen.

De analoge kussers zoeken elkaar daar op. Niemand van hen heeft ook maar enige vorm van zin om een selfie te maken. Niemand wil boodschappen verspreiden die lijken te suggereren dat men geweldig druk of belangrijk bezig is (terwijl de eenzaamheid lonkt). Ze zijn subversief. Ze kiezen voor het analoge lichaam, analoge handen, die geheel analoog een ander aanraken. En ze komen elkaar daar dus kussen. In het echt. Wie er voor het eerst komt, moet soms nog wennen aan die nabijheid. Mensen zijn verlegen daar, en dat is goed. Wie daar is, doet niet aan storytelling, maar vertelt gewoon een verhaal. Of niet. Alles is goed.

De analoge kussers leren elkaar geheime en obscure praktijken, zoals het schrijven brieven. Met een vulpen. Dat is trouwens de enige manier om uitgenodigd te kunnen worden voor een samenkomst van de analoge kussers. Iemand die je een briefje in je hand duwt, dat is wat zij een sociaal medium noemen.

Er gaan verhalen in het rond, via allerlei virtuele platforms, over de analoge kussers. Sommige mensen zijn bang, vrezen ongehoorzaamheid, verstoring van de orde, een vermindering van de waarde van hun huis of een verspreiding van vreselijke ziektes. (De mensen die aan virtuele liefde doen, douchen ondertussen trouwens ook met virtuele Dettol, in een handige spuitbus die je niet moet aanraken maar die geactiveerd wordt via een sensor.) Op straat wordt er soms gefluisterd dat iemand iemand kent die iemand heeft ontmoet die iemand kent die bij de analoge kussers is. Gefluisterd, zodat de data van dat gesprek niet zomaar kunnen worden opgepikt.

De analoge kussers laten het niet aan hun hart komen. In al hun dwarsigheid houden zij van de stad. Ze zoeken de rimpels op, om te voelen dat de stad leeft en trilt. En vooral zoeken ze elkaar op, omdat ze niet willen verleren wat het betekent om mens te zijn, en als mens te bewegen in de zwaartekracht. Ze kijken naar elkaar, raken elkaar voorzichtig aan. Ze kiezen er bewust voor om in de tijd te blijven. Ze laten hun lichaam niet esthetisch upcyclen. Ze laten geen nano-apparaten in hun hersenen plaatsen die ervoor zouden zorgen dat ze superoud worden. Ze zijn alleen zichzelf, gewoon, en dat is hun vorm van verzet.

Sommigen in de stad vinden dat de analoge kussers moeten opgespoord worden om vervolgens verwijderd te worden, omdat ze imagoverlagend zouden zijn. Anderen weten beter, en beseffen dat ze hen net heel erg nodig hebben om samen verdere stappen vooruit te zetten.

Het komt nog wel goed met Reburg, denk ik.

vrijdag, 02 september 2016 19:40

Iets over politiek en fictie

Het was een stelling die ik tijdens een boekenprogramma dat ik mocht presenteren even in de groep wierp. Ik voel een zekere mate van wantrouwen tegenover politici die zeggen dat ze alleen maar non-fictie lezen. Is natuurlijk een provocerende stelling, enkel bedoeld om het denken wat op gang te brengen. 


En om maar meteen allerlei tegenwerpingen te pareren, enkele dingen. Er is helemaal niets mis met non-fictie, integendeel. (Ik verwacht van goede politici ook dat ze regelmatig uitdagende en goede non-fictie lezen.) Helemaal niet lezen is natuurlijk nog erger, denk ik. Je hebt ook heel veel heel erg goede en kwaliteitsvol geschreven non-fictie. Er is ook veel goede journalistiek. Het feit dat een politicus leest, zorgt er op zich helemaal niet voor dat hij of zij geen populist of narcist kan zijn. Omgekeerd kun je ook vragen stellen bij auteurs die bij wijze van spreken alleen maar neer zouden kijken op de politiek en niet verder komen dan enkele clichés over het maatschappelijk gebeuren. En zo zijn er nog eindeloos veel dingen, tegenvoorbeelden en uitzonderingen op de regel in te brengen. De stelling heeft enkel als doel het hoofd wat te prikkelen om zo te komen tot een voorzichtig zoeken naar enkele redenen waarom het goed kan zijn dat politici ook echt tijd maken om fictie te lezen.

Argumenten die wel eens worden aangehaald door mensen die zeggen alleen non-fictie te lezen zijn dat ze iets willen lezen dat ‘echt’ is of ‘echt gebeurd’, en dat het lezen ‘nuttig’ moet zijn. Alsof het lezen van iets dat dan zogenaamd ‘verzonnen’ is tijdverlies zou zijn. Een boek met goede non-fictie is geen telefoonboek met een opsomming van feiten. Feiten worden beschreven, geïnterpreteerd en geduid,  in een volgorde gezet, in een logisch verband gebracht en in een talige vorm geschikt. Er wordt als het ware een verhaal van gemaakt. Non-fictie is in een aantal opzichten dus ook fictie. Onvermijdelijk. En om op dat nuttig door te gaan, een goede roman is waarachtig, klopt met zichzelf, en kan inzichten geven in het echte leven, of in mogelijkheden van leven. Dat zou dus heel nuttig kunnen zijn, als je gehecht bent aan dat criterium. Je doet het taalkunstwerk dat een goed boek is wel geen eer door het te herleiden tot zijn nuttigheid. Het is net heel goed om de ervaring te mogen hebben van de schoonheid en de soevereiniteit van een kunstwerk, een ervaring die in alle opzichten ontsnapt aan een instrumenteel of nuttigheidsdenken, vind ik toch.

Het is dus beter – en misschien wel ‘nuttiger’ in de context van dit stukje – om het positiever te formuleren. De argumenten voor die benadering zijn overigens veel meer zoekend dat stellig, meer twijfelend dan wetend. Niet meer dan aanzetten, in grijstinten.

Het mooie van fictie, van een goed boek, is dat je je voor een stuk uit handen moet geven. Aan het ritme van een boek, aan de tijd die nodig is om het te lezen, aan de aandacht die je moet toelaten om in het boek te komen, aan de personages in een boek, aan de wereld waarin die personages bewegen en evolueren, aan werkelijkheden die je nog niet kende, aan manieren van kijken die je nog niet kende, aan vormen van taal die je kunnen verwarren of ontroeren, aan soms hevige emoties, … Politiek zit vaak in een ander ritme. Politiek heeft vaak te maken met stelligheid. Met het creëren van zwart en wit in een redenering. Met conflict, met het botsen van overtuigingen. Met het ‘gebruiken’ van taal om een doel te bereiken, met een instrumentele rationaliteit dus. Met het terugbrengen van complexiteit tot herkenbare gehelen. Die dingen zijn niet fout. Politiek is een belangrijke, noodzakelijke en nobele bezigheid. Te veel politiek kan je echter ook opzuigen in zijn eigen logica, waardoor je niet meer aan politiek doet, maar politiek ‘wordt’. Het is dan ook goed om te kunnen vertoeven in een andere logica. Tijd is een essentieel element van wat een roman is. De roman is een weergave van tijd, en ontstaat als het ware pas in de tijd die nodig is om hem te lezen. De concentratie die je nodig hebt, de empathie met personages en werkelijkheden die ontstaat (of kan ontstaan), de meerlagigheid die zo eigen is aan goede literatuur, de open eindes, de dingen die niet gezegd of benoemd worden, het kunnen zien van de grijze zones van de menselijke geest in een personage, …. al die dingen zorgen ervoor, of kunnen ervoor zorgen, dat je zelf op een andere plek komt dan waar je bent als je alleen maar aan politiek zou doen. Te veel politiek kan ertoe leiden dat je alleen nog maar instrumenteel met mensen omgaat, dat je hen gaat ‘gebruiken’, voor je ego, of voor de zaak die je drijft. Literatuur kan je in je hoofd op een andere manier naar jezelf laten kijken. Een personage kan je met jezelf confronteren. Een personage dat niet ‘af’ is, dat onvoorspelbaar is, dat een rafelende identiteit heeft, kan je een spiegel voorhouden. Die ervaring kan je ervoor behoeden om alleen nog maar politiek te worden, kan je helpen om bewuster – wanneer dat aan de orde is – in je rol van politicus te stappen, en er daarna ook weer uit te stappen wanneer het tijd is. Literatuur kan je dus als het ware gezond houden.

Het mooie van romans (en op een andere manier ook van gedichten) is dat ze je doen dromen. Het blijft een overweldigend fascinerende ervaring, telkens opnieuw, dat je in een boek begint en dat je al na enkele bladzijden in een andere wereld bent. Ineens is die wereld er, kun je er in zekere zin in rondlopen, kun je de dingen in die wereld zien en ruiken. Een gedicht kan je een verhevigde werkelijkheid laten ervaren, kan je het gevoel geven dat je in de dingen een soort aura van poëzie kunt ervaren, naast de pure ervaring van de schoonheid van de woorden. Een roman kan je het gevoel geven dat je op die andere plek bent, dat je die plek kunt ademen. Literatuur kan hevige lichamelijke reacties teweegbrengen, die dus heel ‘echt’ zijn, en dat enkel door woorden op een rij. Terugkeren uit de geheel eigen werkelijkheid die een boek is naar de soms saaie en banale werkelijkheid die de jouwe kan zijn, het kan je droevig maken. Kunnen bewegen tussen verschillende mogelijke werelden, dat is eigenlijk heel belangrijk voor een goede politicus. Instrumenteel gezegd zou je kunnen stellen dat elke bewust nagestreefde maatschappelijke verandering eerst moet kunnen gedacht, gedroomd worden. Misschien zijn er sommige cynische politici die vertrekken vanuit een negatief mensbeeld, en alleen een verbeelding hebben die ingegeven is door hun machtsfantasieën. Maar hopelijk zijn er ook veel politici die – net door hun ervaring van literatuur – in staat zijn betere werelden te dromen en de capaciteit tot dromen kunnen opwekken bij anderen.

Er is nog een dimensie aan deze discussie die moeilijker uit te leggen is. Ze is in zekere zin meer lichamelijk. En heeft met de taal zelf te maken, met de registers van de taal. De politieke taal is in veel opzichten anders dan de literaire. Niet in alle natuurlijk. In politiek worden veel retorische technieken gebruikt die je ook in literatuur kunt herkennen. Eerst en vooral zijn er in het politieke bedrijf veel lelijke woorden. Ze zijn functioneel, niet bedoeld om een poëtische aura op te wekken. Het zijn vaak woorden die met een controle van de werkelijkheid te maken hebben. Categorieën, concepten, jargon, clichés, … Ze verengen dimensies. Verder is er in de politiek vaak nood aan grote stelligheid, eigen aan overtuigingen, en de wil anderen te overtuigen, of de eigen positie in een conflict helder te stellen. Veel politici hebben blijkbaar ook nood aan oorlogstaal en raken pas echt opgewonden als ze van zichzelf vinden dat ze geweldig strategisch bezig zijn. Strategisch handelen is vaak onvermijdelijk, hoewel het heel vaak ook niet hoeft. Heel vaak zou men in de politiek ook gewoon naar elkaar moeten luisteren, kwetsbaar, met een open geest. Die politieke taal, bewegend tussen saaie beleidsnota’s, persberichten en opjuttende speeches, is een taal die je lichaam over kan nemen. Het is een taal die je lichaam hard kan maken, bijna eendimensionaal. Het is een taal die de zuurstof uit je longen kan zuigen en ervoor kan zorgen dat je huid pijn gaat doen. Het is volgens mij ongelooflijk belangrijk dat je als politicus regelmatig naar een andere kamer van de taal kunt gaan. Daar waar de taal zoekt, twijfelt, rond de dingen cirkelt, zichzelf verliest soms, sputtert en rafelt, sensueel en opwindend wordt, dicht bij de randen van de stilte komt, als in een soort prisma  honderd kleuren doet oplichten in een mooi woord. Daar waar je de woorden kunt aanraken, waar je de woorden tussen je vingers kunt laten bewegen. Daar waar je voelt dat die woorden jou aanraken, en je huid weer zacht maken.

Ik denk dat het lezen van goede literatuur een politicus kan helpen om te twijfelen. Productieve gezonde twijfel is een erg belangrijke kwaliteit van een goed politicus. Jezelf als politicus elke dag afvragen: die dingen die ik beweer en geloof, kloppen die eigenlijk wel? Jezelf in de spiegel kijken en proberen te onderzoeken wat je motieven zijn bij de dingen die je doet. Je afvragen of je met je droom van een betere wereld bezig bent of met je kwetsbare ego dat hunkert naar aandacht. Proberen te ervaren of de dingen je nog wel raken, of dat je een soort machine geworden bent. Trachten te weten te komen of je echt luistert naar een ander of alleen maar bezig bent met te zeggen wat jij wilde zeggen, ongeacht wat de ander zegt. Je afvragen of je anderen gebruikt voor je eigen ego. Die twijfel lijkt me bijzonder nuttig, om dat woord nog eens te gebruiken. Het lezen van literatuur kan een politicus helpen om nederig te zijn, of te worden.

Net door je een beetje te verliezen in literatuur kun je dichter bij jezelf blijven, dichter bij die plek waar je thuis kunt zijn bij jezelf, hoe vaag en verwarrend en gedeukt die plek ook is. Het is een plek waar je de rimpels en de littekens van jezelf kunt zien. Alleen maar zijn op de plek waar je enkel een politicus mag zijn kan ertoe leiden dat je jezelf op een minder goede manier verliest. Het kan zijn dat je te zeer gaat samenvallen met je rol. Het kan zijn dat je daar alleen maar iemand zonder rimpels mag zijn. Het kan zijn dat je daar jezelf duwt in een persona die uiteindelijk wegdrijft van wie je was daarvoor.

(Al bij al zijn al deze woorden nog veel te stellig. Maar misschien raken ze een klein beetje aan wat ik probeerde te zeggen. En dat ligt meer in het onzegbare. De ruimte tussen de woorden, daar zindert en sputtert het leven. Daar kun je komen in literatuur, denk ik toch. Het is een totaal ander soort geluk en vervulling en vrede dan wat ik in de politiek heb gevonden. Het is goed om in beide talen te zijn. Ze vertellen allebei hun verhalen.)

zondag, 17 april 2016 18:49

Wat niet gezegd kan worden

Ingewikkeld… Schroom…

Tijdens het panelgesprek stel je een vraag aan je gasten. Terwijl vraag je je af wat je zelf zou antwoorden, en of je zou durven zeggen wat je werkelijk denkt of voelt.

‘Hoe overleef je zelf mentaal de ecologische crisis?’ Iets in die aard. Eerder in het gesprek ging het over ‘veerkracht’. De nood aan maatschappelijke veerkracht (dus niet individualiseren en niet het mechanische beeld van een metalen veer die netjes terug in de oorspronkelijke stand komt). De wereld is erg complex. En de wereld waarin de klimaatverandering begint te versnellen en mogelijk tot een klimaatchaos zal evolueren als we er niets aan doen. Een wereld waarin, mee daardoor, de ongelijkheid nog wel eens geweldig zou kunnen toenemen. Een ecologische crisis die wel eens ‘out of control’ zou kunnen geraken.

In je vraag verwijs je naar de rol van waarden of spiritualiteit of religie in de persoonlijke houding, het persoonlijk bewaren van een evenwicht, het persoonlijk zoeken naar veerkracht tegenover een wereld die misschien wel op onbekend terrein zal komen.

Eigenlijk zou je graag met je gasten alleen al over die vraag een uur willen spreken. Hoe is het voor hen? Tot waar kun je je wapenen met het denken? Vanaf waar kun je een vorm van veiligheid of energie of weerbaarheid of hoop vinden in iets wat in zekere zin verder gaat dan enkel het denken?

(Het is zo moeilijk, omdat je snel bij ‘grote’ woorden komt. Met het ouder worden wringen ze steeds meer, die grote woorden, schuren ze tegen je huid, terwijl je huid verlangt naar zachtheid. Maar ook zonder grote woorden, het blijven nog wel grote vragen, denk je. En het is goed bij grote vragen stil te staan. Ook al zijn de antwoorden dan klein en heel aarzelend. Dus dan maar met schroom, en een soort preventieve verontschuldiging, voor de woorden die je niet kunt vinden, om te spreken over dingen die moeilijk of niet gezegd kunnen worden, of zoiets.)

Waarom ben je dit eigenlijk gaan doen? Waarom zet je je in (voor iets als een ‘andere’ wereld)? Waar vind je de rust en de energie om het vol te houden en niet cynisch te worden?

(Dat zijn de vragen, denk je. Op een of andere manier denk je dat als we allemaal iets zouden doen met die, of gelijkaardige, vragen, het misschien wel een beetje beter zou gaan met de aarde.)

(Je draait rond de pot, denk je. Je schuift je antwoorden voor je uit, denk je. Zeg het nu maar. Probeer het nu maar, anders mag je het niet aan anderen vragen, of zoiets? Probeer even je schroom van je weg te duwen, voor zo lang het duurt.)

Wat zouden de antwoorden zijn?

Waarom doe je het? Waarschijnlijk zou het antwoord zijn: voor de kinderen. In jouw geval dan de kinderen die je zelf jammer genoeg niet hebt, en vooral ook de kinderen van al wie je lief is, en alle andere kinderen natuurlijk ook. (Ben je nu niemand vergeten?) Het lijkt zo’n cliché, maar als je diep in jezelf kijkt, zie je de kinderen daar. Dat ze je zouden vragen wat jij hebt gedaan. En dat je met gebogen hoofd toch zou kunnen zeggen: ik heb mijn best gedaan, ook al was het niet genoeg waarschijnlijk. (Het is te moeilijk, denk je, om dit antwoord uit te drukken zoals het echt in jou beweegt. Je woorden zijn niet meer dan veilig gestotter.)

Hoe kun je het volhouden? Dan zou je iets uit moeten leggen over je spiritualiteit, denk je, en dat zou ook heel moeilijk zijn. Soms denk je dat het fijn zou kunnen zijn, als je zou kunnen geloven in een of andere god. Stel je voor, dat je het echt zo kunt voelen, in alle rust, dat je op een of andere manier geborgen kunt zijn in de palm of warmte van een instantie die groter is, van een andere orde. Een god die je zou kunnen dragen in dit leven en daarna ontvangen in een volgend leven. Je gunt dat gevoel van harte aan mensen die het wel kunnen geloven, maar het is jou niet gegund.

Je zou iets moeten kunnen uitleggen, andermaal met veel schroom, over hoe het voor jou is. Dat je je een deel voelt van het grote ecosysteem. Dat je je verbonden voelt met de andere wezens en onderdelen van die aarde waar jij ook een deel van bent. Dat het een troostende gedachte is dat je na je dood in wezen weer uit elkaar zult vallen in bestanddelen die nadien weer bouwstenen kunnen worden van ander leven. Misschien ben je zelf iets als een golf op het wateroppervlak, niet meer, niet minder. Het is alsof je iets ziet dat een individu is, de golf is er. Maar de golf is eigenlijk vooral water. En het water blijft. Je zegt altijd, en zo voelt het ook: als ik sterf, verdwijn ik in mijn geliefden. En daar, in hen, zul je misschien ook een soort golf in hun water zijn. Je gaat op een bepaalde manier dus nooit echt verloren. De beweging gaat door, het leven gaat door. Jij was even de vorm waarin dat leven zichtbaar werd, als een golf, tot die weer ging liggen in het water.

Het zijn allemaal vage woorden, je weet het. En je wilt niet dat ze ‘groter’ worden dan dat. Je wilt niet dat ze minder beeld, minder poëzie worden dan dat. Je wilt niet dat er een of andere waarheid aan zou gaan kleven. De woorden zijn enkel een voorzichtig aanraken van wat je diep in je voelt. Ze zeggen niets over wat een ander zou moeten of kunnen voelen, en nog minder zijn ze op welke manier dan ook beter of echter of wat dan ook dan wat eender welke andere mens voelt. Het is alsof je in jezelf iets kunt aanraken dat groter is dan jezelf, maar dat grotere is tegelijk vooral een deelzijn van, misschien van de stroom van het leven.

En hoe dat dan speelt? Het is echt zo, voor jou, denk je, dat je pijn kunt voelen, als je aan de rand van de zee staat. Het is alsof je het verdriet van de zee kunt voelen. Het is alsof de vervuiling, de uitputting, de verstoring, het leegroven, al die dingen, alsof al die dingen aanvoelen als een verdriet, een verdriet dat ook het jouwe is. Verdriet omdat iets dat zo mooi, zo indrukwekkend, zo rijk is, wordt gekwetst. Voor zichzelf dus. Verdriet ook omdat daardoor die kwetsuren ertoe leiden dat zoveel anderen, zoveel anderen die nog zouden moeten geboren worden, of al op deze aarde zijn, niet meer dezelfde kansen zullen krijgen, niet meer zullen kunnen vertrouwen op zuivere lucht. Waar verdriet verontwaardiging raakt. Verdriet om verlies dus, een heel menselijk gevoel.

Dingen doen is een antwoord op die ervaring. Ooit kwam die zin er ineens, in een gedicht dat je schreef. ‘De aarde voelt je verzet wel.’ Die ene zin die je naar meer dan 25 jaar ondertussen nog steeds niet kunt uitspreken zonder een traan te voelen. Die ene zin was de sleutel. Ook al duurde het vele jaren eer je die zin begreep. Ook al was er misschien wel de ervaring van die kloteziekte voor nodig om er nog een extra dimensie aan te geven. Dat je ervoor kiest om in verzet te gaan, je niet neer te leggen. Maar dat het feit dat je het doet, dat je doet wat je kunt, met je te korte armen, je te beperkte vermogens, al je falen, al je tekorten, al je littekens, dat dat feit genoeg is. Dat je probeert in waarheid te leven. Dat dat alles genoeg is. Genoeg om je bij het einde van je leven rustig neer te leggen in het gras, of zoiets. (Dat je dat gevoel probeert te bereiken, dus.)

Die diepe verbondenheid die je voelt, ze heeft je een vorm van vrede gegeven, een vorm van innerlijke rust. (Soms toch.) Of je nu nog tien jaar zult leven, of twee maanden, of drie dagen, of veertig jaar, het is goed. Niet zozeer wat je doet, maar dat je het doet. Het mooie van dat deelzijn is dat het je helpt in bescheidenheid, in nederigheid (wat iets heel anders is dan dingen als onderdanigheid of gelatenheid). Is nederigheid een waarde, of is het al spiritualiteit? Het maakt eigenlijk niet uit. Je zou die vragen niet goed kunnen beantwoorden. Heb je het al bereikt? Nee, helemaal niet. Al is het ook een fijn gevoel dat je het nooit zult kunnen bereiken, dat het proberen goed genoeg is. Dat je op een bepaalde manier die nederigheid kunt ‘zien’, als een uitnodiging, het is misschien al een wapen tegen elke vorm van cynisme.

Sommige woorden zijn helemaal te ingewikkeld, ze raken je te diep, om allerlei redenen, die waarschijnlijk ook met de aarde niet zoveel te maken hebben. Het woord ‘helen’ is er zo een. Proberen te helen, of hopen dat je iets zou kunnen doen dat zou kunnen bijdragen tot helen, het zou een antwoord kunnen zijn op het ervaren van het verdriet omwille van een kwetsuur bij anderen, bij het geheel waar jij een deel van bent. Als je het geheel heelt, heel je dus in zekere zin ook een heel klein stukje van jezelf.

(Het is tijd om ermee te stoppen, denk je. Het wordt te moeilijk.)

Als je eerlijk zou zijn, als je het zou durven, dan zouden dat misschien wel je antwoorden zijn. Omtrekkende bewegingen bij dingen die niet gezegd kunnen worden. Dingen die misschien alleen via grote omwegen kunnen zijn, niet benoemd moeten worden, mogen worden. Iets in die aard dus.

Een andermaal falende poging, denk je.

(Over die vragen zouden we het moeten kunnen hebben, soms, denk je, of zoiets…)

donderdag, 04 juni 2015 18:57

Is dit een grap, of om te huilen?

Vanmorgen overkwam het me nog eens. Normaal zit ik rustig tijdens het ontbijt mijn krant te lezen, en pik ik tegelijk de dingen op die op de radio gezegd worden. Terwijl ik me stond te scheren had ik al de aankondiging gehoord dat de Vlaamse milieuminister zou reageren op een groen parlementslid. Het zou gaan over de slechte beurt die ons land andermaal maakt in de internationale klimaatonderhandelingen. Al zes jaar raken federale en gewestelijke ministers het niet eens over een verdeling van lasten voor de klimaatinspanning die aan ons land is opgelegd. In de aanloop van de grote klimaatconferentie in Parijs, eind van dit jaar, moeten de landen nu op tafel leggen wat ze gaan doen. De (overigens voortreffelijke) Belgische klimaatambtenaren zullen moeten uitleggen dat we op een aantal vragen gewoon niet kunnen antwoorden, omdat er geen akkoord is in de nationale klimaatcommissie. Dat dat in grote mate te wijten is aan de onwil van Vlaanderen is een vriendelijke manier van voorstellen.

Ik stond me dus te scheren, en dacht: ik heb geen zin in de Vlaamse milieuminister tijdens mijn ontbijt. Maar goed, ik kon niet meer bellen naar de VRT met de vraag om rekening te houden met mijn levenskwaliteit tijdens het ontbijt. En het overkwam me dus nog eens. Nadat het groene parlementslid op rustige en heldere wijze had uitgelegd dat we met het voorziene Vlaamse beleid de opgelegde doelstellingen niet zullen halen, dat er na 2020 met dit beleid geen uitzicht is op een daling van de emissies en dat het een schande is dat er nog steeds geen akkoord is op Belgisch niveau, kwam de minister aan het woord. Wat overkwam me? Ik begon te roepen tegen de radio. Ik weet het, het is niet eerlijk, die radio kan daar ook niets aan doen. De muren van mijn appartement ook niet. Furieus was ik, om mijn houding op een vriendelijke manier voor te stellen.

Basically kwam de verdediging van de minister neer op een stelling die ze tijdens die enkele minuten wel zo’n vierhonderd keer heeft herhaald: het is niet omdat er nog geen akkoord is dat we geen beleid voeren, we doen al heel veel. Om het heel vriendelijk te stellen: dat zou er nog aan mankeren! Natuurlijk zal er wel een Vlaams beleid zijn, maar dat wil nog niet zeggen dat dat het goede beleid is. Als je jezelf bij wijze van spreken oplegt om je emissies met 7% te doen dalen, en je ontwerpt je maatregelen in functie daarvan, dan voer je een beleid, en zul je misschien ook wel ‘veel’ doen. Er is dus een beleid, alleen is het volstrekt onvoldoende om ook maar enig reëel effect te hebben op de klimaatverandering. Het is onvoldoende en het is niet rechtvaardig tegenover anderen.

De journalist probeerde vragen te stellen over dat intern Belgisch probleem. Maar het antwoord was andermaal redelijk stuitend. België moet gezamenlijk 15% verminderen tegen 2020. Vlaanderen blokkeert een akkoord op Belgisch niveau, maar zegt wel zelf 15% te willen doen. Klinkt goed misschien, maar is toch wel erg merkwaardig en doorzichtig. Als je op wereldvlak reductiedoelen oplegt, dan is het normaal dat je die inspanningen rechtvaardig probeert te verdelen. Uitgangspunt zou moeten zijn dat wie het meest verantwoordelijk is voor het probleem ook het meest verantwoordelijkheid zou moeten dragen voor de oplossing. Het is niet meer dan logisch dat je van de rijkste landen een zwaardere inspanning vraagt. Als je aan de EU bij wijze van spreken een inspanning van 20% oplegt, dan is het logisch dat je van Duitsland en van Griekenland niet hetzelfde verwacht. Je zou dan mogen verwachten dat Vlaanderen in de Belgische context ook iets gelijkaardigs zou doen. De hele tijd rondtoeteren dat je toch zo graag als ‘autonoom’ beschouwd zou willen worden, pochen dat je zowat de rijkste regio van de wereld bent, en al dat soort onzin, maar als het over het klimaat gaat, dan geldt het ineens niet meer. Dan gaan we vooral niet iets extra’s doen (wat de enige logische houding zou zijn), nee integendeel.

Het akkoord op Belgisch niveau tegenhouden omdat je een  groot stuk wilt van de opbrengst van veiling van emissierechten, het is van een beschamend laag niveau. Vlaanderen wil niet dat er van dat geld iets naar het federale niveau gaat. Dat het federale niveau dat geld mee wilde gebruiken om de internationale klimaatfinanciering te betalen, dat is blijkbaar geen argument. Je zou dan nog denken dat Vlaanderen met dat geld zelf actief aan klimaatfinanciering zou willen doen. Nee hoor, helemaal niet. Het moet volledig naar de ‘bescherming’ van de eigen bedrijven gaan. Het kwam ondertussen al volop in het nieuws. Vlaanderen gaf subsidies aan grootvervuilers als ExxonMobil. Je zou verder verwachten dat Vlaanderen, als het dan toch zo innovatief is, zelf en op het eigen grondgebied de emissies zou terugbrengen. Nee hoor, we proberen nog altijd een deel elders te realiseren.

Een van de knelpunten is de uitstoot die het verkeer veroorzaakt. De journalist herhaalde wat het parlementslid daarover had gezegd. En de minister herhaalde voor de zoveelste keer dat ze dus wel een beleid voert, en dat er dus al ‘veel’ gebeurt. Daarbij ging het dan om het systeem van rekeningrijden voor vrachtwagens dat zal worden ingevoerd. Dat zou er dan op gericht zijn om ‘vrachtwagens die hier niet moeten zijn’ van de weg te krijgen, of zoiets. Ik begon nog harder te roepen tegen de radio. Aan de ene kant zeggen dat je vrachtwagens wilt ontmoedigen, en aan de andere kant de Vlaamsche regio willen promoten als logistieke draaischijf van Europa, en daartoe massaal veel geld willen pompen in nieuwe snelwegen, dat is niet helemaal coherent. (Een iets minder vriendelijke formulering zou hier het woord ‘hypocriet’ gebruiken.) Blijkbaar is die kilometerheffing er niet op gericht in totaal minder vrachtwagens op de weg te krijgen, maar enkel sommige eraf te halen, zodat er meer andere (de ‘goede’, die hier dus wel moeten zijn) kunnen rijden.

Het enige coherente en rechtvaardige dat Vlaanderen zou kunnen doen, is zich ertoe verbinden om meer te doen, niet minder. Meer doen, en wel op het eigen grondgebied. Zelf verantwoordelijkheid nemen, en die niet verplaatsen naar andere stukken van de wereld. De klimaatfinanciering netjes betalen zoals voorzien, namelijk als “new and additional”. Op een correcte en constructieve manier omgaan met de andere beleidsniveaus in dit land, en dus een rechtvaardig akkoord sluiten dat de ander ook iets gunt.

De Vlaamse agenda lijkt er echter meer een van een nationaal egoïsme. Het is een merkwaardige redenering die impliciet een rol speelt in deze discussies. Wie rijk is, kan blijkbaar moeilijker besparen dan wie armer is. Wie ecologisch gulzig is, kan zogenaamd die verworven levensstandaard niet in vraag stellen. Pech voor anderen. Pech voor de andere kant van de planeet, waar de gevolgen van de klimaatverandering nu al keihard toeslaan. Pech voor wie na ons komt.

Het is natuurlijk zo dat de gemakkelijke stukken van de weg hier al zijn afgelegd. Het laaghangend fruit is al voor een deel geplukt. Vooruitgang maken zal nu meer structurele ingrepen vragen. En dat weten we allemaal in wezen goed genoeg. (En onze minister van milieu weet het zeker ook, hoop ik toch.) Gewoon doen wat je zou moeten doen, omdat het zo is afgesproken, zelfs dat is blijkbaar niet ‘haalbaar’. Maar de cruciale vraag is wat er ‘nodig’ is. En dan moet je dus voorbij 2020 kijken. Als je de trends qua uitstoot bekijkt, en het op dit moment aanwezige beleidskader, dan stevenen we keihard op een klimaatchaos af.

In mondiaal perspectief is het misschien gemakkelijker om een deel van de eigen verantwoordelijkheid elders te realiseren, daar waar er nog meer laaghangend fruit is. Dat lijkt een ‘technische’ oplossing, maar neutraal is die allesbehalve. Je ontneemt daardoor ook nog eens de kans aan een ander land, dat in veel gevallen veel minder rijk is, om zelf dat fruit te plukken. Rechtvaardig is anders, om het nog een laatste keer vriendelijk te zeggen.

Laten we even, om haar te plezieren, samen aanvaarden dat de minister ‘een’ beleid voert, en dat ze ook ‘veel’ doet. Daarover is dan officieel geen discussie meer. De vraag waarover het gaat, en het al de hele tijd ging, is of het juiste beleid gevoerd wordt dat ervoor zorgt dat we doen wat nodig is om de klimaatchaos tegen te houden en dat ook nog eens op een rechtvaardige manier.

Een half uur na het interview met de minister, op weg naar het station, was ik nog steeds ziedend. Onderweg kwam ik gelukkig het groene parlementslid tegen dat het had aangedurfd om zomaar dingen te beweren die de minister toch wel een beetje gekrenkt hadden, en dat zo vroeg in de ochtend. Ik feliciteerde hem, en ging verder. Hopend dat er nog ergens anders iemand tijdens het ontbijt tegen de radio had staan roepen.

maandag, 08 december 2014 09:07

Kinderen zijn meer dan retoriek

In zijn essay in de Zeno van 6 december gaat journalist Bart Eeckhout uitvoerig in op wat hij “retorisch kindermisbruik” noemt, onder meer door de ecologisten. Hij heeft een punt, en tegelijk ook niet. Als door het argument ‘Gij zult niet moraliseren!’ – trouwens zelf al behoorlijk moraliserend – een debat over waarden zou worden herleid tot gevaarlijke en antidemocratische retoriek, dan is dat zelf een retorische truc.

woensdag, 05 november 2014 20:01

Naar een andere welvaart

Regelmatig als ik een lezing ga geven, krijg ik de vraag: maar hoe moet ik mij dat nu allemaal voorstellen? Als je uitlegt dat het pad waarop we zitten volstrekt niet duurzaam is, dan beseft iedereen dat dat zo is. We wegen te zwaar op de planeet, dat valt niet te ontkennen. Maar je voorstellen hoe het dan wel zal zijn, in een maatschappij die niet te zwaar weegt, dat is niet altijd eenvoudig.

dinsdag, 13 mei 2014 18:49

Die ene zin

Gisteren in het nieuws. Veel aandacht voor kinderbijslag en de effecten van de voorstellen van de verschillende partijen daarop. Heel interessant, heel uitdagend om over na te denken. Tegelijk ook iets dat dichtbij komt, dicht bij gevoelige plekken. Maar dat is niet zo erg. Er is alleen dat ene argument, en die ene zin.

woensdag, 27 november 2013 14:19

Waar is Fukushima in ons hoofd?

Hoe doe je dat? Omgaan met nieuws, met weten, met het gewicht van het weten? Moeilijke vraag, moeilijke antwoorden.

maandag, 29 april 2013 11:37

Positieve praktijken

Een beschouwing naar aanleiding van het debat met Harald Welzer op Het Groene Boek. Misschien kan een spirituele grondhouding, die neerkomt op een leven in waarheid, wel een belangrijke tussenschakel zijn in de positieve praktijken die Welzer bepleit.

donderdag, 17 januari 2013 14:12

De weg naar een postgroei-economie

Bespreking van het boek Befreiung vom Überfluss van Niko Paech.

Pagina 1 van 5

Doneer

Wil je Oikos steunen als onafhankelijk platform? Dan kan door een bijdrage – groot of klein - te storten op BE29 0015 9877 0164 (BIC: GEBA BE BB) van Oikos vzw.

Over Oikos

Oikos wil een toonaangevend forum zijn voor de sociaal-ecologische tegenstroom. Oikos vertrekt vanuit de analyse dat het gangbare economische model ecologisch niet duurzaam is, en dat de emancipatie van velen in onze samenleving en de wereld nog lang niet voltooid is. Oikos behandelt alle dimensies van dit streven naar verandering: de onderliggende ethiek, de analyse van de bestaande toestand, de ontwikkeling van alternatieven en de politieke strategie.

Gratis proefnummer

Wil je graag een gratis proefnummer ontvangen van Oikos? Dat kan! Vul op deze pagina jouw gegevens in en wij sturen jou het laatste Oikos nummer als gratis proefnummer op.